Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BD5746

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
22-05-2008
Datum publicatie
01-07-2008
Zaaknummer
AWB 06/3968
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is of het restitutieverzoek bouwleges terecht is afgewezen. Bij de aanvraag moet aangetoond worden dat dagelijks toezicht op de bouw plaatsvindt door een opzichter die in dienst is van degene die de directie voerde, niet zijnde de aannemer. De bewijslast hiervan rust op belanghebbende. Indien aan die bewijslast is voldaan rust vervolgens op verweerder de bewijslast dat later is gebleken dat gedurende het bouwproces geen dagelijks toezicht overeenkomstig het vorenstaande plaatsvindt. De rechtbank is van oordeel dat de enkele getuigenverklaring van de architect dat hij niet elke dag op de bouw aanwezig was, voor dat bewijs onvoldoende is. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende gebleken dat sprake is geweest van een voldoende toezicht op de bouw door een opzichter die in dienst is van degene die de directie voerde, niet zijnde de aannemer. Voor een dagelijks toezicht is niet vereist dat de toezichthouder feitelijk dagelijks op de bouw aanwezig is geweest maar voldoende is dat op de bouw een zodanig toezicht is dat het gebouw voldoet aan de in de vergunning gestelde voorwaarden en de veiligheid tijdens de bouw in acht wordt genomen. Dit toezicht kan mede bestaan uit activiteiten ten behoeve van het coördineren van het bouwproces. Het restitutieverzoek is ten onrechte afgewezen .

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2008/1168.1
FutD 2008-1451
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RE[1]HTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/3968

Uitspraakdatum: 22 mei 2008

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] BV, gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [woonplaats],

verweerder.

Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan belanghebbende op 2 april 2003 een bouwvergunning verleend voor het bouwen van een kantorencomplex, bouwdeel [1], op het bouwadres [straat] te [woonplaats]. Ter zake hiervan is bij factuur met nummer [000000] en dagtekening 3 april 2003 aan belanghebbende leges in rekening gebracht ten bedrage van € 65.457,68.

1.2. Bij brief van 22 april 2003 heeft belanghebbende tegen de in 1.1 genoemde factuur bezwaar gemaakt aangezien daarbij geen rekening was gehouden met een restitutie op grond van de Verordening op de heffing en in de invordering van leges 1997 en Tarieventabel 2002 (hierna: Legesverordening [woonplaats] 1997). Verweerder heeft dit als bezwaar aangemerkt en behandeld als een verzoek om restitutie van de bij de in 1.1 genoemde factuur in rekening gebrachte leges.

1.3. Met dagtekening 7 maart 2005 is het verzoek tot het verkrijgen van een restitutie op grond van de Legesverordening [woonplaats] 1997 (hierna: het restitutieverzoek) afgewezen.

1.4. Met dagtekening 15 maart 2005 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van het restitutieverzoek. Van dit bezwaarschrift heeft zij een op 17 maart 2005 gedagtekende ontvangstbevestiging ontvangen.

1.5. Met dagtekening 7 november 2005 is op het bezwaar van 15 maart 2005 beslist. Het bezwaar wordt als volgt omschreven:

“U maakt bezwaar tegen deze nota, omdat u het ten eerste niet eens bent met de door de gemeente vastgestelde bouwkosten. Ten tweede bent u van mening dat de restitutie van de in rekening gebrachte bouwleges van toepassing is.”

Verweerder beslist voor wat betreft het bezwaar tegen de hoogte van de nota leges dat het bezwaar niet-ontvankelijk is wegens termijnoverschrijding. Tevens is bij deze uitspraak het volgende vermeld:

“Voor wat betreft restitutie van de in rekening gebrachte bouwleges kan ik u het volgende meedelen. Bij brief van 7 maart 2005 zijn uw verzoekschriften d.d. 26 november 2002 (nota [000000]) en 22 april 2003 (nota [000000]) beantwoord.

Uw verzoeken om restitutie zijn afgewezen en tegen voormelde beslissing had u binnen zes weken een bezwaarschrift in kunnen dienen bij Directie Publieksdiensten, afdeling Belastingen. Ik verklaar u derhalve niet-ontvankelijk in uw bezwaar. Het besluit tot afwijzing van uw verzoeken om restitutie blijft gehandhaafd.”

Deze uitspraak is op 24 mei 2006 aan belanghebbende bekend gemaakt.

1.6. Met dagtekening 9 juni 2006 is op het bezwaarschrift van 15 maart 2005 tegen de afwijzing van het restitutieverzoek beslist. Het bezwaar is ongegrond verklaard en de nota’s leges met de notanummers [000000] en [000000] zijn gehandhaafd.

1.7. Het beroep van 2 juni 2006, aangevuld op 20 juli 2006, richt zich zowel tegen de niet-ontvankelijk verklaringen van het bezwaar tegen de nota leges als tegen de niet-ontvankelijk verklaringen van de bezwaren op de restitutieverzoeken als de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de afwijzing van het restitutieverzoek.

1.8. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.9. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

1.10. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2007 te [woonplaats]. Daar zijn gelijktijdig de zaken met procedurenummers 06/2940 en 06/3968 behandeld. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende in de persoon van haar directeur [directeur], vergezeld van haar gemachtigde [gemachtigde], alsmede de verweerder.

1.11. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder. Verweerder heeft verklaard bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlagen. Hieraan gaat de rechtbank voorbij nu verweerder na de zitting de gelegenheid heeft gekregen op deze bijlagen schriftelijk te reageren. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan partijen is verzonden. Naar aanleiding van opmerkingen van verweerder is een verbeterd afschrift van dit proces-verbaal aan deze uitspraak gehecht.

1.12. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en verweerder in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op de ingekomen stukken, de getuigenverklaringen en het verhandelde ter zitting.

1.13. Verweerder heeft schriftelijk gereageerd bij brief met dagtekening 5 november 2007. Deze brief is in afschrift verstrekt aan belanghebbende, die daarbij in de gelegenheid is gesteld hierop schriftelijk te reageren.

1.14. Belanghebbende heeft schriftelijk gereageerd bij brief met dagtekening 20 december 2007. Deze brief is in afschrift verstrekt aan verweerder.

1.15. Met toestemming van partijen is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Op 18 april 2008 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en aan partijen medegedeeld dat binnen zes weken uitspraak zal worden gedaan.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Op 20 december 2002 is de aanvraag voor de in 1.1 genoemde bouwvergunning bij de afdeling Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente [woonplaats] ingediend. De aanvraag voor de vergunning is volledig geweest, deze voldeed aan alle daaraan gestelde eisen voor zowel de bouwaanvraag als de aanvraag van de restitutie van de leges. De bouwkosten bedragen totaal € 3.550.000.

2.2. Artikel 8 van de Legesverordening [woonplaats] 1997 (vastgesteld door de raad van de gemeente [woonplaats] in de openbare vergadering van 23 januari 1997, laatstelijk gewijzigd bij wijzigingsverordening van de raad van de gemeente [woonplaats] vastgesteld in de openbare vergadering van 20 december 2001, bekendgemaakt respectievelijk op 31 januari 1997 en 27 december 2001) luidt:

“Gehele of gedeeltelijke teruggaaf van leges ter zake van een in de tarieventabel omschreven dienst wordt verleend op aanvraag als bedoeld in artikel 242 van de Gemeentewet (Stb. 1994, 762) en overeenkomstig een met betrekking tot die dienst in de bij deze verordening behorende tarieventabel opgenomen bepaling.”

De Tarieventabel 2002 behorende bij de Legesverordening [woonplaats] 1997 vermeldt in “Hoofdstuk 5 Bouwvergunningen” onder het kopje “Restituties” het volgende:

“5.3.1 Indien bij de aanvraag van de bouwvergunning door de aanvrager wordt aangetoond dat er een volledige opdracht is verstrekt aan de architect tot en met de eindoplevering, inclusief de directievoering, dan vindt een restitutie plaats van 7,5% van het tarief als genoemd onder 5.2.1, tenzij gedurende het bouwproces blijkt dat er geen volledige opdracht is verstrekt.

5.3.2 Indien voor de aanvang van de uitvoering van het bouwwerk door de vergunninghouder wordt aangetoond dat er een dagelijks toezicht op de bouw plaatsvindt door een opzichter die in dienst is van degene die de directie voerde, niet zijnde de aannemer, dan vindt een restitutie plaats van 7,5% van het tarief als genoemd onder 5.2.1, tenzij gedurende het bouwproces blijkt dat er geen dagelijks toezicht plaatsvindt overeenkomstig dit onderdeel.

5.3.3 Indien bij de aanvraag van de bouwvergunning door de aanvrager wordt aangetoond dat er één hoofdconstructeur verantwoordelijk is voor alle bouwconstructies, alle tekeningen en berekeningen voor het gehele werk daaronder begrepen, dan vindt een restitutie plaats van 7,5% van het tarief als genoemd onder 5,2.1, tenzij gedurende het bouwproces blijkt dat er geen gebruik wordt gemaakt van één hoofdconstructeur.

5.3.4. Indien voor de aanvang van de uitvoering van het bouwwerk door de vergunninghouder wordt aangetoond dat er één hoofdaannemer aanspreekbaar en verantwoordelijk is voor het gehele werk en de uitvoering van dat werk, dan vindt een restitutie plaats van 7,5% van het tarief als genoemd onder 5.2.1, tenzij gedurende het bouwproces blijkt dat er niet één aanspreekbare en verantwoordelijke hoofdaannemer is.

5.3.5.1 De in de onderdelen 5.3.1 t/m 5.3.4 genoemde restituties zijn van toepassing indien de bouwkosten van het verzoek om bouwvergunning tenminste € 2.250.000,— bedraagt.

5.3,5.2 In afwijking van het bepaalde onder 5.3.5.1 wordt bij een bouwsom tussen € 1.575.000,— en € 2,250.000,— een zodanige restitutie toegepast dat de verschuldigde leges niet minder bedragen dan het bedrag dat verschuldigd zou zijn bij een bouwsom van € 2.250,000,--, verminderd met de van toepassing zijnde restituties.

5.3.5.3 De onder 5.3.1 tot en met 5.3.4 vermelde restituties vinden uitsluitend plaats op verzoek van de aanvrager van de bouwvergunning binnen een termijn van 6 weken na voltooiing van het bouwwerk.”

3. Geschil

3.1. In geschil is enkel nog of naast de restituties vermeld onder 5.3.1, 5.3.3 en 5.3.4 van de Tarieventabel 2002 tevens recht bestaat op de restitutie vermeld onder 5.3.2 van de Tarieventabel 2002.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en verweerder ontkennend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen partijen ter zitting hieraan hebben toegevoegd wordt verwezen naar het verbeterde proces-verbaal van het verhandelde ter zitting.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en verlening van een restitutie op grond van de Legesverordening tot een bedrag van € 19.637,68.

Verweerder concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en verlening van een restitutie op grond van de Legesverordening tot een bedrag van € 14.707,74.

4. Beoordeling van het geschil

Ambtshalve

4.1. Partijen gaan ervan uit dat het onder het onderhavige procedurenummer geregistreerde beroep is gericht tegen de uitspraak op bezwaar tegen de afwijzing van het restitutieverzoek betreffende de bij factuur 2950393 in rekening gebrachte leges en dat in dat geval zowel het bezwaar als het beroep ontvankelijk zijn. Nu de rechtbank deze uitgangspunten juist acht zal hij partijen daarin volgen.

4.2. Verweerder kan slechts één maal op een bezwaar beslissen. De rechtbank is van oordeel dat de tekst van de uitspraak op bezwaar als vermeld onder 1.5 redelijkerwijs moet worden opgevat als zijnde de uitspraak op het bezwaar betreffende het onderhavige verzoek om restitutie. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard door verweerder. De tweede uitspraak op bezwaar vermeld in 1.6, mist dan in de onderhavige zaak iedere betekenis en de rechtbank gaat er daarom verder aan voorbij.

4.3. Belanghebbende is in bezwaar niet gehoord en heeft daar in bezwaar niet om gevraagd. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard geen bezwaar ertegen te hebben als de rechtbank zelf in de zaak voorziet. De rechtbank zal op grond van het vorenstaande de zaak niet terugwijzen maar zelf afdoen.

4.4. Gezien het bepaalde in artikel 8 van de Legesverordening [woonplaats] 1997 en artikel 242 van de Gemeentewet is de rechtbank van oordeel dat de factuur en de beslissing op het restitutieverzoek twee verschillende besluiten zijn die los van elkaar staan. De restitutie kan dan niet verleend worden door vermindering van de factuur maar moet bij afzonderlijke beschikking worden vastgesteld. In bezwaar en beroep dient dan hetzelfde onderscheid te worden gemaakt. Nu in het onderhavige geval de factuur als zodanig niet in geschil is gaat de rechtbank ervan uit dat het “bezwaar” van 22 april 2002 terecht door verweerder is aangemerkt als enkel een verzoek om restitutie van de in die brief genoemde in rekening gebrachte leges.

Het restitutieverzoek

4.5. Niet is in geschil dat aan de voorwaarde dat vóór aanvang van de werkzaamheden is aangetoond dat dagelijks toezicht op de bouw plaatsvindt door een opzichter die in dienst is van degene die de directie voerde, niet zijnde de aannemer, is voldaan. Verweerder stelt dat blijkens de getuigenverklaring van [getuige] niet is voldaan aan de voorwaarde dat tijdens en na de bouw moet blijken dat daadwerkelijk in de praktijk is voldaan aan de vereisten voor restitutie, aangezien er geen sprake is geweest van een dagelijks toezicht op de bouw.

4.6. De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot de bewijslast het volgende geldt. Bij de aanvraag moet aangetoond worden dat dagelijks toezicht op de bouw plaatsvindt door een opzichter die in dienst is van degene die de directie voerde, niet zijnde de aannemer. De bewijslast hiervan rust op belanghebbende. Indien aan die bewijslast is voldaan rust vervolgens op verweerder de bewijslast dat is gebleken dat gedurende het bouwproces geen dagelijks toezicht overeenkomstig het vorenstaande plaatsvindt. De rechtbank is van oordeel dat de enkele verklaring van [getuige] dat hij niet elke dag op de bouw aanwezig was, voor dat bewijs onvoldoende is. Uit de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, met name de door [getuige] en de andere getuigen afgelegde verklaringen, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende toezicht op de bouw door een opzichter die in dienst is van degene die de directie voerde, niet zijnde de aannemer. De rechtbank is van oordeel dat voor een dagelijks toezicht niet is vereist dat de toezichthouder feitelijk dagelijks op de bouw aanwezig is geweest maar dat daarvoor voldoende is dat op de bouw een zodanig toezicht is dat het gebouw voldoet aan de in de vergunning gestelde voorwaarden en de veiligheid tijdens de bouw in acht wordt genomen. Dit toezicht kan mede bestaan uit activiteiten ten behoeve van het coördineren van het bouwproces. Blijkens de ter zitting afgelegde getuigenverklaringen blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat van een toezicht als vorenbedoeld in onvoldoende mate sprake is geweest.

4.7. Gelet op al het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard en moet worden beslist als hierna is vermeld.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). De rechtbank acht daarnaast termen aanwezig verweerder te veroordelen in de reiskosten van de vertegenwoordiger van belanghebbende voor het bijwonen van de zitting. Er zijn geen omstandigheden gesteld of aannemelijk geworden op grond waarvan van artikel 2, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht zou moeten worden afgeweken. De reiskosten worden op basis van bovengenoemd besluit becijferd op basis van een retour openbaar vervoer tweede klasse, [woonplaats] – [woonplaats], op een bedrag van € 32. Nu de zaken met procedurenummers 06/2940 en 06/3968 samenhangen in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht zal de rechtbank in ieder van die zaken een vergoeding toekennen van € 338.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- verleent een restitutie van de bij factuur [000000] in rekening gebrachte leges

tot een bedrag van € 19.637,68;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van

€ 338, en wijst de gemeente [woonplaats] aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

- gelast dat de gemeente [woonplaats] het door belanghebbende betaalde griffierecht van

€ 281 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 22 mei 2008 door mr. C.A.F.M. Stassen, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. P.J.G. Tiemessen, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 [1]Z ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.