Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BD5940

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
08-05-2008
Datum publicatie
01-07-2008
Zaaknummer
AWB 07/1587
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende, inwoner van Duitsland, is digra van een B.V. en een GmbH. Door de GmbH is een auto aan belanghebbende ter beschikking gesteld. Op grond van een tussen de B.V. en de GmbH gemaakte afspraak, wordt de auto ook voor directiewerkzaamheden ter beschikking gesteld aan de B.V., waarvoor de GmbH een vergoeding van de B.V. ontvangt. In geschil is of het voordeel wegens privé-gebruik mede aan de dienstbetrekking met de B.V. moet worden toegerekend.

De rechtbank oordeelt dat de feiten in dit geval tot de conclusie leiden dat de auto mede namens de B.V. aan belanghebbende ter beschikking wordt gesteld. Dat belanghebbende stelt dat de auto alleen zakelijk wordt gebruikt doet daaraan niet af. De auto wordt geacht mede voor privé-doeleinden ter beschikking te worden gesteld en belanghebbende heeft geen kilometeradministratie bijgehouden of anderszins doen blijken dat de auto voor niet meer dan 500 kilometer op jaarbasis voor privé-doeleinden wordt gebruikt. Het voordeel moet dan vervolgens worden toegerekend aan beide dienstbetrekkingen, naar rato van het brutosalaris.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008, 1441
FutD 2008-1435
V-N 2008/49.3.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/1587

Uitspraakdatum: 8 mei 2008

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], Duitsland,

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 7 maart 2007 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2002 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 115.840.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2008, tezamen met het onderzoek in de zaak die bij de rechtbank is geregistreerd onder nummer 07/1588.

Aldaar zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de inspecteur.

1. Beslissing

De rechtbank:

– verklaart het beroep gegrond;

– vernietigt de uitspraak op bezwaar;

– vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 109.657;

– veroordeelt de inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende voor een bedrag van € 644 en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

– gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 39 aan hem vergoedt.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en woont in Duitsland. Hij is directeur van [B.V.]., gevestigd in [woonplaats] en houdt 20% van de aandelen in de B.V.. De B.V. houdt 80% van de aandelen in [GmbH], gevestigd in [woonplaats], Duitsland (hierna: de GmbH). Belanghebbende is ook directeur van de GmbH. In 2002 heeft belanghebbende van de B.V. en de GmbH arbeidsbeloningen ontvangen van respectievelijk € 82.415 en € 21.595.

2.2. De GmbH heeft aan belanghebbende in 2002 een auto ter beschikking gesteld voor het uitvoeren van zijn werkzaamheden voor de GmbH (hierna: de auto) met een cataloguswaarde van € 119.117. In een tussen de GmbH en de B.V. gemaakte afspraak die is gedateerd 30 juni 2000, is vastgelegd dat de GmbH de auto als directiewagen ten behoeve van het zakelijk verkeer ter beschikking stelt aan de B.V. Voor dit gebruik brengt de GmbH aan de B.V. een vergoeding van f 1,96 per kilometer in rekening.

2.3. Belanghebbende is buitenlands belastingplichtig en heeft voor het jaar 2002 aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning in Nederland van € 86.061 (salaris € 82.416 en uitkering SVB € 3.645). De post “Privé-gebruik auto van de werkgever” is niet ingevuld. De inspecteur heeft bij de aanslagregeling het belastbaar inkomen verhoogd met een correctie wegens het voordeel van het privé-gebruik van de door de werkgever ter beschikking gestelde auto (hierna: de bijtelling) van 25% x € 119.117 of € 29.779, zich op het standpunt stellend dat dat voordeel volledig is toe te rekenen aan de dienstbetrekking met de B.V.. Het belastbaar inkomen uit werk en woning in Nederland is vastgesteld op € 115.840. Bij de uitspraak op bezwaar is de aanslag gehandhaafd. In beroep heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat de bijtelling naar rato van het brutosalaris over beide dienstbetrekkingen moet worden verdeeld en geconcludeerd tot een vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 109.657.

2.4. In geschil is of de bijtelling terecht en tot het juiste bedrag is toegepast.

2.5. De Hoge Raad heeft in het arrest van 3 december 2004, nummer 39 787, BNB 2005/92 in rechtsoverweging 3.3.2 overwogen:

“Indien een werknemer meerdere werkgevers heeft in de zin van artikel 10, lid 2, onderdeel 2, van het Verdrag, en hij in verband met het verrichten van zijn werkzaamheden gebruik maakt van een auto welke hem daartoe door zijn werkgevers dan wel door één van hen maar mede namens de ander ter beschikking is gesteld, behoort een op geld waardeerbaar voordeel dat die werknemer heeft door gebruik van die auto voor privé-doeleinden, te worden toegerekend aan elk van de desbetreffende arbeidsverhoudingen, waarbij als maatstaf voor die toerekening behoudens bijzondere omstandigheden dient het bruto salaris dat de werknemer van beide werkgevers geniet. Voor de toepassing van artikel 42, lid 3, van de Wet is dit niet anders (vgl. HR 25 september 1996, nr. 31 537, BNB 1996/376).”

2.6. Belanghebbende heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat hij van mening is dat er geen sprake is van een mede namens de Nederlandse werkgever, de B.V., ter beschikking gestelde auto, maar dat sprake is van een situatie waarin de auto mede wordt gebruikt voor het in Nederland verrichten van werkzaamheden door de directeur van de B.V.. Deze stelling van belanghebbende is naar het oordeel van de rechtbank innerlijk tegenstrijdig.

Vaststaat dat belanghebbende werkzaamheden voor zowel de B.V. als de GmbH verricht, dat de auto door de GmbH aan belanghebbende ter beschikking wordt gesteld en dat de auto tevens door de GmbH aan de B.V. en door de B.V. aan belanghebbende ter beschikking wordt gesteld voor (zakelijk) gebruik door belanghebbende. Dat rechtvaardigt de conclusie dat de auto mede namens de B.V. aan belanghebbende ter beschikking is gesteld. Op grond van het in 2.5 genoemde arrest moet de bijtelling dan mede aan de arbeidsverhouding met de B.V. worden toegerekend.

2.7. Belanghebbende stelt dat de auto in Nederland niet privé, maar uitsluitend zakelijk wordt gebruikt en dat de bijtelling daarom achterwege moet blijven. Nu, zoals de rechtbank in 2.6. heeft overwogen, de auto mede namens de B.V. aan belanghebbende ter beschikking wordt gesteld, is voor de bijtelling niet relevant het al dan niet bestaande privégebruik in Nederland, maar het totale privégebruik. Belanghebbende heeft geen kilometeradministratie bijgehouden noch op andere wijze doen blijken dat met de ter beschikking gestelde auto minder dan 500 kilometer privé wordt gereden. De bijtelling heeft daarom terecht plaats¬gevonden.

2.8. Belanghebbende heeft verder gesteld dat de bijtelling niet zomaar over de lands¬grenzen mag worden toegepast en dat Nederland de heffingsbevoegdheid éénzijdig uitbreidt. Belanghebbende wijst er daarbij op dat de heffing wegens privé-gebruik in Duitsland al volledig in de belastingheffing is betrokken. De rechtbank verwerpt deze stellingen van belanghebbende. Gelet op hetgeen is overwogen in 2.6 en 2.7, heeft de inspecteur terecht dat deel van de bijtelling, dat is toe te rekenen aan de Nederlandse dienstbetrekking, in de Nederlandse heffing betrokken. De heffing over het voordeel wegens privé-gebruik van een door de Nederlandse werkgever ter beschikking gestelde auto is op grond van artikel 10 van het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland aan Nederland toegewezen. Dat Duitsland het voordeel volledig in de heffing heeft betrokken zonder rekening te houden met een in Nederland te belasten deel, doet aan dat oordeel niet af. Niets verplicht de inspecteur er toe om rekening te houden met een volledige heffing in Duitsland.

2.9. Belanghebbende heeft subsidiair gesteld dat, voor het geval de rechtbank oordeelt dat de bijtelling terecht is toegepast, de bijtelling voor gelijke delen aan de beide dienst¬betrekkingen moet worden toegerekend. De rechtbank verwerpt deze stelling. Op grond van het in 2.5 genoemde arrest moet de bijtelling naar evenredigheid van het bruto-salaris van beide werkgevers worden toegerekend. Bijzondere omstandigheden die een andere verdeling rechtvaardigen doen zich naar het oordeel van de rechtbank niet voor.

2.10. Uit het voorgaande volgt dat de bijtelling terecht is toegepast. Gelet op de in 2.3 genoemde nadere conclusie van de inspecteur is het beroep gegrond verklaard en is de aanslag verminderd overeenkomstig het standpunt van de inspecteur.

3. Proceskosten

3.1. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belang¬hebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De inspecteur heeft gesteld dat er, hoewel het beroep gegrond is, voor een vergoeding van kosten geen plaats is. De inspecteur is van mening dat het aan belanghebbende te wijten is dat de aanslag pas in beroep is verminderd, omdat eerst in beroep de loongegevens van de GmbH zijn overgelegd. De rechtbank verwerpt deze stelling van de inspecteur. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 12 mei 2006, nummer 42 449, BNB 2006/270, geldt als regel dat wanneer een belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, de door hem in beroep gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Van deze regel mag worden afgeweken indien de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van de belanghebbende. De enkele omstandigheid dat de noodzaak tot het instellen van beroep mede voortvloeide uit de handelwijze van de belanghebbende, is dus niet voldoende. Belanghebbende heeft in zijn brief van 16 maart 2006 aan de inspecteur, dus voor de uitspraak op bezwaar, een overzicht gegeven van de door hem ontvangen beloningen van de GmbH in de jaren 2001 tot en met 2005, waar bij het jaar 2002 het bedrag van € 21.595 staat vermeld en dat bedrag is ook nog genoemd in het hoorgesprek. De rechtbank ziet niet in waarom de inspecteur niet in enige mate rekening kon houden met een van de GmbH genoten beloning, nu belanghebbende ook in andere jaren daarvan een beloning ontving. Er zijn immers ook geen aanwijzingen dat belanghebbende in enig stadium onjuiste informatie heeft gegeven. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat het in beroep gaan uitslutend te wijten is aan nalaten van belanghebbende zelf.

3.2. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

Voor een vergoeding van de kosten in de bezwaarfase is geen plaats. Niet gesteld of aannemelijk is geworden dat belanghebbende voor de uitspraak op bezwaar om vergoeding van deze kosten heeft verzocht.

Deze uitspraak is gedaan op 8 mei 2008 door mr A.A. den Hartog, voorzitter, mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en prof. mr. I.J.F.A. van Vijfeijken, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. E. Woltman, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ [woonplaats].

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.