Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BD1509

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
10-04-2008
Datum publicatie
14-05-2008
Zaaknummer
AWB 06/5180
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte niet ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar vanwege het ontbreken van een motivering. Ter zitting heeft belanghebbende onweersproken gesteld dat hij met een andere inspecteur uitvoerig heeft gecorrespondeerd en gesproken over diverse zaken, waaronder de in geschil zijnde conserverende aanslag. Gelet op de inhoud van deze gesprekken kan niet worden gezegd dat de vereiste motivering van het bezwaar ontbreekt. De omstandigheid dat de inspecteur waarmee de gesprekken werden gevoerd en de inspecteur die het bezwaar behandelde klaarblijkelijk niet op de hoogte waren van elkaars werkzaamheden, kan niet aan belanghebbende worden tegengeworpen. De enkele omstandigheid dat ook belanghebbende de inspecteur die het bezwaar behandelde had kunnen informeren over de gesprekken met de andere inspecteur is onvoldoende om te concluderen tot niet-ontvankelijkheid. Nu de inspecteur inhoudelijk niet op de zaak is ingegaan en onweersproken is komen vast te staan dat met de andere inspecteur overeenstemming bestond over de hoogte van het te conserveren inkomen, wordt de conserverende aanslag dienovereenkomstig vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008/1064
FutD 2008-1061
Belastingadvies 2008/13.1
V-N 2008/43.8

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/5180

Uitspraakdatum: 10 april 2008

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], Verenigde Staten,

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De in één geschrift vervatte uitspraken van de inspecteur van 19 september 2006 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2001 opgelegde conserverende aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen tot een bedrag van € 85.193, alsmede de bij beschikking vastgestelde heffingsrente van € 14.790 en revisierente van € 29.200.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2008 te Breda.

Aldaar is verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende.

De inspecteur is, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de conserverende aanslag tot een berekend naar een conserverend inkomen van € 12.408 aan aanspraken uit een pensioenregeling, € 21.146 aan aanspraken op lijfrente en € 81.240 aan winst uit aanmerkelijk belang;

- vernietigt de beschikking heffingsrente;

- vermindert de revisierente tot € 6.710;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 644, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 38 aan deze vergoedt.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende is op of omstreeks 12 oktober 2001 vanuit Nederland naar de Verenigde Staten geëmigreerd.

2.2. Met dagtekening 6 september 2005 is aan belanghebbende een conserverende aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2001 opgelegd, uitgaande van een te conserveren inkomen van € 96.000 aan pensioenaanspraken, € 50.000 aan lijfrente en beroepspensioenen en € 50.000 aan aanmerkelijk belang. De conserverende aanslag beliep een te betalen bedrag van € 85.193 aan inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. Bij beschikking werd daarbij € 14.790 aan heffingsrente en € 29.200 aan revisierente berekend. Het in totaal te betalen bedrag bedroeg derhalve € 129.183.

2.3. Bij uitspraak op bezwaar van 19 september 2006 is belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar vanwege het niet-motiveren van het met dagtekening 6 oktober 2005 ingediende (pro forma) bezwaarschrift.

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift

2.4. Belanghebbende stelt dat hij in de periode 23 januari 2004 tot en met medio 2006 zeer uitvoerig heeft gecorrespondeerd met de heer [ambtenaar] van Unit 11 van de belastingdienst, kantoor [woonplaats], over [B.V.]., de vennootschap waarin belanghebbende een aanmerkelijk belang had, en de pensioenen van (onder meer) belanghebbende. Ter zitting heeft belanghebbende desgevraagd verklaard dat met [de heer] ook is gesproken over de onderhavige conserverende aanslag en dat met hem is afgesproken dat de gegevens die uit dat overleg kwamen bepalend zouden zijn voor de conserverende aanslag.

2.5. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. De gesprekken en correspondentie zoals genoemd onder 2.4 hadden, naar belanghebbende onweersproken heeft gesteld, mede betrekking op de onderhavige conserverende aanslag en vonden plaats in dezelfde periode als waarin het (pro forma) bezwaarschrift is ingediend en de uitspraak op bezwaar is gedaan. Derhalve kan niet worden gezegd dat aan het (pro forma) bezwaarschrift van belanghebbende de vereiste motivering ontbreekt, nu gelet op de inhoud van de gesprekken en correspondentie tussen belanghebbende en [de heer], voor de inspecteur voldoende duidelijk moet zijn geweest waarom belanghebbende zich niet met de onderhavige conserverende aanslag kon verenigen. De omstandigheid dat [de heer] en [ambtenaar], die het bezwaarschrift in behandeling heeft genomen, hoewel zij op hetzelfde kantoor zitten, klaarblijkelijk niet van elkaars werkzaamheden ter zake van dezelfde belastingplichtige op de hoogte waren, is geen omstandigheid die aan belanghebbende kan worden tegengeworpen. Hoewel ook belanghebbende [ambtenaar] had kunnen informeren omtrent zijn gesprekken en correspondentie met [de heer], is deze enkele omstandigheid onvoldoende om te concluderen tot niet-ontvankelijkheid van het bezwaarschrift vanwege het ontbreken van de motivering. Dientengevolge is belanghebbende ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en dienen de uitspraken op bezwaar te worden vernietigd.

2.6. De rechtbank dient de zaak dan terug te wijzen naar de inspecteur, behoudens in geval belanghebbende niet wordt benadeeld en de rechtbank zelf in de zaak voorziet (Hoge Raad 9 juni 2006, nr. 41 130, onder meer gepubliceerd in BNB 2006/290). Ter zitting heeft belanghebbende de rechtbank uitdrukkelijk verzocht om de zaak niet terug te wijzen, omdat hij het materieel niet oneens is met de heer [de heer] en dat hij enkel wil dat de conserverende aanslag wordt opgelegd conform hetgeen met de heer [de heer] is besproken en overeengekomen. Nu belanghebbende de rechtbank expliciet heeft verzocht om zelf in de zaak te voorzien en de rechtbank van oordeel is dat gelet op de omstandigheden belanghebbende niet benadeeld wordt, zal de rechtbank de zaak niet terugwijzen naar de inspecteur, maar met toepassing van artikel 8:72, vierde lid van de Awb zelf in de zaak voorzien.

Met betrekking tot de conserverende aanslag

2.7. In zijn beroepschrift en in het ter zitting overgelegde stuk, dat aan deze uitspraak is gehecht, heeft belanghebbende het volgende overzicht opgesteld:

Aanmerkelijk belang reserve 31-12-2002 € 81.240

Af: dividenden (fiscaal afgerekend) € 68.333

Aanmerkelijk belang claim € 12.907

Opgebouwde pensioenaanspraak € 12.408

Lijfrenten € 21.146

Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat dit overzicht tot stand is gekomen na uitvoerig overleg met [de heer] van de belastingdienst en dat [de heer] akkoord is gegaan met het gebruik van deze bedragen voor de conserverende aanslag. Voorts heeft belanghebbende desgevraagd verklaard dat de waarde van de aanmerkelijk belang aandelen en daarmee de winst uit aanmerkelijk belang (door belanghebbende aangeduid als aanmerkelijk belang reserve) eind 2001 gelijk was aan die per 31 december 2002 en dat de genoemde dividenduitkeringen van latere datum zijn.

2.8. Nu de inspecteur inhoudelijk niet op de zaak is ingegaan en voorts onweersproken is komen vast te staan dat tussen [de heer] en belanghebbende overeenstemming bestond over het gebruik van deze bedragen voor de onderhavige conserverende aanslag, is de rechtbank van oordeel dat de conserverende aanslag moet worden vastgesteld op het door belanghebbende voorgestane te conserveren inkomen bestaande uit € 12.408 aan aanspraken uit een pensioenregeling, € 21.146 aan aanspraken op lijfrente en € 81.240 aan winst uit aanmerkelijk belang. Nu, zoals belanghebbende heeft verklaard, de dividenden van € 68.333 zijn uitgekeerd na de emigratiedatum, kan hiermee bij de vaststelling van het te conserveren inkomen geen rekening worden gehouden.

Met betrekking tot de revisie- en heffingsrente

2.9. Artikel 30f van de AWR bepaalt met ingang van 2006 dat voor te conserveren inkomen waarvan in deze zaak sprake is, geen heffingsrente wordt berekend. In artikel XXXI, onderdeel A. Overgangsrecht AWR is bepaald dat het niet berekenen van heffingsrente toepassing vindt met betrekking tot tijdvakken die aanvangen op of na 1 januari 2001, voorzover op 1 januari 2006 met betrekking tot de inkomstenbelasting ter zake van te conserveren inkomen als bedoeld in artikel 30f, eerste lid, tweede volzin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, nog geen handeling of omstandigheid heeft plaatsgevonden op grond waarvan het op de voet van artikel 25, vijfde, zesde of achtste lid, van de Invorderingswet 1990 verleende of te verlenen uitstel van betaling van die belasting, kan worden beëindigd.

2.10. Nu niet is gesteld of gebleken dat voor 1 januari 2006 een handeling of omstandigheid heeft plaatsgevonden als bedoeld in voornoemd artikel XXXI Overgangsrecht AWR, moet de beschikking heffingsrente worden vernietigd.

2.11. Nu de aanspraken uit een pensioenregeling en de aanspraken op lijfrente begrepen in de conserverende aanslag zijn verminderd, dient de beschikking revisierente ingevolge artikel 30i van de AWR dienovereenkomstig te worden verminderd naar 20% van (€ 12.408 + € 21.146). Dit resulteert in een bedrag aan revisierente van € 6.710.

2.12. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard.

3. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan op 10 april 2008 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. drs. M.H. van Schaik, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.