Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BD5620

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
08-05-2008
Datum publicatie
27-06-2008
Zaaknummer
AWB 07/1335
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2009:BL8895, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Boete bij primitieve aanslag, RUS

Belanghebbende, digra, heeft met zijn B.V. in 1993 een overeenkomst gesloten tot uitstel van betaling van het salaris over dat jaar tot 1 oktober 2003. De B.V. heeft in verband met deze overeenkomst een RUS in de jaarstukken opgenomen, ook nog per ultimo 2003. Belanghebbende heeft in de aangifte 2003 niets aangegeven in verband met het uitgestelde salaris. De inspecteur belast het bedrag van de RUS in 2003 en legt een vergrijpboete op. In geschil is uitsluitend nog de boete.

Volgens belanghebbende is de RUS bij nadere overeenkomst verder uitgesteld. De overeenkomst kan niet worden overgelegd. De rechtbank acht niet aannemelijk dat die overeenkomst er is geweest. De vermelding in de jaarstukken wijst eerder op een fout van de accountant. Belanghebbende moet hebben geweten dat de RUS op 1 oktober 2003 vorderbaar en inbaar was. Door niets in zijn aangifte te vermelden oordeelt de rechtbank dat belanghebbende opzettelijk een onjuiste aangifte heeft gedaan. Belanghebbende kan zich niet verschuilen achter de kennis van zijn toenmalige adviseur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-1382
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/1335

Uitspraakdatum: 8 mei 2008

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 15 februari 2007 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem bij de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2003 opgelegde vergrijpboete.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft in het openbaar plaatsgevonden op 24 april 2008.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende zijn gemachtigde, alsmede de inspecteur.

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende is directeur en enig aandeelhouder van Beheer BV (de BV). In 1993 heeft belanghebbende met de BV een overeenkomst gesloten waarin onder meer het volgende stond:

“Van het salaris … wordt een gedeelte ad f 100.000,--, eerst uit te betalen d.d. 1 oktober 2003. De vennootschap zal dit bedrag reserveren op een niet-rentedragende rekening en dit salaris is, vóór genoemde datum, vorderbaar noch inbaar.”

2.2. De BV heeft in verband met deze overeenkomst een bedrag gereserveerd (reserve uitgesteld salaris, de “RUS”). In 2003 was het gepassiveerde bedrag opgelopen tot € 45.378 (in guldens: f 100.000). In de jaarstukken van de BV per 31 december 2003 staat dit bedrag vermeld onder de post “overige schulden”. Als toelichting is vermeld:

“Door de vennootschap is in 1993 een overeenkomst gesloten met de heer [directeur], waarbij het salaris wordt uitgesteld. Voor de vennootschap vloeit hier de verplichting uit voort om op 1 oktober 2003 € 45.378,-- aan de heer [directeur] uit te keren.”

2.3. Belanghebbende heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2003 niets aangegeven in verband met het uitgestelde salaris. Na diverse verzoeken van de inspecteur om nadere toelichting - de eerste brief hierover dateert van 8 mei 2006 - heeft belanghebbende op 9 oktober 2006 medegedeeld dat de RUS nader was uitgesteld. Een overeenkomst waarin dit uitstel is vastgelegd, is niet overgelegd. Volgens belanghebbende is de overeenkomst verbrand toen zijn woning in 2003 is afgebrand.

2.4. De inspecteur heeft het bedrag van € 45.378 belast in 2003 en een vergrijpboete opgelegd van € 8.259 vanwege het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte. Dat is 50% van de over dit bedrag verschuldigde belasting en premies.

2.5. De inspecteur heeft de boete aangekondigd bij brief van 25 oktober 2006. Daarin staat onder meer vermeld: “Op 4 oktober 2006 heeft u mij uiteindelijk telefonisch medegedeeld dat het uitgestelde salaris van € 45.378,- nader is uitgesteld. (…) Op grond van artikel 3.146 lid 2 Wet inkomstenbelasting 2001 had dit uitgestelde salaris in 2003 in de aangifte inkomstenbelasting moeten worden aangegeven. (…) Naar zijn aard valt de reserve vrij op expiratiedatum, dit betekent uitkeren van salaris aan de daartoe gerechtigde werknemer. (..) Ten overvloede merk ik op, dat een nader uitstellen van een salarisuitkering, door mij wordt aangemerkt als een beschikken.” Noch in deze brief, noch in enige andere brief stelt de inspecteur ongeclausuleerd dat hij de stelling van belanghebbende dat de uitbetaling nader is uitgesteld, voor waar houdt. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende aan deze correspondentie niet het in rechte te honoreren vertrouwen kan ontlenen dat de inspecteur het bestaan van een (tijdig opgestelde) uitstelovereenkomst geaccepteerd heeft.

2.6. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende door de jaarlijkse vermelding van de RUS en de uitbetalingsdatum daarvan in de jaarstukken van “zijn” BV, moet hebben geweten dat het bedrag van € 45.378 in 2003 zou worden uitgekeerd en dat het bedrag in 2003 dus in beginsel inbaar en vorderbaar was. Belanghebbende heeft wel gesteld maar op geen enkele manier aannemelijk gemaakt dat hij vóór 1 oktober 2003 met de BV is overeengekomen de uitbetaling nader uit te stellen. Indien een dergelijke overeenkomst er zou zijn, zou deze in de jaarstukken van de BV zijn vermeld. Daarvan is geen sprake. In de jaarstukken per ultimo 2003 staat de RUS net als in voorgaande jaren vermeld met de toelichting over de uitkeringsverplichting per 1 oktober 2003; dat wijst er eerder op dat de accountant bij het opmaken van de jaarstukken bij vergissing de bestendige gedragslijn met oprenting van de RUS heeft voortgezet. Deze wijze van vermelding in de jaarstukken wijst er in elk geval niet op dat de accountant van enig overeengekomen uitstel op de hoogte was. Hetgeen belanghebbende daarover te berde heeft gebracht, acht de rechtbank niet aannemelijk.

2.7. Hetgeen onder 2.6. is overwogen leidt tot de conclusie dat het bedrag van € 45.378 in 2003 vorderbaar en inbaar is geworden en dus terecht in dat jaar is belast.

2.8. De rechtbank rekent het belanghebbende zwaar aan dat hij, hoewel hij op de hoogte was of moet zijn geweest van de fatale datum van 1 oktober 2003, in zijn aangifte niets over de belastbaarheid van het uitgestelde salaris heeft vermeld. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende aldus opzettelijk een onjuiste aangifte heeft gedaan. Hij kan zich daarvoor naar het oordeel van de rechtbank niet verschuilen achter de kennis van zijn toenmalige adviseur. Het indienen van een juiste aangifte is immers in beginsel de verantwoordelijkheid van belanghebbende zelf.

2.9. De rechtbank acht de opgelegde boete van € 8.259 passend en geboden.

2.10. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

2.11. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 8 mei 2008 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzitter, mr A.A. den Hartog en prof.mr. I.J.F.A. van Vijfeijken, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. E. Woltman, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.