Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BD5096

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
23-06-2008
Zaaknummer
06/4955
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vermoeidheidsklachten na borstkanker. Er is tussen de door de rechtbank ingeschakelde deskundige en de bezwaarverzekeringsarts geen verschil van inzicht in de vraag of de vermoeidheidsklachten aangemerkt moeten worden als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte. Zowel de deskundige als de bezwaarverzekeringsarts achten (immers) een urenbeperking geïndiceerd. De rechtbank verwijst in dit verband nog naar verweerders verzekeringsgeneeskundige protocol Borstkanker, waarin staat “Op de middellange termijn, tussen de een en vijf jaar, heeft 35 tot 40 procent van de patiënten nog klachten van aanzienlijke tot ernstige vermoeidheid.” De deskundige en de bezwaarverzekeringsarts hebben wel een verschil van inzicht over het aantal uren waarin betrokkene tot arbeid in staat is. De deskundige acht betrokkene in staat om 12 uur per week te werken, de bezwaarverzekeringsarts 20. De rechtbank is van oordeel dat de deskundige op zorgvuldige wijze tot haar standpunt is gekomen. De rechtbank heeft daarom het oordeel van de deskundige overgenomen en tot de hare gemaakt. De rechtbank ziet in de reactie van de bezwaarverzekeringsarts geen, althans onvoldoende, aanleiding de deskundige niet te volgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 06 / 4955 WIA

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde mr. M.P.A.M. Voogt,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda),

verweerder.

1. Het procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 31 augustus 2006 (bestreden besluit I), inzake de weigering haar per 17 mei 2006 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toe te kennen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 27 maart 2007 (bestreden besluit II) heeft verweerder medegedeeld dat eiseres per 17 mei 2006 in aanmerking komt voor een loongerelateerde werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten (hierna: WGA). Onder toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit I mede geacht te zijn gericht tegen het bestreden besluit II.

Het beroep is behandeld ter zitting van 12 april 2007, waarbij aanwezig waren eiseres en haar gemachtigde en namens verweerder [medewerker verweerder].

Na behandeling ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend, teneinde advies aan een deskundige te vragen. Op verzoek van de rechtbank heeft radiotherapeut-oncoloog C.C. Wárlám-Rodenhuis als deskundige onderzoek verricht en daarvan op 15 augustus 2007 schriftelijk verslag uitgebracht.

Partijen zijn door de rechtbank in de gelegenheid gesteld te reageren op het deskundigenrapport. Verweerder heeft bij brief van 12 september 2007 inhoudelijk gereageerd op het deskundigenrapport. Op verzoek van de rechtbank heeft radiotherapeut-oncoloog Wárlám-Rodenhuis bij brief van 26 november 2007 op het standpunt van verweerder gereageerd.

Met toestemming van partijen heeft de rechtbank op grond van artikel 8:57 van de Awb bepaald dat een (nieuw) onderzoek ter zitting achterwege blijft.

2. De beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres is voor 20 uren per week werkzaam geweest als directie secretaresse bij [werkgever] Voor dat werk is eiseres in april 2004 ongeschikt geworden vanwege een kwaadaardige borstaandoening.

Na medisch en arbeidskundig onderzoek heeft verweerder bij besluit van 15 mei 2006 geweigerd eiseres per 17 mei 2006 een uitkering ingevolge de WIA toe te kennen.

Bij het bestreden besluit I heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Bij het bestreden besluit II heeft verweerder bepaald dat eiseres per 17 mei 2006 alsnog in aanmerking komt voor een loongerelateerde WGA-uitkering.

2.2 Ter beoordeling van de rechtbank ligt de vraag of het bestreden besluit I, zoals gewijzigd bij het bestreden besluit II, in rechte kan standhouden.

2.3 Eiseres heeft - kort samengevat - aangevoerd dat zij niet in staat is om gemiddeld 4 uur per dag en gemiddeld 20 uur per week arbeid te verrichten. Volgens eiseres dient op energetische gronden een verdergaande urenbeperking te worden aangenomen. Eiseres ziet zich gesteund door een brief van huisarts [naam arts] en een advies van medisch adviseur [naam adviseur]. Voorts is eiseres van oordeel dat de werkgeversbijdrage in de pensioenverzekering meegenomen dient te worden bij de vaststelling van het maatmanloon. Oorspronkelijk betaalde de werkgever 50% van de pensioenpremie. In verband met de afschaffing van de premiespaarregeling en de feestdagenuitkering is de werkgever een groter deel van de pensioenpremie gaan betalen.

2.3 In artikel 4, eerste lid, van de WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

In het tweede lid is bepaald dat in het eerste lid onder duurzaam wordt verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie.

In het derde lid is bepaald dat onder duurzaam mede wordt verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

Ingevolge artikel 5 van de WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

Om de mate van arbeidsongeschiktheid vast te stellen, maakt verweerder gebruik van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft dit systeem aanvaard als ondersteunend systeem bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid.

De rechtbank overweegt dat door het systeem, bij de vergelijking van de belastbaarheid van betrokkene (die is neergelegd in een functionele mogelijkhedenlijst (FML)) met de functiebelasting, signaleringen worden aangebracht. Een signalering duidt erop dat met betrekking tot een onderdeel van de functiebelasting mogelijk sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid van betrokkene. Deze signaleringen zijn terug te vinden op het formulier Resultaat Functiebeoordeling als M, G en/of *. De CRvB heeft overwogen dat alle signaleringen van een afzonderlijke toelichting dienen te worden voorzien waaruit kan blijken dat en waarom van een daadwerkelijke overschrijding toch geen sprake is.

2.4 De bestreden besluiten zijn wat betreft de vaststelling van de belastbaarheid gebaseerd op rapportages van een verzekeringsarts en een bezwaarverzekeringsarts.

Verzekeringsarts [naam arts] heeft eiseres tijdens het spreekuur van 20 februari 2006 onderzocht en het dossier van eiseres bestudeerd. De verzekeringsarts heeft aangegeven dat eiseres arbeidsongeschiktheid claimt vanwege klachten en beperkingen van fysieke aard en in het persoonlijk functioneren. Volgens de verzekeringsarts onderschrijven de anamnese en het eigen onderzoek de claimklacht. Eiseres is in een tijdsbestek van ongeveer twee jaar operatief behandeld in verband met twee verschillende borsttumoren. Er is geen nabehandeling. Wel heeft eiseres fysiotherapie voor haar niet dominante linkerarm. Na de laatste operatie heeft eiseres de cursus “Herstel en Balans” gevolgd om een goede weg te vinden naar (geleidelijke) werkhervatting. Eiseres is een persoon die streeft naar perfectie en volledigheid. Zij kan door haar beperkingen daaraan niet voldoen. Er is eerder kans op toename van haar klachten van vermoeidheid, verminderde concentratie en het maken van fouten. De schildklier van eiseres werkt traag. Door het gebruik van het middel Thyrax is een laag normale waarde bereikt. De toegenomen hoofdpijnklachten zijn goed te couperen met huidige (nieuwe) medicatie.

Er zijn volgens de verzekeringsarts voldoende objectieve gegevens om uit te gaan van verminderde mogelijkheden op het gebied van persoonlijk functioneren, dynamische en statische handelingen en aanpassingen aan de fysieke werkomgeving. Eiseres is aangewezen op werk zonder veelvuldige deadlines of produktiepieken, zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen en zonder hoog handelingstempo. Leidinggevende aspecten mogen niet voorkomen in de functie. Omgevingsfactoren als extreme temperaturen en tillingsbelasting moeten vermeden worden met betrekking tot de linkerarm. De linkerarm is bij beschadiging infectiegevoeliger. In het algemeen is eiseres, met name vanwege het gebruik van de linkerarm, aangewezen op licht fysiek werk. De verzekeringsarts acht een urenbeperking van 4 uur per dag, 20 uur per week geïndiceerd. De beperkingen en de belastbaarheid zijn neergelegd in de FML van eiseres van 21 februari 2006. De verzekeringsarts heeft in de door hem opgevraagde informatie van revalidatiearts [naam arts] geen aanleiding gezien de FML aan te passen.

Bezwaarverzekeringsarts [naam arts] heeft de beschikbare medische gegevens bestudeerd. Tevens heeft de bezwaarverzekeringsarts eiseres gesproken tijdens de hoorzitting van 29 september 2006. Volgens de bezwaarverzekeringsarts was de primaire verzekeringsarts op de hoogte van de klachten van eiseres en geven de bezwaargronden geen aanleiding tot wijziging van de FML. Eiseres is op het spreekuur door de verzekeringsarts gezien, waarbij een uitgebreide anamnese is afgenomen en relevant onderzoek (zowel lichamelijk als psychisch) verricht. De migraineklachten waren bekend. Eiseres heeft in de anamnese aangegeven dat deze klachten met medicatie goed te onderdrukken zijn en dat de hoofdpijn hiermee in 1 uur is verdwenen. Dit maakt dat er geen reden is om op basis van de hoofdpijnklachten structurele beperkingen aan te nemen. Zo stress een migraine uitlokkende factor zou zijn, dan wordt eiseres reeds gezien de aangenomen beperkingen voldoende beperkt geacht op dit punt. Voorts zijn er beperkingen aangenomen voor frequent buigen tijdens het werk, duwen en trekken, tillen of dragen, frequent zware lasten hanteren tijdens het werk, lopen tijdens het werk, trappenlopen, staan en staan tijdens het werk. Deze beperkingen zijn aangenomen wegens beperkingen van de linkerarm. Impliciet zijn hiermee de rugbeperkingen aangegeven. Volgens de bezwaarverzekeringsarts is niet gebleken dat sprake is van een specifieke aandoening van de rug waardoor eiseres nog meer beperkt dient te worden geacht. Ten aanzien van de urenbeperking heeft de bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat tijdens de hoorzitting is gebleken dat eiseres zich in staat acht 4 uur per dag energie op te brengen voor activiteiten, maar dat zij het onterecht vindt dat zij deze energie alleen voor arbeid zou moeten aanwenden. In het kader van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling wordt eiseres geacht deze energie toch aan te wenden voor arbeid. Bovendien blijft er na 4 uur werken per dag nog 20 uur over voor recuperatie en het is niet reëel te veronderstellen dat eiseres in deze resterende 20 uur niet in staat zou zijn tot enig andere activiteit het gezin/huishouden betreffende. Eiseres kan met de normaal gebruikelijke pauzes gedurende 4 uur per dag passende arbeid verrichten. Voor een verdergaande urenbeperking is volgens de bezwaarverzekeringsarts geen reden.

In beroep heeft bezwaarverzekeringsarts [naam arts] op 14 november 2006 en later op 22 februari 2007 de FML aangepast omdat zij van mening was dat de invulling niet conform de geldende instructies is geschied.

2.5 De rechtbank heeft aanleiding gezien nader onderzoek door een onafhankelijk deskundige te gelasten. De rechtbank heeft deskundige C.C. Wárlám-Rodenhuis, radiotherapeut-oncoloog, opdracht gegeven te rapporteren omtrent de belastbaarheid van eiseres en de passendheid van de geduide functies.

2.5.1 In het verslag van 15 augustus 2007 heeft de deskundige aangegeven dat chronische vermoeidheid na kanker (en anderszins) bekend is uit de medische literatuur. Die kennis groeit slechts langzaam. Een probleem is dat vermoeidheid een subjectieve sensatie is en niet objectief is te meten. Het is duidelijk dat revalidatieprogramma’s waarin deelnemers werken aan psychisch- en sociaal en lichamelijk herstel vruchten afwerpen. Deze vorm van revalidatie wordt vooral betrekkelijk kort na behandeling toegepast. In geval van langdurig blijvende chronische vermoeidheid na behandeling wegens kanker kan met name cognitieve gedragstherapie tot verbetering van de situatie leiden. Volgens de deskundige zou het goed zijn voor eiseres om zo spoedig mogelijk de WIA-procedures achter zich te laten, te trachten de huidige gezondheidssituatie te accepteren en van daaruit te starten met cognitieve gedragstherapie in het Kennis Centrum voor Chronische Vermoeidheid van het Universitair Medisch Centrum Nijmegen.

De deskundige weet uit eigen praktijkervaring als radiotherapeut-oncoloog dat het merendeel van de vrouwen met borstkanker na behandeling vermoeid is. Enkele maanden tot 1 jaar later hebben zij zich echter in die mate getraind en is de vermoeidheid zo ver gesleten dat het normale leefpatroon in het algemeen geheel dan wel goeddeels hervat is.

Volgens de deskundige kon op 17 mei 2006 (zijnde vrijwel een jaar na de laatste behandeling) redelijkerwijs vrijwel volledig herstel van eiseres verwacht worden.

De sterk blijvende vermoeidheid is niet een rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek. Toch is een dergelijke verlammende vermoeidheid na kankerbehandeling naar algemeen aanvaard wetenschappelijk inzicht een (ongrijpbaar) fenomeen dat vaker voorkomt dan men aanvankelijk vermoedde. Bij eiseres was er vóór de diagnose en behandeling van de borstkanker geen sprake van belangrijke vermoeidheid. Nadien is de vermoeidheid haar in forse mate parten gaan spelen zodat zij zich sterk belemmerd voelt in haar sociaal functioneren hetgeen zij slecht accepteert.

De deskundige kan zich verenigen met de vaststelling van de belastbaarheid door de verzekeringsarts zoals is weergegeven in de FML, behoudens ten aanzien van de urenbeperking. Eiseres wordt niet in staat geacht om 20 uur per week te werken. De deskundige erkent dat het niet goed te motiveren valt. Het berust op de indruk die hij kreeg bij lezing van de stukken uit het dossier en bij kennismaking met eiseres. Eiseres komt integer over en maakt de indruk dat zij, ongetwijfeld ook in mei 2006, niet in staat is om een werkweek van 20 uur te volbrengen, hoe graag zij dat ook zou willen. De deskundige stelt zich voor dat met de nodige inzet van eiseres een werkweek van 12 uur (bijvoorbeeld verdeeld over 4 dagen waarop steeds 3 uur wordt gewerkt) haalbaar en reëel zou zijn geweest. De deskundige verwacht dat eiseres - als zij zich er echt voor inzet - met begeleiding, m.n. cognitieve gedragstherapie, belangrijke vooruitgang zal kunnen boeken.

2.5.2 Bezwaarverzekeringsarts [naam arts] heeft bij rapportage van 7 september 2007 op het deskundigenrapport gereageerd. De bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat de deskundige onvoldoende heeft gemotiveerd waarom een verdergaande urenbeperking dan 20 uur per week aan de orde was op de datum in geding. De bezwaarverzekeringsarts heeft hierbij aangegeven dat eiseres ook op haar een integere indruk heeft gemaakt. Van belang is dat eiseres tijdens de hoorzitting heeft aangegeven dat zij het zonde vindt de energie die zij heeft te besteden aan arbeid in plaats van aan haar gezin. Dit kan geen reden zijn om eiseres meer beperkt te achten. In het kader van de sociale zekerheidswetgeving dienen de taken thuis buiten beschouwing te blijven.

De deskundige heeft niet kunnen motiveren waarom de 20 uur per week niet mogelijk was voor eiseres en de 12 uur per week wel. Voorts heeft de deskundige aangegeven dat uit haar praktijkervaring bekend is dat het merendeel van de vrouwen na behandeling vermoeid is maar dat die vermoeidheid na enkele maanden tot 1 jaar zover gesleten is dat het normale leefpatroon goeddeels hervat is. Het blijft onduidelijk waarom dat in het geval van eiseres niet zo is.

2.5.3 Op verzoek van de rechtbank heeft de deskundige op het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts gereageerd. De deskundige heeft aangegeven dat vermoeidheid na kanker (evenals moeite met acceptatie van diagnose, behandeling én vermoeidheid) helaas niet objectief te meten is. Als gevolg daarvan is het niet goed mogelijk om werkelijk betrouwbaar vast te stellen en te motiveren welke belastbaarheid op een bepaald moment voor een bepaalde persoon zou gelden. De deskundige heeft op haar fingerspitzengefühl ofwel haar klinische blik moeten varen. De bezwaarverzekeringsarts heeft net zo min als de in de gezondheidszorg werkende artsen betrouwbare middelen tot haar beschikking. Er is door het gebruik maken van een bepaalde systematiek sprake van een schijnzekerheid. Volgens de deskundige weegt de gemotiveerde mening van de bezwaarverzekeringsarts niet zwaarder dan haar uitgebreid toegelichte mening, die zij als gevraagde deskundige met ruime ervaring op het gebied van oncologie heeft gegeven. Haar ervaring is dat het merendeel van de vrouwen na behandeling na enkele maanden tot een jaar het normale leefpatroon goeddeels hervat heeft. Dat eiseres een uitzondering is, doet bij het vaststellen van de belastbaarheid niet ter zake.

2.6 De rechtbank overweegt dat zowel de deskundige als de bezwaarverzekeringsarts een urenbeperking geïndiceerd achten. Er is geen verschil van inzicht in de vraag of de vermoeidheidsklachten aangemerkt moeten worden als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte. De rechtbank verwijst in dit verband nog naar verweerders verzekeringsgeneeskundige protocol Borstkanker, waarin staat “Op de middellange termijn, tussen de een en vijf jaar, heeft 35 tot 40 procent van de patiënten nog klachten van aanzienlijke tot ernstige vermoeidheid.” De deskundige en de bezwaarverzekeringsarts hebben een verschil van inzicht over het aantal uren waarin eiseres tot arbeid in staat is. Aangezien de deskundige de beschikking had over alle relevante medische gegevens, zij informatie heeft opgevraagd bij de behandelend sector, zij de medische gesteldheid van eiseres uitgebreid heeft onderzocht en zij haar medische bevindingen genoegzaam heeft gemotiveerd, is de rechtbank van oordeel dat de deskundige op zorgvuldige wijze tot haar standpunt is gekomen. De rechtbank zal daarom het oordeel van de deskundige overnemen en tot de hare maken. De rechtbank ziet in de reactie van de bezwaarverzekeringsarts geen, althans onvoldoende, aanleiding de deskundige niet te volgen.

Gelet hierop moet worden geconcludeerd dat het bestreden besluit berust op een onjuiste medische grondslag en reeds hierom voor vernietiging in aanmerking komt. Het bestreden besluit II dient derhalve te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, waarin is bepaald dat een beslissing op bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering. Het beroep zal gegrond worden verklaard. Verweerder zal worden opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaarschrift van eiseres.

Wat betreft de door eiseres aangevoerde grond over het maatmanloon overweegt de rechtbank nog dat zij het standpunt van de bezwaararbeidsdeskundige onderschrijft. Volgens de bezwaararbeidsdeskundige maakt de werkgeversbijdrage in de vut- en pensioenverzekering sedert 1 juli 2002 geen deel meer uit van het maatmanloon. Dit is bepaald in het wijzigingsbesluit uniformering loonkundige component arbeidsongeschiktheidsbeoordeling (Stcrt 2002, 113).

2.6 Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed. Tevens zal de rechtbank verweerder veroordelen in de proceskosten van eiseres, die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op het hieronder opgenomen bedrag.

Eiseres heeft verzocht verweerder te veroordelen tot vergoeding van geleden schade. Om redenen van proceseconomie zal hierover in deze procedure evenwel geen uitspraak worden gedaan. Nu vernietiging plaatsvindt met opdracht aan verweerder een nieuw besluit te nemen, is niet duidelijk wat het nieuw te nemen besluit voor eiseres voor inhoudelijk resultaat oplevert. Bij de voorbereiding van het nieuwe besluit kan verweerder aandacht besteden aan de vraag in hoeverre er aanleiding bestaat schade te vergoeden. Zo nodig kan daarover een zelfstandig besluit worden genomen.

3. De beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt bestreden besluit I, zoals gewijzigd bij bestreden besluit II;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van deze uitspraak;

gelast dat het UWV aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 38,- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 644,-, te betalen door het UWV.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C.H. Kouwenhoven, rechter, en in tegenwoordigheid van mr. J.H.C.W. Vonk, griffier, in het openbaar uitgesproken op 23 april 2008.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op 23 april 2008.