Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BD5969

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
09-06-2008
Datum publicatie
01-07-2008
Zaaknummer
AWB 07/3225
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende en haar zuster zijn de enige erfgenamen van hun overleden tante. Tot de nalatenschap behoren aandelen in een B.V., ter zake waarvan de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten van de Successiewet worden toegepast. Een deel van de waarde van de aandelen is aangemerkt als voorwaardelijk onbelast geconserveerde waarde, het andere deel is aangemerkt als belast geconserveerde waarde. Aan belanghebbende is in dat verband één conserverende aanslag in het recht van successie opgelegd.

De rechtbank oordeelt dat de inspecteur niet verplicht was voor beide delen een afzonderlijke conserverende aanslag op te leggen, maar dat bij één aanslag mocht doen. De inspecteur heeft daarmee niet gehandeld in strijd met artikel 37, tweede lid, van de Wet.

Verder is de rechtbank van oordeel dat de conserverende aanslag zodanig is vormgegeven dat het voor belanghebbende duidelijk moet zijn geweest dat deze betrekking had op zowel de voorwaardelijk onbelast, als de belast geconserveerde waarde. De andersluidende opvatting van belanghebbende deelt de rechtbank niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2008/51.3.5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/3225

Uitspraakdatum: 9 juni 2008

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

verweerder.

Eiseres en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is ter zake van haar verkrijging uit de nalatenschap van haar tante, [erflaatster] in het jaar 2002 een conserverende aanslag in het recht van successie opgelegd, naar een te betalen bedrag van € 2.110.387 (hierna: de aanslag). De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 juni 2007, het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag niet-ontvankelijk verklaard.

1.2. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 19 juli 2007, op diezelfde dag ontvangen bij de rechtbank, beroep ingesteld.

1.3. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Belanghebbende heeft, op verzoek van de rechtbank, vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2008 te Breda, Het onderzoek in de zaken die bij de rechtbank zijn geregistreerd onder de nummer 07/3225, 07/3226, 07/3227 en 07/3229 heeft gelijktijdig plaatsgevonden.

Voor een overzicht van de aldaar verschenen personen en het verhandelde ter zitting verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting waarvan een kopie aan deze uitspraak is gehecht.

1.6. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de inspecteur. Belanghebbende heeft ter zitting, zonder bezwaar van de inspecteur, een nader stuk overgelegd aan de rechtbank en aan de inspecteur.

1.7. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Erflaatster is overleden op 9 november 2002. Erfgenamen zijn haar nichten, de zusters: [belanghebbende] en [zus].

2.2. De omvang van de nalatenschap was € 14.923.072. Tot de nalatenschap behoren alle aandelen [BV] [met een waarde van € 15.726.405.

2.3. Belanghebbende heeft, net als haar zuster, recht op toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit van hoofdstuk IIIA van de Successiewet (hierna: de Wet) in verband met de verkrijging van de aandelen [BV].

2.4. In de aangifte successierecht heeft belanghebbende op grond van artikel 35c, lid 5 van de Wet verzocht om een bedrag van € 7.863.203 (50% van € 15.726.405) als te conserveren waarde aan te merken. Dit bedrag kan worden verdeeld in een voorwaardelijk onbelaste geconserveerde waarde van € 2.358.961, zoals bedoeld in artikel 35c, lid 2 van de Wet en een belaste geconserveerde waarde van € 5.504.242, zoals bedoeld in artikel 35c, lid 3 van de Wet (tekst 2002).

2.5. Bij de aanslagregeling heeft de inspecteur een bedrag van € 3.103.509 als te conserveren waarde aangemerkt. Als gevolg daarvan is de voorwaardelijk onbelast geconserveerde waarde berekend op € 931.053 en de belaste geconserveerde waarde op € 2.172.456.

2.6. Op de voorzijde van het aanslagbiljet is onder andere het volgende vermeld:

“Bedrag van de conserverende aanslag(en) € 2.110.387

Voor de onderdelen van de conserverende aanslag zie hierna.

De bedragen op deze aanslag behoeven voorlopig niet te worden betaald.

(..)

Dit is een conserverende aanslag die is opgelegd met toepassing

van de bedrijfsopvolgingsregeling opgenomen in de artikelen 31a,

35b en 35c van de Successiewet 1956

Berekening van de onderdelen van de aanslagen successierecht

Recht, berekend over de verkrijging zonder toepassing van de

bedrijfsopvolgingsregeling

Belaste verkrijging € 7.459.804

41 t/m 63% van € 799.554 € 476.929

68% van € 6.660.250 bij € 4.528.970

De aanslag € 5.005.899

(…)

Recht, berekend over de verkrijging na aftrek van de

conserverende delen als bedoeld in art. 35c leden 1 en 2 S.W.

Belaste verkrijging € 6.528.751

41 t/m 63% van € 799.554 € 476.929

68% van € 5.729.197 bij € 3.895.854

De aanslag € 4.372.783

Recht, berekend over de verkrijging na aftrek van de

conserverende delen als bedoeld in art. 35c leden 1, 2 en 3 S.W.

Belaste verkrijging € 4.356.295

41 t/m 63% van € 799.554 € 476.929

68% van € 3.556.741 bij € 2.418.583

De aanslag € 2.895.512

(…)”

2.7. Op de achterzijde van het aanslagbiljet is vermeld:

“(…)

Recapitulatie van de onderdelen Deel verkrijging Belasting

Gedeelte vallend onder art. 35c lid 1 S.W. € 7.461.536 € 5.005.899

Gedeelte vallend onder art. 35c lid 2 S.W. € -6.530.483 € -4.372.783

1. Voorwaardelijk onbelaste conserverende aanslag € 633.166

2. Belaste conserverende aanslag € 2.172.456 € 1.477.271

(art. 35c lid 3 S.W.)

Totaal van de conserverende aanslag(en) € 2.110.387

3. Gedeelte buiten de opvolgingsregeling € 4.358.027 € 2.895.512

Totaal € 7.461.536 € 5.005.899

(…)”

2.8. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering. Dit verzoek is afgewezen en de aanslag is gehandhaafd. In beroep heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard in haar bezwaar.

3. Geschil

3.1. In geschil is:

I. of twee afzonderlijke conserverende aanslagen moeten worden opgelegd; één voor de voorwaardelijk onbelaste geconserveerde waarde en één voor de belaste geconserveerde waarde en, zo nee,

II. of de conserverende aanslag uitsluitend betrekking heeft op de voorwaardelijk onbelaste geconserveerde waarde.

Belanghebbende beantwoordt de vragen bevestigend en de inspecteur ontkennend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en hetgeen zij daaraan ter zitting nog hebben toegevoegd.

3.3.1. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en primair tot vernietiging van de conserverende aanslag en subsidiair tot vermindering van de conserverende aanslag tot een te betalen bedrag van € 633.116.

3.3.2. De inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, ontvankelijkverklaring van het bezwaar en handhaving van de aanslag.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. In zijn verweerschrift heeft de inspecteur zich terecht op het standpunt gesteld dat belanghebbende ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard in haar bezwaar. Het beroep is daarom in zoverre al gegrond.

4.2. Niet in geschil is dat er één conserverende aanslag is opgelegd. Belanghebbende stelt dat er twee conserverende aanslagen moeten worden opgelegd; één voor de belasting die is verschuldigd over de voorwaardelijk onbelaste geconserveerde waarde (zoals bedoeld in artikel 31a, derde lid van de Wet) en één voor de belasting die is verschuldigd over de belaste geconserveerde waarde (zoals bedoeld in artikel 31a, vierde lid, van de Wet).

4.3. Artikel 37, eerste lid van de Wet bepaalt dat de belasting wordt geheven bij wege van aanslag. Op grond van het tweede lid wordt, in afwijking van het eerste lid, de belasting bedoeld in artikel 31a, tweede lid, geheven bij wege van conserverende aanslag. Artikel 31a, tweede lid van de wet luidt als volgt: “De over te conserveren waarde verschuldigde belasting is het bedrag aan belasting dat verschuldigd zou zijn zonder de in het eerste lid bedoelde vermindering aan te conserveren waarde, na aftrek van de overeenkomstig het eerste lid bepaalde belasting.”

4.4. De rechtbank is van oordeel dat uit voornoemde wetsartikelen geen verplichting voortvloeit tot het opleggen van twee conserverende aanslagen. Uit de verwijzing naar artikel 31a, tweede lid, van de Wet, waarin wordt gesproken over de belasting die is toe te rekenen aan “te conserveren waarde”, volgt dit niet. Met “te conserveren waarde” wordt bedoeld de belasting die is toe te rekenen aan de voorwaardelijk onbelaste en de belaste geconserveerde waarde gezamenlijk. Dit bedrag mag dan, op grond van artikel 37, tweede lid, worden geheven bij wege van één conserverende aanslag. Eerst in de leden twee en drie van artikel 31a wordt een onderscheid gemaakt in de belasting die is toe te rekenen aan de voorwaardelijk onbelaste respectievelijk de belaste geconserveerde waarde. Dit onderscheid is gelegen in de omstandigheid dat voor beide geconserveerde waarden een afzonderlijk uitstelregime neergelegd in de Invorderingswet van toepassing is. Dit staat er, anders dan belanghebbende meent, niet aan in de weg dat er voor de Successiewet één conserverende aanslag mag worden opgelegd.

4.5. Belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur op grond van het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 16 maart 2004, nummer CPP2003/1717M, V-N 2004/22.15, verplicht was om twee conserverende aanslagen op te leggen. De rechtbank verwerpt deze stelling. Het besluit spreekt van “maximaal twee” op te leggen conserverende aanslagen. Het besluit schrijft dus niet uitdrukkelijk voor dat er een verplichting bestaat om in een geval als het onderhavige twee conserverende aanslagen op te leggen, nog daargelaten of het besluit een dergelijke verplichting zou kunnen scheppen.

4.6. Gelet op het voorgaande moet de eerste in geschil zijnde vraag ontkennend worden beantwoord.

4.7. Nu de rechtbank van oordeel is dat de inspecteur niet in strijd met het bepaalde van art. 37, lid 2 heeft gehandeld door één aanslag op te leggen voor beide geconserveerde waarden, is verder in geschil of de aanslag uitsluitend betrekking heeft op de voorwaardelijk onbelaste geconserveerde waarde, zoals bedoeld in artikel 31a, derde lid, in verbinding met artikel 35c, eerste en tweede lid, van de Wet.

4.8. Belanghebbende stelt dat de aanslag heel onduidelijk is opgesteld en niet anders begrepen kan worden, dan dat deze uitsluitend betrekking heeft op de voorwaardelijk onbelaste geconserveerde waarde. De aanslag moet daarom naar de mening van belanghebbende worden verminderd tot het bedrag van de belasting die is verschuldigd over die waarde.

4.9. De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat hij van mening is dat de aanslag weliswaar moeilijk leesbaar is, maar dat de daarop vermelde bedragen allemaal correct zijn. De enige onjuistheid is volgens de inspecteur gelegen in de verwijzing naar de artikelen 35c lid 1 en 2 van de Wet, in het onderdeel “Recapitulatie van de onderdelen”.

4.10. De rechtbank is met belanghebbende van oordeel dat het aanslagbiljet niet zo duidelijk is vormgegeven dat direct duidelijk is waar de verschillende berekeningen betrekking op hebben. Omwille van de leesbaarheid had, bij de berekening van de diverse bedragen zoals geciteerd in 2.7, een verwijzing naar de afzonderlijke leden van artikel 31a van de Wet niet misstaan. Dit artikel bepaalt hoe de belasting die aan de geconserveerde waarden is toe te rekenen, moet worden berekend. De rechtbank overweegt dat de berekening van de diverse onderdelen in overeenstemming met artikel 31a van de Wet heeft plaatsgevonden en dat de foutieve verwijzing naar artikel 35c van de Wet blijkbaar een juiste interpretatie van de verschuldigde belastingbedragen niet heeft verhinderd. Op de achterzijde van het biljet zijn uitdrukkelijk de belastingbedragen vermeld die betrekking hebben op de voorwaardelijk onbelaste (€ 633.116) en belaste geconserveerde waarde (€ 1.477.271). Vervolgens is vermeld wat het totaalbedrag van de conserverende aanslag is (€ 2.110.387). Dit bedrag is ook aan de voorzijde van het biljet vermeld. Onjuist is dan ook de conclusie van belanghebbende dat dit totaalbedrag uitsluitend betrekking heeft op de voorwaardelijk onbelaste geconserveerde waarde.

4.11. Uit de stukken van het geding blijkt verder dat belanghebbende in de correspondentie met de inspecteur tijdens de bezwaarfase, de belasting die is toe te rekenen aan de voorwaardelijk onbelaste respectievelijk de belaste geconserveerde waarde, zoals deze ook zijn vermeld op het aanslagbiljet, steeds als zodanig afzonderlijk heeft genoemd. Belanghebbende moet daarom hebben begrepen dat de aanslag op beide geconserveerde waarden en op beide daaraan toe te rekenen belastingbedragen betrekking had.

4.12. Gelet op het voorgaande moet ook de tweede in geschil zijnde vraag ontkennend worden beantwoord. De aanslag is terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd. Gelet op hetgeen in 4.1 is overwogen, moet het beroep gegrond worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Voor een vergoeding van de kosten in de bezwaarfase is geen plaats, nu niet gesteld of aannemelijk is geworden dat belanghebbende daar voor de uitspraak op bezwaar om heeft verzocht. De kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). De rechtbank beschouwt de zaken met de rolnummers 07/3225 en 07/3227 als samenhangende zaken zodat aan de onderhavige zaak wordt toegerekend 50% daarvan of € 322. De stelling van de inspecteur dat er sprake is van vier samenhangende zaken wordt door de rechtbank verworpen. Er is geen sprake van op vergelijkbare gronden ingestelde beroepen, zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

6. Beslissing

De rechtbank:

– verklaart het beroep gegrond;

– vernietigt de uitspraak op bezwaar;

– verklaart het bezwaar ontvankelijk;

– handhaaft de aanslag;

– veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 322 en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

– gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 39 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 9 juni 2008 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzitter, mr. A.A. den Hartog en prof. mr. I.J.F.A. van Vijfeijken, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. E. Woltman, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.