Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BD5191

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
11-06-2008
Datum publicatie
24-06-2008
Zaaknummer
469190 cv 07-7232
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Sinds 2002 in dienst zijnde werknemer vordert gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst medio 2007. Werkgever stelt dat werknemer in strijd met gemaakte vakantieafspraak plotseling eenzijdig kenbaar maakte per direct vakantie op te nemen en voor 6 weken naar Marokko te vertrekken terwijl werknemer vervolgens ook meteen zonder haar instemming vertrok. Werkgever behoefde dat gedrag en het onwettige verzuim als zodanig niet te dulden, maar de aan het ontslag ten grondslag gelegde werkweigering wordt niet aanwezig geacht. Schadeplichtigheid werkgever wegens onregelmatige opzegging. Gefixeerde schadevergoeding is geen echte schadeloosstelling maar heeft een forfaitair karakter, zodat de vraag of daadwerkelijk enige schade werd geleden aan de toewijsbaarheid daarvan niet kan afdoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2008, 137
AR-Updates.nl 2008-0414
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector kanton

Locatie Bergen op Zoom

zaak/rolnr.: 469190 CV 07-7232

vonnis bij vervroeging d.d. 11 juni 2008

inzake

[eiser],

wonende te [adres],

eiser, procederende krachtens Civiele Toevoeging nr. 1DY3837,

gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld, advocaat te Bergen op Zoom,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Maasmond Bergen op Zoom B.V., gevestigd te 4625 AH Bergen op Zoom,

aan het adres Antwerpsestraatweg 482 A,

gedaagde,

gemachtigde: mr. E. Kars, advocaat te Bleiswijk.

Partijen worden hierna aangeduid als “[eiser]” en “Maasmond”.

1. Het verloop van het geding

Dit blijkt uit de volgende processtukken:

1.1 de inleidende dagvaarding van 11 december 2007 met producties,

1.2 de conclusie van antwoord,

1.3 de conclusie van repliek,

1.4 de conclusie van dupliek.

2. Het geschil

[eiser] vordert, samengevat, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van Maasmond tot betaling van

€ 4.350,38 bruto te vermeerderen met wettelijke rente en met veroordeling van Maasmond in de proceskosten.

Maasmond weerspreekt de vordering.

3. De beoordeling

3.1 Tussen partijen gelden onder meer de volgende feiten.

3.1.1 Partijen sloten een arbeidsovereenkomst waarbij [eiser], geboren op 6 mei 1985, zich verbond met ingang van 16 september 2002 in dienst van Maasmond tegen loon arbeid te verrichten. [eiser] was laatstelijk op basis van een arbeids-overeenkomst voor onbepaalde tijd gedurende 40 uren per week werkzaam in de functie van onderhoudsschilder tegen een bruto uurloon van € 13,72 te vermeerderen met 8% vakantietoeslag.

3.1.2 De op die arbeidsovereenkomst toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst (hierna: cao) bepaalt onder meer in artikel 32, tweede lid, dat de werknemer recht heeft op een aaneengesloten zomervakantieperiode van 3 weken, mits de werknemer voldoende verlofdagen heeft opgebouwd. Dat artikellid bepaalt verder onder meer dat de vakantie door de werkgever wordt vastgesteld overeenkomstig de wensen van de werknemer, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten.

3.1.3 Bij de brief van 11 juli 2007 schreef Maasmond aan [eiser] onder meer dat [eiser] op 11 juli 2007 zonder opgaaf van redenen is weggebleven en geen contact heeft gezocht met het bedrijf. In die brief schreef Maasmond ook dat [eiser] niet om vakantie heeft gevraagd maar wel aan een collega heeft meegedeeld dat hij vervoer heeft en per direct naar Marokko vertrekt. Bij die brief van 11 juli 2007 schreef Maasmond verder dat “derhalve sprake (is) van werkweigering” en dat [eiser] op staande voet is ontslagen.

3.2 Het standpunt van [eiser] luidt samengevat als volgt.

[eiser] baseert de vordering op een onregelmatige opzegging van de arbeidsovereen-komst waardoor Maasmond schadeplichtig zou zijn geworden. [eiser] stelt dat hij aanvankelijk geen echte vakantieplannen voor de zomervakantie van 2007 had en dat hij aanvankelijk met zijn voorman [X] had afgesproken om geen aaneengesloten zomer-vakantie van 3 weken te zullen nemen. [eiser] stelt aanvankelijk met zijn voorman [X] te hebben afgesproken daarom 2 van die 3 weken te zullen werken en met ingang van 16 juli 2007 één week vakantie te zullen nemen. [eiser] stelt dat [Y] hem via collega [Z] in de week voor 11 juli 2007 echter liet weten dat [eiser] toch maar 3 weken vakantie moest opnemen. [eiser] stelt dat hij toen inmiddels had vernomen dat zijn neef op 11 juli 2007 zou vertrekken naar Marokko en dat hij toen vervolgens met zijn voorman [X] heeft afgesproken om al vanaf 11 juli 2007 vrij te nemen zodat hij met zijn neef naar Marokko kon vertrekken en waarbij toen ook werd afgesproken dat [eiser] de 3 extra dagen vakantie later zou inhalen. Volgens [eiser] had Maasmond nadien niet aangegeven dat zij daarmee niet kon instemmen. Zo er al onduidelijkheid over zijn vakantie mocht zijn ontstaan acht [eiser] het gegeven ontslag op staande voet bovendien disproportioneel, gezien de duur van zijn dienstverband en zijn uitstekend beoordeelde functioneren. [eiser] wil met name dat Maasmond de zogenoemde gefixeerde schadevergoeding met rente betaalt.

3.3 Het standpunt van Maasmond luidt samengevat als volgt.

Maasmond verweert zich door te stellen dat [eiser] op 11 juli 2007 op staande voet werd ontslagen wegens werkweigering omdat de vakantie niet tijdig door [eiser] was doorgegeven en tussen partijen niet was besproken, laat staan overeengekomen. Maasmond stelt dat [eiser] op 11 juli 2007 om 8.00 uur in zijn nette kleren op het werk verscheen en toen aan de aanwezigen meedeelde dat hij niet ging werken maar plotseling beschikte over vervoer naar Marokko, dat hij direct naar Marokko zou vertrekken en dat hij 6 weken weg zou blijven. Volgens Maasmond vroeg [X] toen aan [eiser] of [eiser] daarover al overleg had gehad met vestigingsmanager [Y], waarop [eiser] hem aangaf dat dit nog niet het geval was geweest maar dat hij [Y] nog zou bellen. Maasmond stelt dat [eiser] vervolgens echter pas op 28 augustus 2007 weer van zich liet horen met een protest tegen het gegeven ontslag, maar dat [eiser] misschien wel 7 weken naar Marokko is geweest hetgeen ook duidelijk maakt dat er geen afspraken zijn gemaakt over de duur van zijn vakantie. Als [eiser] bovendien slechts 3 weken naar Marokko zou zijn geweest had het volgens Maasmond op de weg van [eiser] gelegen om zich al direct na die 3 weken bij Maasmond te melden, hetgeen niet is gebeurd terwijl Maasmond zegt [eiser] toen telefonisch ook niet te hebben kunnen bereiken. Maasmond wil verder ook geen beweerde schade vergoeden omdat geen schade werd geleden nu [eiser] kennelijk elders emplooi heeft gevonden, althans zou de schadeclaim volgens Maasmond bij gebreke van ondervonden schade gematigd moeten worden tot nihil.

3.4 De kantonrechter overweegt dat [eiser] de vordering baseert op een onregel-matige opzegging van de arbeidsovereenkomst en [eiser] stelt daartoe in het bijzonder dat werd opgezegd zonder dat sprake was een dringende (ontslag)reden. Omdat Maasmond zich op de betwiste dringende (ontslag)reden beroept draagt Maasmond de stelplicht en de bewijslast dat [eiser] zich op 11 juli 2007 schuldig maakte aan werkweigering.

3.5 [eiser] was gehouden om Maasmond tijdig van een voorgenomen vakantieperiode op de hoogte te brengen om Maasmond aldus de mogelijkheid te bieden om de bewuste vakantie van [eiser] - op de voet van artikel 32, tweede lid, cao - te kunnen vast-stellen. Maasmond verwijt [eiser] dat hij die verplichting heeft geschonden door in strijd met de gemaakte afspraak om met ingang van 16 juli 2007 slechts voor twee weken vakantie te nemen, op 11 juli 2007 plotseling eenzijdig kenbaar te maken per direct vakantie op te nemen en voor 6 weken naar Marokko te vertrekken terwijl [eiser] dat vervolgens ook zonder haar instemming deed.

3.6 Maasmond heeft werkweigering door [eiser] als reden aan het gegeven ontslag ten grondslag gelegd. Voor zover Maasmond bij herhaling stelt dat [eiser] al eerder kenbaar had gemaakt dat hij het niet meer zo zag zitten in het schildersvak en dat [eiser] ook elders solliciteerde, zijn dat geen feiten en omstandigheden die in de aan het ontslag ten grondslag gelegde grond (mede) besloten lagen. Voor zover Maasmond zich bovendien beroept op feiten en omstandigheden die zich pas na het gegeven ontslag hebben voorgedaan kunnen die wellicht twijfel doen rijzen over de juistheid van het door [eiser] gestelde relaas omtrent de feitelijke gang van zaken, maar is dat als zodanig ook niet van doorslaggevend belang voor de beoordeling van de door Maasmond op 11 juli 2007 aan het ontslag ten grondslag gelegde reden van werkweigering.

3.7 Zelfs bij juistheid van het door Maasmond gemaakte verwijt dat [eiser] in strijd met de eerder gemaakte vakantieafspraken op 11 juli 2007 plotseling eenzijdig kenbaar maakte per direct vakantie op te nemen en voor 6 weken naar Marokko te vertrekken terwijl [eiser] dat vervolgens ook zonder haar instemming deed, behoefde Maasmond een dergelijk gedrag van [eiser] als zodanig niet te dulden. Dit betekent echter nog niet dat [eiser] zich enkel daarmee schuldig maakte aan de hem verweten werkweigering. Uit de stellingen van Maasmond volgt niet dat [eiser] op 11 juli 2007 duidelijk heeft geweigerd te voldoen aan redelijke bevelen of opdrachten die hem door of namens Maasmond waren verstrekt. Daaruit volgt zelfs niet, althans volstrekt onvoldoende, dat sprake was van enige weigering van enig(e) gegeven bevel of opdracht. Dat het de eerste keer was dat [eiser] zich aan een dergelijk handelen schuldig maakte terwijl niet uitdrukkelijk en gemotiveerd weersproken is dat [eiser] steeds naar tevredenheid heeft gefunctioneerd, staat er als zodanig nog niet aan in de weg om het aan [eiser] verweten gedrag in de vorm van werkweigering wel als een dringende (ontslag)reden te kunnen aanmerken. Maar in dit geval mocht Maasmond nog niet concluderen tot een dringende (ontslag)reden in de vorm van werkweigering. Naast het voorgaande en gelet op de duur van het dienstverband is daarbij met name ook in aanmerking genomen dat uit de stellingen van Maasmond niet, althans niet uitdrukkelijk of duidelijk, volgt van eerdere soortgelijke voorvallen of terzake gegeven waarschuwingen en evenmin van enige kenbare onwil of kwaad opzet van [eiser]. In dit geval kan het op 11 juli 2007 wegens werk-weigering gegeven ontslag op staande voet niet worden gerechtvaardigd door enkel het op basis van Maasmond’s stellingen voor de duur van 6 weken voorzienbare onwettige verzuim van [eiser].

3.8 Het voorgaande brengt mee dat Maasmond de arbeidsovereenkomst op 11 juli 2007 onregelmatig heeft opgezegd en daardoor schadeplichtig is geworden. Dat geeft [eiser] de bevoegdheid aanspraak te maken op de zogenoemde gefixeerde schadevergoeding en niet uitdrukkelijk en gemotiveerd weersproken is dat die in dit geval als zodanig een bedrag van

€ 4.350,38 bruto beloopt. De gefixeerde schadevergoeding is geen echte schadeloosstelling maar een op het bedongen loon gebaseerde gefixeerde geldvordering met een forfaitair karakter, zodat niet van belang is of [eiser] door de onregelmatige opzegging daadwerkelijk schade heeft geleden en hoe groot die schade is. De gevorderde hoofdsom zal dan ook worden toegewezen tot een bedrag van € 4.350,38 bruto. Omdat de wettelijke rente over het bedrag van de verschuldigde gefixeerde schadevergoeding rechtens verschuldigd is vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, zal de gevorderde wettelijke rente over de toe te wijzen hoofdsom worden toegewezen vanaf 11 juli 2007.

3.9 Als de in het ongelijk gestelde partij zal Maasmond in de proceskosten worden veroordeeld.

3.10 Gelet op het voorgaande behoeven de overige geschilpunten geen bespreking meer en wordt als volgt beslist.

4. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Maasmond om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 4.350,38 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 11 juli 2007 tot de dag der voldoening;

veroordeelt Maasmond in de kosten van deze procedure aan de zijde van [eiser] gevallen en veroordeelt haar mitsdien om te betalen aan de griffier van rechtbank Breda, sector kanton, locatie Bergen op Zoom door storting op het Bankrekeningnummer 19.23.25.779, Rabobank Nederland N.V. ten name MvJ Arrondissement 535 Breda, de somma van

€ 646,65, zijnde:

a. het in debet gestelde griffierecht ten bedrage van € 149,25;

b. het salaris voor de gemachtigde van [eiser], mr. J.J. Bronsveld te Bergen op Zoom, ten bedrage van € 400,00;

c. de explootkosten ten bedrage van € 97,40, waarvan 3/4 is bestemd voor de griffier en 1/4 is bestemd voor

mr. J.J. Bronsveld te Bergen op Zoom;

verstaat, dat de griffier met dit bedrag zal handelen volgens het voorschrift van artikel 243 Rv;

veroordeelt Maasmond voorts om aan [eiser] te betalen het door deze vooruitbetaalde griffierecht ad € 49,75;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.G.W.M. Stienissen en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op de terechtzitting van woensdag 11 juni 2008.