Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BD3537

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
22-04-2008
Datum publicatie
10-06-2008
Zaaknummer
07/3681
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag huishoudelijke verzorging. Beleid in Protocol gebruikelijke zorg. Ten onrechte huisgenoten niet persoonlijk gehoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 07 / 3681 WMO

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van

[eiseres],

wonende te Bergen op Zoom, eiseres,

gemachtigde [gemachtigde],

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom,

verweerder.

1. Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 17 juli 2007 (bestreden besluit) inzake het recht op huishoudelijke verzorging ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

Het beroep is behandeld ter zitting van 11 maart 2008, waarbij aanwezig waren eiseres en haar gemachtigde en namens verweerder [medewerker gemeente].

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres heeft sinds 1991 in verband met lichamelijke beperkingen van haarzelf en haar gezinsleden (echtgenoot en 2 zoons, geboren in 1979 en 1981) 16 uur per week huishoudelijke verzorging ontvangen ten laste van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), laatstelijk in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) over de periode 1 januari 2005 tot 1 januari 2007.

Zij heeft in december 2006 een aanvraag ingediend voor ongewijzigde voortzetting van de huishoudelijke verzorging in de vorm van een pgb.

Het Ciz heeft hierover op 12 januari 2007 geadviseerd. Het Ciz adviseert een indicatie voor HV1 voor overname van het zwaar huishoudelijk werk en gedeeltelijk bij het doen van de was en de strijk. Geadviseerd wordt klasse 4 (7 t/m 9,9 uur), in plaats van klasse 3 (4 t/m 6,9 uur), omdat er sprake is van uitruil vanwege hulp van de echtgenoot van eiseres en haar kinderen bij de persoonlijke verzorging van eiseres en omdat 3 gezinsleden ernstige [ziekte] hebben.

Bij besluit van 8 februari 2007 heeft verweerder eiseres in het kader van de Wmo huishoudelijke verzorging toegekend in de vorm van een pgb voor 16 uur per week over de periode 12 januari 2007 tot en met 7 februari 2007, en voor 10 uur per week over de periode 8 februari 2007 tot en met 8 februari 2008. Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op het advies van het Ciz van 12 januari 2007. Volgens verweerder is dit advies op zorgvuldige wijze tot stand gekomen.Uit het advies blijkt dat de gevraagde voorziening kan bijdragen aan het behouden en bevorderen van de zelfredzaamheid van eiseres en haar normale maatschappelijke participatie.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 8 februari 2007, omdat zij het niet eens is met het aantal toegekende uren huishoudelijke verzorging over de periode vanaf 8 februari 2007.

De adviescommissie voor de bezwaarschriften van de gemeente Bergen op Zoom (commissie) heeft op 18 juni 2007 geadviseerd om het bezwaarschrift ongegrond te verklaren en de motivering van het primaire besluit te verbeteren.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. daarbij is overwogen dat de motivering van de commissie geacht wordt deel uit te maken van het bestreden besluit. Verweerder heeft verder de berekening van het toegekende aantal uren huishoudelijke verzorging nader toegelicht.

2.2 Eiseres heeft in beroep, samengevat, aangevoerd dat de vermindering van het aantal uren huishoudelijke verzorging voor haarzelf en haar gezin tot ernstige gezondheidsklachten leidt. Dat komt enerzijds doordat met name haar echtgenoot en kinderen extra huishoudelijke taken dienen te verrichten, waartoe zij vanwege hun gezondheid eigenlijk niet in staat zijn. En anderzijds, doordat er toch huishoudelijke taken blijven liggen, waardoor het huis niet op de voor eiseres en haar gezin vanwege hun gezondheid noodzakelijke wijze kan worden schoon gehouden. Eiseres vindt bovendien dat het advies van het Ciz op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, omdat eiseres niet in persoon door een Ciz-arts is onderzocht. Het Ciz heeft haar huisgenoten evenmin onderzocht. Bovendien heeft verweerder eiseres niet in de gelegenheid gesteld een contra-expertise te laten plaatsvinden naar de indicatiestelling voor huishoudelijke hulp. Daarbij komt dat aan eiseres in het verleden 16 uur huishoudelijke verzorging per week is toegekend. Verder heeft zij voor haar beroepsgronden verwezen naar het aanvullend bezwaarschrift van 26 april 2007.

2.3 In artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wmo is - onder meer - bepaald dat het college van burgemeester en wethouders ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 6 ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, voorzieningen treft op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen een huishouden te voeren.

In het tweede lid is vastgelegd dat het college van burgemeester en wethouders bij het bepalen van de voorzieningen rekening houdt met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.

Artikel 26, eerste lid, van de Wmo bepaalt dat de motivering van een beschikking op een aanvraag om een individuele voorziening vermeldt op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem.

In het tweede lid is bepaald dat bij een beslissing op het bezwaar als bedoeld in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (…) het eerste lid van overeenkomstige toepassing is.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wmo stelt de gemeenteraad met in achtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.

Verweerder heeft voornoemde regels vastgesteld in de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Bergen op Zoom 2007 (Verordening), die op 30 november 2006 door de gemeenteraad is vastgesteld en op 1 januari 2007 in werking is getreden.

In artikel 1.2, eerste lid, van de Verordening is bepaald dat een voorziening kan slechts worden toegekend voorzover:

a. deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen, op het gebied van het voeren van het huishouden, het verplaatsen in en om de woning, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en op basis daarvan sociale verbanden aangaan, op te heffen of te verminderen;

b. deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt;

c. deze in overwegende mate op het individu is gericht.

Artikel 2.1, aanhef en onder c, van de Verordening bepaalt dat de door het college te verstrekken huishoudelijke verzorging, ter compensatie van beperkingen die een ondersteuningsvrager ondervindt bij het voeren van een huishouden, kan bestaan uit een persoonsgebonden budget, te besteden aan een voorziening in de vorm van huishoudelijke verzorging

Ingevolge artikel 2.2, onder a, van de Verordening kan een ondersteuningsvrager voor een voorziening in de vorm van huishoudelijke verzorging in aanmerking komen als aantoonbare beperkingen of problemen als gevolg van ziekte of een gebrek deze voorziening noodzakelijk maken voor het voeren van een huishouden.

In artikel 2.2, onder c, van de Verordening is bepaald dat een ondersteuningsvrager niet in aanmerking komt voor een voorziening in de vorm van huishoudelijke verzorging als tot de leefeenheid waar de ondersteuningsvrager deel van uitmaakt een of meer huisgenoten behoren die wel in staat zijn het huishoudelijk werk te verrichten. Voor gebruikelijke zorg wordt geen vergoeding verstrekt.

Verweerder heeft het begrip gebruikelijke zorg als bedoeld in artikel 2.2, onder c, van de Verordening uitgewerkt in het op 1 januari 2007 in werking getreden Verstrekkingenboek Voorzieningen maatschappelijke ondersteuning (Verstrekkingenboek). Gebruikelijke zorg wordt daarin (pagina 11) gedefinieerd als de situatie dat indien de ondersteuningsvrager huisgenoten heeft die het huishoudelijk werk over kunnen nemen, zij verondersteld worden dit door een herverdeling van taken te doen. Dit principe heeft een verplichtend karakter en betreft alle huisgenoten ouder dan 18 jaar.

Verder is in het Verstrekkingenboek vermeld dat het Ciz bij de advisering over de indicatiestelling voor huishoudelijke verzorging gebruik maakt van het Protocol Gebruikelijke Zorg. Verweerder heeft aan de rechtbank het Protocol Gebruikelijke Zorg van van april 2005 (Protocol) toegezonden.

In het Protocol is in paragraaf 2.9 onder meer vermeld dat indien sprake is van huisgenoten die gebruikelijke zorg leveren, het zaak is dat de indicatiesteller die huisgenoten altijd persoonlijk hoort. Op die manier kan de indicatiesteller correct inventariseren welke taken de huisgenoot uitvoert en hoe hij de belasting van deze taken ervaart in relatie tot zijn maatschappelijke participatie. Verder is vermeld dat een indicatiesteller altijd moet onderzoeken of een leefeenheid, gegeven de voor die leefeenheid geldende gebruikelijke zorg, door de (chronische) uitval van een gezinslid niet alsnog onevenredig belast wordt en overbelasting dreigt.

2.4 De rechtbank acht de hiervoor weergegeven bepalingen uit de Wmo-verordening van de gemeenteraad en de invulling daarvan door verweerder in het Verstrekkingenboek en Protocol niet in strijd met de Wmo of andere wetgeving, noch onredelijk.

2.5 De rechtbank stelt vast dat de beroepsgronden van eiseres uitdrukkelijk zijn gericht tegen de vermindering per 1 januari 2007 van het aantal uren voor huishoudelijke verzorging. De rechtbank zal het bestreden besluit dan ook in het licht daarvan beoordelen.

In geschil is derhalve of verweerder op goede gronden heeft besloten over de periode van 8 februari 2007 tot en met 8 februari 2008 10 uur huishoudelijke verzorging per week toe te kennen.

De rechtbank stelt voorop dat de in geding zijnde indicatie is gebaseerd op het rapport van het Ciz van 12 januari 2007. Verder wordt overwogen dat de wetgeving voor huishoudelijke verzorging per 1 januari 2007 gewijzigd is; de AWBZ is hierop niet langer van toepassing, maar de Wmo en de daarop gebaseerde gemeentelijke regelgeving. Aan het feit dat eiseres over de periode 1 januari 2005 tot 1 januari 2007 op basis van het rapport van het Ciz van 13 december 2004 in het kader van de AWBZ een indicatie voor huishoudelijke verzorging voor 16 uur per week heeft gekregen, kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet zonder meer het recht worden ontleend dat dat per 1 januari 2007 wordt voortgezet. Hieraan doet niet af dat – zoals eiseres stelt – haar situatie niet is veranderd.

Vast staat dat eiseres als gevolg van verschillende lichamelijke aandoeningen verminderd mobiel is en energetisch beperkt. Zij ondervindt daardoor beperkingen op het gebied van het verrichten van huishoudelijke taken. Partijen verschillen onder meer van mening over de vraag in welke mate eiseres de beperkingen ondervindt.

De rechtbank overweegt dat verweerder aan zijn besluitvorming het advies van 12 januari 2007 van [indicatiesteller], als indicatiesteller verbonden aan het Ciz, ten grondslag heeft gelegd. Blijkens het indicatierapport heeft op 21 december 2006 een huisbezoek plaatsgevonden alsmede overleg met de Ciz-arts. Ook zijn op 12 januari 2007 telefonisch inlichtingen ingewonnen bij huisarts [naam huisarts]. Volgens het advies zijn eiseres en de overige gezinsleden minimaal in staat door gezondheidsproblemen om huishoudelijke werkzaamheden te verrichten. Verder helpen de gezinsleden eiseres gedeeltelijk bij de persoonlijke verzorging. Er wordt geadviseerd hulp bij de huishouding gericht op overname van zwaar huishoudelijke hulp [bedoeld is: werk; de rechtbank] en gedeeltelijk bij de was en de strijk. Onder het kopje “Functie/voorziening” staat “1 keer/week: Zwaar huishoudelijk werk licht kunnen ze zelf” en “1 keer/week: Kleding/linnengoed wassen boods zelf.”. Geadviseerd wordt klasse 4 (7 t/m 9,9 uur), in plaats van klasse 3 (4 t/m 6,9 uur), omdat er sprake is van uitruil vanwege hulp van de echtgenoot van eiseres en haar kinderen bij de persoonlijke verzorging van eiseres en omdat 3 gezinsleden ernstige [ziekte] hebben.

De rechtbank is van oordeel dat het Ciz-advies met betrekking tot de inschatting van de beperkingen van eiseres voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Het Ciz was op de hoogte van de door eiseres gestelde klachten, zoals de [medische klachten]. In aanmerking genomen dat het een advies betrof inzake de voortzetting van een vele jaren toegekende voorziening, en het gegeven dat het Ciz voor de invoering van de Wmo ook met indicatiestelling was belast, was een indicatiestelling door een indicatiesteller, niet zijnde een arts niet op voorhand onzorgvuldig. Verder stellen de Verordening noch de andere toepasselijke gemeentelijke regels niet als eis dat het indicatierapport van het Ciz door een arts moet zijn opgesteld. In de door eiseres in bezwaar overgelegde brieven van de huisarts van 28 april en 31 mei 2007, ziet de rechtbank evenmin aanleiding te concluderen dat het Ciz-advies onzorgvuldig was. Die informatie van de huisarts over eiseres was, zo blijkt uit het rapport van het Ciz, reeds bekend bij de indicatiesteller. De rechtbank volgt eiseres dan ook niet in haar betoog dat verweerder zich op dit advies niet heeft mogen baseren. Overigens stond het eiseres vrij om op eigen initiatief een contra-expertise te doen plaatsvinden. Eiseres heeft in beroep geen informatie van behandelaars overgelegd die de rechtbank doet twijfelen aan de conclusies van het Ciz. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat het Ciz voldoende beperkingen van eiseres bij het verrichten van het huishouden in acht heeft genomen. Verweerder heeft zijn besluitvorming inzake de beperkingen van eiseres dan ook daarop mogen baseren. De hierop betrekking hebbende beroepsgrond van eiseres wordt verworpen.

Nu de omvang van de beperkingen van eiseres bij het verzorgen van het huishouden vaststaat, staat ook vast dat eiseres hulp nodig heeft bij de verzorging van dat huishouden. Vervolgens dient te worden onderzocht de mate waarin de huisgenoten van eiseres, haar echtgenoot en 2 zonen die ouder zijn dan 23 jaar, gebruikelijke zorg kunnen leveren als bedoel in artikel 2.2, onder c, van de Verordening en uitgewerkt in het Verstrekkingenboek en het Protocol. Daarvoor dient de belastbaarheid van de huisgenoten van eiseres te worden onderzocht.

De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek van het Ciz daarnaar onvoldoende is geweest. Daartoe wordt allereerst overwogen dat het Ciz in strijd met het bepaalde in paragraaf 2.9 van het Protocol de huisgenoten van eiseres niet persoonlijk heeft gehoord. Daarbij komt dat de huisarts zich in de door eiseres in bezwaar overgelegde brieven van 28 april en 31 mei 2007 niet heeft uitgelaten over de belastbaarheid van de huisgenoten. Verder schrijft de huisarts in de brief van 31 mei 2007 dat de oudste zoon van eiseres bekend is met [medische klacht]. Deze diagnose leest de rechtbank niet terug in het Ciz-advies van 12 januari 2007. De rechtbank acht verder van belang dat de huisgenoten van eiseres blijkens het Ciz-advies van 13 december 2004 niet tot huishoudelijke werkzaamheden in staat werden geacht. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zijn besluitvorming inzake de mate waarin de huisgenoten in staat worden geacht huishoudelijke werkzaamheden te verrichten niet heeft mogen baseren op het rapport van het Ciz van 12 januari 2007. Het bestreden besluit is in zoverre dan ook in strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2, 3:9 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Aan het voorgaande doet niet af dat zijdens het Ciz op 12 januari 2007 met de huisarts van eiseres is gesproken over de gezondheidssituatie van de huisgenoten van eiseres.

De rechtbank overweegt tot slot dat gelet op het voorgaande ook de motivering van het bestreden besluit als bedoeld in artikel 26 van de Wmo niet deugdelijk is.

De rechtbank laat de overige grieven van eiseres onbesproken.

2.6 Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep gegrond moet worden verklaard en het bestreden besluit moet worden vernietigd. Verweerder zal met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen.

2.7 Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed. Omdat niet gebleken is van op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten van eiseres, zal een proceskostenveroordeling achterwege blijven.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van deze uitspraak;

gelast dat de gemeente Bergen op Zoom aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 39,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.J.G. Römers, rechter, en in aanwezigheid van

mr. R.J. Tolner, griffier, in het openbaar uitgesproken op 22 april 2008.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

In deze uitspraak is het beroep (deels) gegrond verklaard en is het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft daarbij gronden van uw beroep (ook ‘grieven’ genoemd) uitdrukkelijk verworpen. Indien u daarin niet wilt berusten, moet u tegen de uitspraak binnen bovengenoemde termijn hoger beroep instellen.

Afschrift verzonden op: 22 april 2008