Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BD5599

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
27-06-2008
Zaaknummer
AWB 07/4892
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2010:BM5096, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is op 13 november 2006 aangehouden toen zij reed in de Duitse auto van haar in Duitsland wonende zoon. De zoon had de auto 2 weken bij belanghebbende geparkeerd omdat hij op zakenreis was via Schiphol. De auto is op 27 november 2006 weer uitgevoerd naar Duitsland. Belanghebbende kreeg een naheffing BPM, maar geen teruggaaf BPM vanwege de uitvoer omdat artikel 14a Wet BPM pas geldt m.i.v. 1 februari 2007. Belanghebbende beroept zich op de uitspraak van het Hof van Justitie van 27 juni 2006, C-242/05 (Van de Coevering). Dat arrest betreft een geleasede auto en het vrij verkeer van diensten in de EU. De rechtbank ziet geen reden om voor het vrij verkeer van goederen andere criteria aan te leggen dan voor het vrij verkeer van diensten zoals in bovengenoemd arrest van het Hof van Justitie. Nu vaststaat dat de auto niet was bestemd voor duurzaam gebruik in Nederland en hier ook feitelijk niet duurzaam werd gebruikt, is heffing van de volledige BPM in strijd met Europees recht. Ook in de visie van de wetgever zou van belanghebbende, gelet op de teruggaafregeling van artikel 14a van de Wet BPM, niet de volledige BPM geheven mogen worden, zij het dat dat dan bewerkstelligd zou moeten worden door eerst BPM te heffen en daarna BPM terug te geven. Belanghebbende komt echter feitelijk niet voor die teruggaaf in aanmerking omdat de auto vóór 1 februari 2007 naar Duitsland is gebracht en de teruggaafregeling pas met ingang van die datum geldt, en is aldus slechter af dan wanneer zij de auto 3 maanden in Nederland zou hebben gebruikt en daarna naar Duitsland terug had gebracht. Dit maakt naar het oordeel van de rechtbank de disproportionaliteit van het volledig heffen van BPM in dit geval nog pregnanter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008/1404 met annotatie van Rolleman
FutD 2008-1381
V-N 2008/51.3.4

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/4892

Uitspraakdatum: 29 april 2008

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

verweerder.

Eiseres en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De in één geschrift vervatte uitspraken van de inspecteur van 6 november 2007 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag belastingheffing van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) en de daarbij bij beschikking vastgestelde boete.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2008 te [woonplaats]. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van haar gemachtigde, alsmede de inspecteur.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslag en de boetebeschikking;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van

€ 644, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan de griffier van de rechtbank moet vergoeden;

- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 143 aan deze vergoedt.

2. Gronden

2.1. Op 4 februari 2004 is geconstateerd dat belanghebbende, een Nederlands ingezetene, als bestuurder gebruik heeft gemaakt van de weg in Nederland met een in België geregistreerde personenauto, van het merk [merk], voorzien van het Belgisch kenteken [00000]. Belanghebbende is daarbij per brief geïnformeerd over de gevolgen van het gebruik maken van de weg in Nederland met een niet in Nederland geregistreerde auto en haar zijn de voorwaarden kenbaar gemaakt waaronder een vrijstelling van BPM mogelijk is. Deze brief komt inhoudelijk overeen met het informatie- en waarschuwingsformulier dat op grond van het Besluit van 13 december 2002, nr. CPP 2002/1574M (het herstelbeleid), in voormelde gevallen wordt uitgereikt.

2.2. Op 13 november 2006 is door de douane geconstateerd dat belanghebbende, als bestuurder gebruik heeft gemaakt van de weg in Nederland met een in Duitsland geregistreerde personenauto, van het merk [merk], voorzien van het Duitse kenteken [0000] (hierna: de auto). Ter zake van de auto is geen BPM op aangifte voldaan en geen vrijstellingsvergunning BPM in de zin van artikel 2 of 3 van het Uitvoeringsbesluit BPM 1992 (het Besluit) aangevraagd of afgegeven. De inspecteur heeft aan belanghebbende op 14 juni 2006 een naheffingsaanslag BPM van € 4.004 en bij beschikking een boete van € 400 opgelegd, waarbij het gebruik van de weg van 13 november 2006 als moment van eerste gebruik is aangemerkt.

2.3. De auto was eigendom van de zoon van belanghebbende die in Duitsland woont. De zoon heeft de auto voor twee weken bij belanghebbende gestald in verband met een vakantie, via Schiphol, in het buitenland. Na die twee weken heeft de zoon de auto terug naar Duitsland gereden. Tussen partijen is niet in geschil dat het van meet af aan de bedoeling is geweest dat de auto na twee weken weer naar Duitsland terug zou keren.

2.4. In artikel 1, vijfde lid van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) is bepaald dat ingeval een niet in Nederland geregistreerde auto feitelijk ter beschikking staat aan een in Nederland wonende natuurlijk persoon de belasting verschuldigd is ter zake van de aanvang van het gebruik met die personenauto in Nederland. Ingevolge artikel 12b van de Wet BPM wordt de belasting in het voormelde geval nageheven van degene die de personenauto feitelijk ter beschikking heeft en wordt het tijdstip van aanvang van het gebruik van de weg gesteld op het tijdstip van constatering.

2.5. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende op 4 februari 2004 en op 13 november 2006 gebruik heeft gemaakt van de weg met een niet in Nederland geregistreerde personenauto en dat zij derhalve voldoet aan de wettelijke bepalingen zoals vermeld onder 2.4.

2.6. Tussen partijen is evenmin in geschil dat de naheffingsaanslag in overeenstemming is met de Wet BPM. Belanghebbende stelt echter dat de BPM-regelgeving in casu in strijd is met het Europese recht en met name met het evenredigheidsbeginsel. Belanghebbende beroept zich hierbij op de uitspraak van het Hof van Justitie van 27 juni 2006, C-242/05 (Van de Coevering).

2.7. De rechtbank stelt voorop dat de belasting op motorvoertuigen niet is geharmoniseerd. Op dit gebied oefenen de lidstaten dus vrij hun fiscale bevoegdheid uit, mits zij daarbij het gemeenschapsrecht in acht nemen. Het Hof van Justitie heeft in voornoemd arrest overwogen dat de artikelen 49 EG tot en met 55 EG zich verzetten tegen een nationale regeling van een lidstaat op grond waarvan van een in die lidstaat wonende natuurlijke persoon die een in een andere lidstaat geregistreerd voertuig huurt, bij de aanvang van het gebruik van deze auto op de weg van eerstgenoemde lidstaat voldoening van de volle registratiebelasting wordt gevorderd, zonder dat rekening wordt gehouden met de duur van het gebruik van dat wegennet en zonder dat de betrokkene aanspraak kan maken op vrijstelling of teruggaaf, wanneer de auto niet is bestemd voor duurzaam gebruik in eerstgenoemde lidstaat en daar ook niet feitelijk duurzaam wordt gebruikt. Het arrest betrof het beginsel van vrijheid van dienstverlening.

2.9. In het onderhavige geval is van “dienstverlening” in de zin van het arrest Van de Coevering geen sprake, maar is in geding het beginsel van vrij verkeer van goederen. De situatie waarin belanghebbende zich bevindt komt immers overeen met die waarin een Nederlands ingezetene met een Duitse auto naar Nederland rijdt en die auto twee weken in Nederland ter beschikking heeft. De rechtbank ziet geen reden om voor het vrij verkeer van goederen andere criteria aan te leggen dan voor het vrij verkeer van diensten zoals in bovengenoemd arrest van het Hof van Justitie. Dat niet belanghebbende maar haar zoon de auto in casu naar Nederland heeft gebracht doet hieraan niet af. Nu vaststaat dat de auto niet was bestemd voor duurzaam gebruik in Nederland en hier ook feitelijk niet duurzaam werd gebruikt, is heffing van de volledige BPM in strijd met Europees recht.

2.10. Dit klemt in het onderhavige geval te meer nu belanghebbende in casu niet in aanmerking komt voor een vrijstelling of teruggaaf van BPM terwijl zij daarvoor wel in aanmerking zou zijn gekomen indien de auto niet reeds na twee weken, maar pas na 1 februari 2007 terug naar Duitsland zou zijn gegaan. Met ingang van 1 februari 2007 geldt immers op grond van artikel 14a Wet BPM een teruggaafregeling voor auto’s die buiten Nederland zijn gebracht. Deze teruggaafregeling, die blijkens de parlementaire behandeling noodzakelijk werd geacht vanwege de Europese jurisprudentie, geldt in alle gevallen waarin het gebruik van de auto in Nederland is aangevangen op of na 16 oktober 2006. Het gebruik van de auto door belanghebbende is geconstateerd op 13 november 2007, dus na deze datum. Ook in de visie van de wetgever zou van belanghebbende dus niet de voledige BPM geheven mogen worden, zij het dat dat dan bewerkstelligd zou moeten worden door eerst BPM te heffen en daarna BPM terug te geven. Belanghebbende komt echter feitelijk niet voor die teruggaaf in aanmerking omdat de auto vóór 1 februari 2007 naar Duitsland is gebracht en de teruggaafregeling pas met ingang van die datum geldt, en is aldus slechter af dan wanneer zij de auto 3 maanden in Nederland zou hebben gebruikt en daarna naar Duitsland terug had gebracht. Dit maakt naar het oordeel de disproportionaliteit van het volledig heffen van BPM in dit geval nog pregnanter.

2.11. Nu de Wet BPM niet voorziet in een gedeeltelijke heffing van BPM, leidt al het vorenoverwogene tot de conclusie dat heffing in het onderhavige geval in strijd is met het EG-verdrag. De naheffingsaanslag en de boetebeschikking moeten worden vernietigd.

2.12. Het beroep is gegrond.

2.13. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). Niet gesteld of aannemelijk is geworden dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt. Nu belanghebbende procedeert op basis van een toevoeging, wordt ingevolge art. 8:75, tweede lid, eerste volzin, Awb het bedrag van de kosten betaald aan de griffier van de rechtbank. De kostenvergoeding wordt dan door de griffier overgemaakt op de rekening van de gemachtigde.

Deze uitspraak is gedaan op 29 april 2008 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. P.J.G. Tiemessen, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.