Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BD5050

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
10-06-2008
Datum publicatie
23-06-2008
Zaaknummer
07 / 4722
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In de gemeentelijke verordening is bepaald dat een verlaging van 20% van de norm plaatsvindt als geen sprake is van huur of hypotheeklasten. De rechtbank acht deze bepaling onverbindend omdat wordt voorbij gegaan aan het feit dat sprake kan zijn van andere woonkosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: AWB 07 / 4722 WWB

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats], gemeente Moerdijk, eiser,

gemachtigde mr. P.J. Smink,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk,

verweerder.

1. Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 17 oktober 2007 (bestreden besluit), inzake de toekenning van een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2008, waarbij aanwezig waren eiser en zijn gemachtigde en namens verweerder [medewerker verweerder] en [medewerker verweerder].

Ter zitting hebben partijen desgevraagd toestemming verleend uitspraak te doen zonder nader onderzoek ter zitting voor het geval de rechtbank aanleiding zou zien de zaak naar een meervoudige kamer te verwijzen. Na sluiting van het onderzoek ter zitting is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat er inderdaad aanleiding is de zaak naar een meervoudige kamer te verwijzen. De rechtbank heeft de zaak bij beslissing van 15 april 2008 verwezen naar een meervoudige kamer.

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser is samen met zijn broers en zus woonachtig aan de [adres] te [woonplaats] en is mede-eigenaar van deze woning.

Bij besluit van 9 juli 2007 heeft verweerder aan eiser met ingang van 1 juni 2007 een uitkering op grond van de WWB toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Verweerder heeft enerzijds deze bijstandsnorm verhoogd met een gemeentelijke toeslag van 10% van het wettelijk minimumloon en heeft anderzijds bij de berekening van de bijstandsnorm een gemeentelijke verlaging van 20% van het wettelijk minimumloon toegepast.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen de toegepaste verlaging ongegrond verklaard.

2.2 Eiser heeft in beroep, samengevat, gesteld dat verweerder bij de toepassing van artikel 27 van de WWB ten onrechte geen aansluiting heeft gezocht bij het begrip ‘woonlasten’. Onder dit begrip vallen niet alleen huur en hypotheeklasten, maar ook zakelijke lasten ten behoeve van de woning en kosten voor (groot) onderhoud. De beleidsvrijheid van de gemeenteraad bij het opstellen van de verordening en van verweerder bij het toepassen van die verordening is volgens eiser overschreden. Subsidiair heeft eiser aangevoerd dat hij, anders dan verweerder heeft gesteld, wel degelijk woonkosten heeft. Het betreft een bedrag van € 13,- aan gemeentebelastingen dat eiser maandelijks aan de gemeenschappelijke boedel betaalt, evenals de diverse woonverzekeringen. Voorts heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat een individuele afstemming ex artikel 18 WWB ontbreekt.

2.3 Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de WWB stemt het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.

Artikel 27 van de WWB luidt als volgt.

Het college kan de norm, bedoeld in de artikelen 20 en 21, of de toeslag, bedoeld in artikel 25, lager vaststellen voorzover de belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm of de toeslag voorziet als gevolg van zijn woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de WWB stelt de gemeenteraad bij verordening regels met betrekking tot het verhogen en verlagen van de norm, bedoeld in artikel 30 van de WWB. Artikel 30, eerste lid, van de WWB bepaalt dat de gemeenteraad in de verordening vaststelt voor welke categorieën de norm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald. Verhoging of verlaging van de norm of afwijkende vaststelling van de toeslag vindt ingevolge artikel 30, vierde lid, van de WWB plaats onverminderd artikel 18, eerste lid, van de WWB.

Ter uitvoering van de artikelen 8 en 30 van de WWB heeft de raad van de gemeente Moerdijk de Verordening Toeslagen en Verlagingen Wet Werk en Bijstand Gemeente Moerdijk 2007 (hierna: de verordening) vastgesteld.

Ingevolge artikel 1, tweede lid, aanhef en onder f, van de verordening moet onder woonkosten worden verstaan:

• indien een huurwoning wordt bewoond, de op de aanvangsdatum van het lopende huursubsidietijdvak per maand geldende huurprijs als bedoeld in de Huursubsidiewet 1997;

• indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud.

Artikel 5 van de verordening luidt als volgt.

De verlaging als bedoeld in artikel 27 van de wet bedraagt:

a. 20 procent van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond waaraan voor belanghebbende geen kosten van huur of hypotheeklasten verbonden zijn;

b. 10 procent van de gehuwdennorm indien geen woning bewoond wordt.

2.4 Aan de rechtbank ligt ter beantwoording de vraag voor of verweerder in redelijkheid op grond van artikel 27 van de WWB bij de berekening van de bijstandsnorm een verlaging van 20% van het wettelijk minimumloon heeft kunnen toepassen.

De rechtbank stelt voorop dat verweerder op grond van artikel 27 van de WWB bevoegd is de toepasselijke bijstandsnorm te verlagen voor zover de belanghebbende als gevolg van zijn woonsituatie lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet. Het gaat daarbij om een discretionaire bevoegdheid. Blijkens de memorie van toelichting bij de WWB (TK 2002-2003, 28 870, nr. 3) is voor de gebruikmaking van de verlagingsmogelijkheid van artikel 27 van de WWB doorslaggevend dat niet jegens een derde woonkosten verschuldigd zijn.

De gemeenteraad heeft de verlaging van de toepasselijke bijstandsnorm in verband met de woonsituatie geregeld in artikel 5 van de verordening, onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 27 van de WWB. Ingevolge artikel 5, aanhef en onder a, van de verordening, bedraagt de verlaging 20% indien een woning wordt bewoond waaraan voor de belanghebbende geen kosten van huur of hypotheeklasten verbonden zijn. Blijkens de toelichting op dit artikel wordt in de verordening bewust niet het begrip ‘woonkosten’ gehanteerd, maar ‘kosten van huur of hypotheeklasten’. Daarmee wordt duidelijk, aldus de toelichting, dat het hebben van kosten voor water, gas, licht en dergelijke niet afdoende is om een verlaging krachtens dit artikel te voorkomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen onder kosten verbonden aan de woonsituatie echter ook andere kosten vallen, zoals in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten, bijvoorbeeld het eigenaarsdeel van de onroerendzaakbelasting en reserveringen voor onderhoud.

Dit strookt ook met de definitie van ‘woonkosten’ die is neergelegd in artikel 1 van de verordening (welk begrip volgens verweerder overigens elders in de verordening geen functie heeft).

De rechtbank is van oordeel dat de gemeenteraad met artikel 5, aanhef en onder a, van de verordening de in artikel 27 van de WWB toegekende verordenende bevoegdheid heeft overschreden door zonder meer een verlaging van de bijstandsnorm voor te schrijven in elke situatie waarin huurkosten en hypotheeklasten ontbreken. Op die wijze wordt immers geen rekening gehouden met mogelijke andere woonkosten die jegens een derde verschuldigd zijn, zoals blijkens de memorie van toelichting doorslaggevend is voor de gebruikmaking van de verlagingsmogelijkheid van artikel 27 van de WWB.

Deze overschrijding van de bevoegdheid wordt naar het oordeel van de rechtbank niet ongedaan gemaakt of gecompenseerd door de omstandigheid dat de plicht tot individuele afstemming zoals neergelegd in artikel 18, eerste lid, van de WWB onverminderd toepasselijk is (op grond van artikel 30, vierde lid, van de WWB).

Het voorgaande betekent dat artikel 5, aanhef en onder a, van de verordening verbindende kracht mist voor zover deze bepaling de aan een woonsituatie verbonden kosten beperkt tot de kosten van huur of hypotheeklasten.

2.5 Nu verweerder de bijstandsnorm van eiser heeft verlaagd wegens het ontbreken van huurkosten en hypotheeklasten zonder na te gaan of eiser als gevolg van zijn woonsituatie daadwerkelijk lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet, heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 27 van de WWB.

Het beroep dient daarom gegrond te worden verklaard. Het bestreden besluit zal worden vernietigd en verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift.

2.6 Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed.

Tevens zal de rechtbank verweerder veroordelen in de proceskosten van eiser, die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op het hieronder opgenomen bedrag.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van deze uitspraak;

gelast dat de gemeente Moerdijk aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 39,- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de gemeente Moerdijk.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. J.G.M. Wouters, P.H.J.G. Römers en V.M. Schotanus, rechters, en door mr. J.G.M. Wouters, voorzitter, in aanwezigheid van mr. E.S.M. van Bergen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2008.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: 10 juni 2008