Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BD1204

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
14-04-2008
Datum publicatie
08-05-2008
Zaaknummer
AWB 06/3975
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft in 2001 aan twee voormalige werknemers, na de beëindiging van hun dienstverband, netto betalingen gedaan. Belanghebbende slaagt niet in de op haar rustende bewijslast dat de betalingen aan ex-werknemer A zijn terug te voeren op een zodanig (optie)recht, dat de inhouding van loon­belasting en premies over de ter zake van het afstand doen daarvan in 2001 en 2002 genoten betalingen terecht achter­wege is gebleven. Voor de betaling aan ex-werknemer B maakt belanghebbende niet aannemelijk dat de betaling al vóór 1 januari 2001 vorder­baar en inbaar (dan wel rentedragend) was. Het beroep is ongegrond verklaard. Wel wordt de (terechte) verzuimboete verminderd wegens undue delay

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008, 986
FutD 2008-1027
V-N 2008/43.3

Uitspraak

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/3975

Uitspraakdatum: 14 april 2008

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

verweerder.

Eiseres en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende, met dagtekening 26 augustus 2003, over het tijdvak lopend van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2002, een naheffingsaanslag (de naheffings¬aanslag) loonbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd tot een bedrag € 257.810,=, alsmede bij beschikking een verzuimboete van € 4.537,= en een bedrag aan heffingsrente van € 9.946,=.

1.2 Voor het verloop van het geding in de aan deze procedure voorafgaande eerdere procedure tussen partijen met betrekking tot de naheffingsaanslag verwijst de rechtbank naar de uitspraak van deze rechtbank van 22 februari 2006 in de zaak met registratie¬nummer AWB 05/861.

1.3 Gevolggevend aan de in de uitspraak van 22 februari 2006 gegeven opdracht heeft de inspecteur opnieuw uitspraak gedaan op het door belanghebbende tegen de naheffings¬aanslag ingediende bezwaar en in de in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 6 juli 2006 de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

1.4 Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 7 augustus 2006, ontvangen bij de recht¬bank op 9 augustus 2006, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 281. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2007 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende haar directeur, alsmede de inspecteur.

1.6. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de inspecteur. De rechtbank rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

1.7. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1 Belanghebbende heeft in 2001 aan twee voormalige werknemers, na de beëindiging van hun dienstverband, netto betalingen gedaan, en wel van ƒ 72.000 (€ 32.672) aan [werknemer1] en ƒ 216.637 (€ 98.306) aan [werknemer2]. Belanghebbende heeft daarnaast in 2002 aan [werknemer2] nog een netto bedrag van ƒ 230.000 (€ 104.369) betaald.

2.2 De inspecteur heeft de betalingen aan [werknemer1] en [werknemer2] aangemerkt als nettoloon¬betalingen. Voor zover de opgelegde naheffingsaanslag betrekking heeft op de aan [werknemer1] en [werknemer2] gedane betalingen is loonbelasting nageheven tegen het eindheffingstarief van 108,30% van die betalingen. Het aan deze betalingen toe te rekenen deel van de naheffings¬aanslag bedraagt ƒ 561.683 (€ 254.880), onder te verdelen als volgt:

[werknemer2] 2001 ƒ 234.617 = € 106.465

[werknemer2] 2002 ƒ 249.090 = € 113.032

ƒ 483.707 = € 219.497

[werknemer1] 2001 ƒ 77.976 = € 35.383

ƒ 561.683 = € 254.880

Deze bedragen zijn van belanghebbende nageheven, plus een bedrag van € 2.930 wegens te hoge onkostenvergoedingen van de commissarissen. Dat laatste bedrag is niet in geschil. Evenmin is in geschil dat in verband met de betalingen aan [werknemer1] in elk geval € 26.732 kan worden nageheven (overeenkomend met een heffing tegen het proportioneel tarief van 45%).

3. Geschil

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen.

1. Zijn de in 2001 en 2002 aan [werknemer2] gedane betalingen ten onrechte onderworpen aan de heffing van loonbelasting en premies volksverzekeringen?

2. Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, zijn de aan [werknemer2] gedane betalingen dan onderworpen aan de heffing van loonbelasting en premies volks¬verzekeringen tegen het proportioneel tarief van 45% in plaats van het tabeltarief?

3. Is de in 2001 aan [werknemer1] gedane betaling onderworpen aan de heffing van loon¬belasting en premies volksverzekeringen tegen het proportioneel tarief van 45% in plaats van het tabeltarief?

4. Is de verzuimboete terecht opgelegd, en zo ja, dient deze te worden gematigd?

3.2. Belanghebbende is van oordeel dat alle vragen in bevestigende zin moeten worden beantwoord; de inspecteur beantwoordt alle vragen ontkennend.

3.3. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij - al dan niet daarnaar gevraagd - hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven en voor zover voor de te nemen beslissing van belang, toegevoegd:

Belanghebbende:

Notulen van de Raad van commissarissen zijn er niet meer. [werknemer2] was voor mij een belangrijk persoon. Hij heeft een nieuwe wending gegeven aan het bedrijf. Hij gaf aan zijn heil elders te zoeken. In 1997 was ik nog niet klaar voor participatie. Ik was wel van plan aan zijn wens tegemoet te komen. Dit is niet schriftelijk vastgelegd. Het uitgangspunt van de toezegging die ik toen heb gedaan, houd ik vol. Daar zijn de berekeningen ook op gebaseerd. In onze branche wordt niet alles op papier gezet. Het staat niet op papier, maar de toezegging dat hij mocht participeren is nagekomen. Voor hoeveel hij mocht participeren is destijds niet vastgelegd.

De inspecteur:

Ontdaan van alle franje is sprake van betalingen waarover loonbelasting en premie volks¬verzekeringen tegen een tarief van 52% had moeten worden afgedragen. Men was zich hiervan bewust gelet op de berekeningen die zijn gemaakt. In diverse stukken wordt loon¬belasting genoemd. Ten aanzien van de boete heeft de belastingdienst correct gehandeld. Er is een coulant standpunt ingenomen. Het primaire standpunt van de inhoudingspichtige vind ik onbegrijpelijk. De bonus was niet in 2000 al vorderbaar en inbaar

3.4. Belanghebbende concludeert primair tot gegrondverklaring van het beroep, vernieti¬ging van de uitspraken op bezwaar en de boetebeschikking en vermindering van de naheffings¬aanslag tot een bedrag van € 29.662.

Subsidiair concludeert belanghebbende tot gegrondverklaring van het beroep, vernie¬tiging van de uitspraken op bezwaar en de boetebeschikking en vermindering van de naheffings¬aanslag tot een bedrag van € 192.556, naar de rechtbank begrijpt vermeerderd met het niet bestreden gedeelte van de naheffingsaanslag ad € 2.930 ter zake van de onkostenvergoeding van de commissarissen.

3.5. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

De betalingen aan [werknemer2]

4.1. Met betrekking tot deze betalingen gaat het primair om de vraag of de betalingen zijn terug te voeren op een zodanig (optie)recht, dat de inhouding van loon¬belasting en premies over de ter zake van het afstand doen daarvan in 2001 en 2002 genoten betalingen terecht achter¬wege is gebleven. De bewijslast daarvoor ligt bij belanghebbende.

4.2. Met al wat belanghebbende heeft aangevoerd in de gedingstukken en ter zitting bij monde van haar directeur, is slechts aannemelijk geworden dat er, ten tijde van het dienst¬verband van [werknemer2] gesproken is over een mogelijke participatie van [werknemer2] in het vermogen van belanghebbende. Tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de inspecteur heeft belang¬hebbende echter niet aannemelijk gemaakt dat, en zo ja op welke wijze, de “toezegging” aan [werknemer2] op enig moment geconcretiseerd is. Dit betekent dat belanghebbende op wie te dezen de bewijslast rust, er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd is de onbelastbaarheid van de betalingen aannemelijk te maken.

4.3. Ook belanghebbendes subsidiaire stelling dat de betalingen onderworpen zijn aan de heffing van loonbelasting tegen het proportionele tarief van 45% brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

4.4. Hierbij neemt de rechtbank in overweging dat voor heffing tegen het proportioneel tarief van 45% immers alleen dan plaats is, indien niet alleen de aard van de betaling toe¬passing van dit proportioneel tarief rechtvaardigt, maar daarnaast ook vast is komen te staan dat de betalingen al vóór 1 januari 2001 vorder¬baar en inbaar (dan wel rentedragend) waren. De in de overeenkomst van 12 januari 2001 (bijlage 19 bij het verweerschrift) opgenomen artikelen 5 (tarief van 52%) en 6 duiden echter zozeer op het tegendeel van belanghebbendes stelling, dat het - tegenover de gemoti¬veerde betwisting door de inspecteur - op de weg van belang¬hebbende lag haar stelling met bewijs¬krachtige bescheiden te onderbouwen. Nu belanghebbende dat heeft nagelaten en/of daartoe niet in staat is gebleken, kan de rechtbank niet anders concluderen dan dat belanghebbende niet geslaagd is in de op haar rustende last om aannemelijk te maken dat het genietings¬moment van de betalingen als bedoeld in artikel 33 van de Wet op de inkomsten¬belasting 1964 juncto artikel 27, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, vóór 1 januari 2001 lag.

De betaling aan [werknemer1]

4.5. Ook voor deze betaling is de rechtbank van oordeel dat het - tegenover de gemoti¬veer¬de betwisting door de inspecteur - op de weg van belanghebbende lag haar stelling dat de betaling al vóór 1 januari 2001 vorder¬baar en inbaar (dan wel rentedragend) was, met bewijs¬krachtige bescheiden te onderbouwen. Nu belanghebbende dat heeft nagelaten en/of daartoe niet in staat is gebleken, kan de rechtbank ook ten aanzien van deze betaling niet anders concluderen dan dat belanghebbende niet geslaagd is in de op haar rustende last om aanneme¬lijk te maken dat het genietings¬moment van de betaling als bedoeld in artikel 33 van de Wet op de inkom¬sten¬belasting 1964 juncto artikel 27, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, vóór 1 januari 2001 lag.

De verzuimboete

4.6. Bij het opleggen van de naheffingsaanslag is tevens, bij beschikking, op de voet van artikel 67c van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen een verzuimboete opgelegd wegens het niet, dan wel niet tijdig betalen van loonbelasting. De boete van 10% van het bedrag van de naheffingsaanslag is op basis van paragraaf 24 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 gemaximeerd op € 4.537.

4.7 Belanghebbende stelt dat de verzuimboete ten onrechte is opgelegd omdat sprake is van een pleitbaar standpunt en derhalve van afwezigheid van alle schuld en voorts dat wegens undue delay de boete dient te vervallen.

4.8. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij alle in de gegeven omstandigheden van haar in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om te bewerkstelligen dat correct aangifte en afdracht van loonbelasting en premies zou plaats¬vinden. Gezien de grootte van de bedragen en de omstandigheid dat er over eventuele optie¬verleningen niet was vastgelegd, had belanghebbende moeten begrijpen dat de betalingen gevolgen zouden kunnen hebben voor de loonbelasting en premies. De verzuimboete is terecht opgelegd..

4.9. Anders ligt het ten aanzien van het door belanghebbende gestelde omtrent undue delay. Met belanghebbende is de rechtbank van oordeel dat tussen het moment van aankondiging van de boete (juli 2003) en de datum waarop uiteindelijk uitspraak is gedaan op het bezwaar¬schrift zoveel onnodige en niet aan belanghebbende te verwijten vertra¬ging is opgelopen, dat een matiging van de boete, die de rechtbank overigens passend en geboden acht, met 40% (€ 1.815) in de rede ligt.

4.10. Gelet op het hierboven overwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard maar dient de boete te worden verminderd.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt geen reden voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond ;

- vermindert de boete tot € 2.722.

Deze uitspraak is gedaan op 14 april 2008 door mr A.A. den Hartog, voorzitter, mr. W. Brouwer en mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. J.M.C. Hendriks, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.