Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BD3442

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
11-04-2008
Datum publicatie
10-06-2008
Zaaknummer
AWB- 07_4663
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag twee vervoersvoorzieningen voor dezelfde afstand. Gelet op beleid ten onrechte geen advies bij CIZ ingewonnen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 07 / 4663 WMO

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van

[naam eiseres]

wonende te [woonplaats],

gemachtigde [naam gemachtigde eiseres]

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen

verweerder.

1. Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 24 september 2007 (bestreden besluit) inzake vervoersvoorzieningen ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

Het beroep is behandeld ter zitting van 11 maart 2008, waarbij namens eiseres aanwezig was haar echtgenoot

[naam gemachtigde eiseres] en namens verweerder mr. A.G. van Binnendijk.

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres ontvangt sinds 1 januari 2005 een vervoersvoorziening ingevolge de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) in de vorm van een forfaitaire vergoeding in de kosten van vervoer met de eigen (aangepaste) auto, hoewel zij toen eigenlijk in aanmerking kwam voor vervoer met een rolstoel(deel)taxi.

Eiseres heeft op 1 maart 2007 een aanvraag ingediend voor een vervoersvoorziening ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) in de vorm van collectief aanvullend vervoer (rolstoel(deel)taxi).

Bij besluit van 14 maart 2007 heeft verweerder besloten de forfaitaire vergoeding per diezelfde datum om te zetten in een collectieve vervoersvoorziening, te weten een rolstoeltaxi, zonder medische begeleiding, met als mee te nemen hulpmiddel een rolstoel.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 14 maart 2007 voor zover daarin de forfaitaire vergoeding wordt vervangen door de rolstoeltaxi. Zij voert in bezwaar aan dat zij in de regel met de eigen auto zal reizen en slechts incidenteel met de deeltaxi, namelijk bij calamiteiten en als haar echtgenoot of zoon haar niet kan rijden. Eiseres wil daarom zowel een forfaitaire vergoeding als een deeltaxipas.

De adviescommissie voor de bezwaarschriften van verweerders gemeente (commissie) heeft op 26 april 2007 geadviseerd om het bezwaarschrift van eiseres ongegrond te verklaren. Daartoe is overwogen dat, gezien het geringe aantal keren per jaar dat eiseres gebruik zal maken van de rolstoeltaxi, het niet onredelijk is, dat zij dat tegen het commerciële tarief doet. Eiseres heeft geen bezwarende omstandigheden naar voren gebracht die tot een ander oordeel moeten leiden.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Voor de motivering is verwezen naar het advies van de commissie.

2.2 Eiseres heeft in beroep herhaald dat de rolstoeltaxi slechts in uitzonderlijke en bijzondere gevallen gebruikt wordt. De handicap van eiseres laat veelvuldig gebruik van de deeltaxi niet toe. Verzocht wordt om de forfaitaire vergoeding met terugwerkende kracht te handhaven, maar ook de deeltaxipas te handhaven.

2.3 Artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wmo bepaalt - voor zover hier van belang - dat ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5° en 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, het college van burgemeester en wethouders voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning treft die hem in staat stellen een zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Wmo houdt het college van burgemeester en wethouders bij het bepalen van de voorzieningen rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wmo stelt de gemeenteraad met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.

Ingevolge artikel 6 van de Wmo biedt het college van burgemeester en wethouders personen die aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar persoonsgebonden budget, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan.

Artikel 26, eerste lid, van de Wmo bepaalt dat de motivering van een beschikking op een aanvraag om een individuele voorziening vermeldt op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem.

In het tweede lid is bepaald dat bij een beslissing op het bezwaar als bedoeld in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (…) het eerste lid van overeenkomstige toepassing is.

De in artikel 5, eerste lid, van de Wmo genoemde regels zijn neergelegd in de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Dongen 2007 (Verordening Wmo 2007).

Ingevolge artikel 1.2, eerste lid, van de Verordening kan een voorziening slechts worden toegekend voorzover:

a. deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op het gebied van (…) het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en op basis daarvan sociale verbanden aangaan op te heffen of te verminderen;

b. deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt;

c. deze in overwegende mate op het individu is gericht.

Ingevolge artikel 5.1 van de Verordening kan de door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal verplaatsen, te verstrekken voorziening bestaan uit:

a. een algemene voorziening waaronder een collectieve vervoersvoorziening;

b. een vervoersvoorziening in natura of een persoonsgebonden budget te besteden aan een vervoersvoorziening;

c. Een financiële tegemoetkoming.

Verweerder heeft inzake - onder meer - vervoersvoorzieningen de Beleidsregels Wmo gemeente Dongen vastgesteld (Beleidsregels).

In paragraaf 4.9 van de Beleidsregels is onder het kopje “Een tweede vervoersvoorziening” het volgende bepaald:

“Een tweede vervoersvoorziening voor eenzelfde afstand wordt in beginsel alleen verstrekt als er een medische of sociale noodzaak voor is.

Als er een aanvraag wordt ingediend voor een tweede vervoersvoorziening wordt altijd advies ingewonnen bij het CIZ.”

Artikel 4:84 van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

2.4 De rechtbank begrijpt uit hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd dat eiseres het er niet mee eens is dat de vervoersvoorziening deeltaxi is toegekend onder gelijktijdige intrekking van de forfaitaire vervoerskostenvergoeding. Eiseres maakt aanspraak op beide vervoersvoorzieningen tegelijkertijd.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat eiseres in feite twee vervoersvoorzieningen voor dezelfde afstand wenst. Naar het oordeel van de rechtbank was verweerder dan ook op grond van artikel 4:84 van de Awb gehouden te handelen overeenkomstig de onder 2.3 weergegeven beleidsregel. Dat betekent dat verweerder advies had dienen in te winnen bij het Ciz inzake de vraag of er een medische of sociale noodzaak is voor het toekennen van zowel de forfaitaire vervoerskostenvergoeding als de collectieve vervoersvoorziening. Nu verweerder dit heeft nagelaten, is het bestreden besluit in strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2, 4:84 en 7:12, eerste lid, van de Awb.

De rechtbank overweegt tot slot dat de motivering van het besluit op bezwaar zoals deze op grond van het bepaalde in artikel 26 van de Wmo in een besluit als het onderhavige opgenomen dient te worden in het geheel ontbreekt. Verweerder heeft dan ook de ingevolge artikel 26 van de Wmo op hem rustende motiveringsplicht geschonden.

2.5 Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep gegrond moet worden verklaard en het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2, 7:12, eerste lid, en 4:84 van de Awb en 26 van de Wmo. Verweerder zal met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen.

2.6 Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed. Omdat niet gebleken is van op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten van eiseres, zal een proceskostenveroordeling achterwege blijven.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van deze uitspraak;

gelast dat de gemeente Dongen aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 39,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.J.G. Römers, rechter, en in aanwezigheid van mr. R.J. Tolner, griffier, in het openbaar uitgesproken op

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: