Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BD5854

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
20-05-2008
Datum publicatie
01-07-2008
Zaaknummer
AWB 06/1767
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende exploiteert een seksinrichting. Aan hem is een naheffingsaanslag omzetbelasting en een vergrijpboete opgelegd. In geschil is of belanghebbende omzetbelasting verschuldigd is over de totale in de club gerealiseerde omzet, zoals de inspecteur betoogt, of dat de prestatie van belanghebbende enkel bestaat uit van omzetbelasting vrijgestelde kamerverhuur, zoals belanghebbende verdedigt. De rechtbank geeft de inspecteur gelijk. De rechtbank acht niet aannemelijk dat de klant meent slechts een overeenkomst te sluiten met de prostituee en niet met belanghebbende. De enkele omstandigheid dat de klant het verschuldigde bedrag aan de prostituee betaalt en niet aan belanghebbende is daarvoor onvoldoende. Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat belanghebbende in het kader van zijn onderneming aan klanten tegen betaling de gelegenheid biedt zich met prostituees af te zonderen en te onderhouden. Het bieden van die gelegenheid dient voor de heffing van de omzetbelasting als één dienst te worden aangemerkt. De vergoeding voor de door belanghebbende verrichte dienst is al hetgeen ter zake in rekening is gebracht, ofwel het aan de klant in rekening gebrachte bedrag zonder aftrek van het door belanghebbende nadien aan de prostituee betaalde bedrag en daarover is omzetbelasting naar het normale tarief verschuldigd. De naheffingsaanslag is terecht opgelegd. De boetebeschikking wordt door de rechtbank vernietigd, omdat belanghebbende geen opzet of grove schuld kan worden verweten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008/1472
FutD 2008-1452
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/1767

Uitspraakdatum: 20 mei 2008

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 27 juli 2005 over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 een naheffingsaanslag omzetbelasting ten bedrage van € 77.116 opgelegd, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 38.558.

1.2. De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 25 februari 2006 de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 7 april 2006, ontvangen bij de rechtbank op diezelfde datum, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 141.

1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2008 te Breda. Daar is eveneens behandeld de zaak die bij de rechtbank is geregistreerd onder procedurenummer 06/3148. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde, alsmede de inspecteur.

1.6. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de inspecteur.

1.7. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en bepaald dat schriftelijk uitspraak zal worden gedaan.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Belanghebbende exploiteert een ‘privé-huis’ onder de naam [seksinrichting] in de vorm van een eenmanszaak. Belanghebbende staat als zodanig ingeschreven in het register van de Kamer van Koophandel met als bedrijfsomschrijving: “het ter beschikking stellen van ruimten waarin privé-huis activiteiten worden ontplooid”. De onderneming wordt gedreven in een pand op het adres [straat] te [woonplaats].

2.2. Belanghebbende beschikt met ingang van 6 februari 2003 over een vergunning van de gemeente [woonplaats] voor een seksinrichting van welke vergunning belanghebbende gebruik maakt voor haar onderneming. In deze vergunning wordt het bedrijf omschreven als [seksinrichting] en is belanghebbende vermeld als exploitant en beheerder.

2.3. Belanghebbende adverteert ten behoeve van zijn onderneming via krant, radio en internet. Op de internetsite worden de prijzen vermeld die in rekening worden gebracht voor de diverse verrichtingen door de prostituee. De klanten komen het pand binnen, waarna de prostituees zich aan de klant kunnen presenteren. De klant rekent van tevoren contant af met de prostituee. Het geld wordt vervolgens in een enveloppe gedaan met daarop de naam van de prostituee en de verdeling van de ontvangst. Aan het eind van de dag wordt tussen belanghebbende en de prostituee contant afgerekend. Belanghebbende werft de prostituees en de klanten.

2.4. Het pand is ingericht als privé-club en heeft als indeling:

Begane grond: entree, keuken, ontvangstkamer, zitkamer, werkkamer met toilet en ligbad, hal, toilet en keuken privé;

Eerste verdieping: woonkamer, twee werkkamers, badkamer, slaapkamer, hal;

Tweede verdieping: drie werkkamers, hal, balkon.

De werkkamers zijn voorzien van stoffering en gebruiksartikelen.

2.5. Belanghebbende heeft omzetbelasting aangegeven en voldaan over de totale omzet na aftrek van het aan de prostituees toekomende deel. Bij belanghebbende is op 27 juni 2002 een onderzoek ingesteld, waarvan op 11 december 2002 een onderzoeksrapport is opgemaakt. Aan het slot van het rapport staat vermeld:

“Op basis van de in dit rapport vermelde gegevens zullen de arbeidsverhoudingen van de bij u werkzame personen worden beoordeeld, alsmede de plicht tot het betalen van omzetbelasting. Indien sprake blijkt te zijn van loondienst en van verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen, zult u als inhoudingsplichtige c.q. werkgever worden ingeschreven bij de belastingdienst en [instantie]. U ontvangt hierover nog nader bericht.”

2.6. Op 2 juni 2005 heeft een tweede onderzoek plaatsgevonden, waarvan op 5 juli 2005 een rapport is opgemaakt. De feitelijke gang van zaken bij de onderneming is blijkens het rapport ongewijzigd gebleven. In dit rapport staat op pagina 3 vermeld:

“Het bezoek is een vervolg op een ingesteld bedrijfsbezoek van 27 juni 2002. Op 11 december 2002 is hieromtrent een rapportage uitgebracht met de volgende conclusies:

- de in de club werkzame prostituees zijn in loondienst werkzaam bij de exploitant van de club;

- voor de omzetbelasting is er sprake van het aanbieden van één dienst.”

2.7. Belanghebbende is op 11 juli 2005 in kennis gesteld van het voornemen een vergrijpboete op te leggen. Naar aanleiding van het in 2.6 genoemde rapport zijn met dagtekening 27 juli 2005 aan belanghebbende de in 1.1 genoemde naheffingsaanslag en de vergrijpboete opgelegd.

3. Geschil

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende omzetbelasting verschuldigd is over de totale in de club gerealiseerde omzet, zoals de inspecteur betoogt, of dat de prestatie van belanghebbende enkel bestaat uit van omzetbelasting vrijgestelde kamerverhuur zoals belanghebbende verdedigt.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken alsmede hetgeen door hen ter zitting daaraan is toegevoegd.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag en de boetebeschikking.

Ter zitting heeft de inspecteur geconcludeerd dat de boete moet worden verminderd tot € 5.000 en dat het beroep voor het overige ongegrond moet worden verklaard.

4. Beoordeling van het geschil

Naheffingsaanslag

4.1. Belanghebbende stelt dat er in hoofdzaak twee diensten moeten worden onderscheiden: een dienst door belanghebbende aan de prostituee, bestaande uit kamerverhuur, en een dienst door de prostituee aan de klant, bestaande uit het bieden van seksueel vermaak. Voorts stelt hij dat er geen privaatrechtelijke dienstbetrekking bestaat tussen hem en de prostituees en dat hij derhalve geen omzetbelasting verschuldigd is over de verdiensten van de prostituees. Daarnaast is belanghebbende van mening dat de aanslag en de uitspraken op bezwaar onvoldoende gemotiveerd zijn.

4.2. Vast staat dat belanghebbende adverteert onder de naam [straat], onder andere via internet. Op de internetsite worden de prijzen vermeld die in rekening worden gebracht voor de totale prestatie van de prostituee (inclusief het deel voor de kamerhuur). Uit het onder 2.6. genoemde controlerapport, de overige stukken en ter zitting is vermeld omtrent de feitelijke gang van zaken bij de club blijkt dat de klanten het pand binnenkomen in de centrale ontvangstkamer, waar de prostituees zich aan de klant kunnen presenteren waarna de klanten zich met een of meer prostituees kunnen afzonderen, en dat de klant dan van tevoren contant afrekent met de prostituee waarna het in een enveloppe wordt gedaan met daarop de naam van de prostituee en de verdeling van de ontvangst en dat aan het eind van de dag wordt tussen belanghebbende en de prostituee contant afgerekend.

4.3. De rechtbank is van oordeel dat de klanten dit zullen ervaren als een dienst die aan hen wordt verleend door de club, waarvan de specifieke dienstverlening door de prostituee een onderdeel is. De onderlinge afspraken tussen belanghebbende en de prostituees regarderen de klant immers niet. De rechtbank acht niet aannemelijk dat de klant meent slechts een overeenkomst te sluiten met de prostituee en niet met belanghebbende. De enkele omstandigheid dat de klant het verschuldigde bedrag aan de prostituee betaalt en niet aan belanghebbende is daarvoor onvoldoende. Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat belanghebbende in het kader van zijn onderneming aan klanten tegen betaling de gelegenheid biedt zich met prostituees af te zonderen en te onderhouden. Het bieden van die gelegenheid dient voor de heffing van de omzetbelasting als één dienst te worden aangemerkt

4.4. Gelet op het in 4.2 en 4.3 overwogene is belanghebbende degene die de dienst heeft verricht en is de vergoeding voor de door belanghebbende verrichte dienst al hetgeen ter zake in rekening is gebracht, ofwel het aan de klant in rekening gebrachte bedrag zonder aftrek van het door belanghebbende nadien aan de prostituee betaalde bedrag en is daarover omzetbelasting naar het normale tarief verschuldigd.

4.5. Met betrekking tot belanghebbendes beroep op het motiveringsbeginsel merkt de rechtbank het volgende op. Volgens vaste jurisprudentie (o.a. HR 7 oktober 1998, nr. 33 577, BNB 1999/33) brengt de loop van de procedure in belastingzaken mee dat schending van het motiveringsbeginsel, daargelaten of daarvan in het onderhavige geval al sprake zou zijn, alleen tot gevolg heeft dat de rechtbank, zo deze de uitspraak van de inspecteur bevestigt, verplicht is zelf de gronden daarvoor in zijn uitspraak op te nemen. Een eventueel motiveringsgebrek kan dan ook niet leiden tot vernietiging of vermindering van de naheffingsaanslag. In het onderhavige geval ziet de rechtbank ook geen reden om de zaak terug te wijzen naar de inspecteur en hem op te dragen opnieuw, meer gemotiveerd, uitspraken te doen.

4.6. Omdat belanghebbende ten onrechte slechts over een deel van de omzet omzetbelasting heeft afgedragen is aan belanghebbende terecht de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd. De hoogte van de naheffingsaanslag is als zodanig niet in geschil.

Boetebeschikking

4.7. In het rapport van 11 december 2002 wordt geen oordeel gegeven omtrent de verschuldigdheid van omzetbelasting. Een conclusie omtrent de verschuldigdheid van omzetbelasting wordt door de belastingdienst pas getrokken in het rapport van 5 juli 2005. De feitelijke gang van zaken binnen de onderneming is ten opzichte van de controle op 27 juni 2002 ongewijzigd gebleven. Belanghebbende kan met betrekking tot het te weinig afdragen van omzetbelasting over het onderhavige tijdvak dan ook geen opzet of grove schuld worden verweten, omdat bij de belastingdienst zelf blijkens het rapport van 11 december 2002 geen duidelijkheid bestond omtrent de plicht tot het betalen van omzetbelasting en de inspecteur eerst in 2005 een standpunt daaromtrent heeft ingenomen. De boetebeschikking moet worden vernietigd.

4.8. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Daarbij wordt uitgegaan van twee samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het betreft naast de onderhavige zaak de procedure bij de rechtbank geregistreerd onder procedurenummer 06/3148. De kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 966 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). Daarnaast wordt de inspecteur, eveneens met toepassing van dat besluit, veroordeeld de reiskosten van belanghebbende te vergoeden tot een bedrag van € 14. Verdeeld over twee zaken bedragen de kosten dan € 490 per zaak.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond voorzover het de boetebeschikking betreft;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar betreffende de boetebeschikking alsmede de boetebeschikking;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond ;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van

€ 490, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 141 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 20 mei 2008 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzitter, mr. C.A.F.M. Stassen en mr. M.L. Weerkamp, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. P.J.G. Tiemessen, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ [woonplaats].

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.