Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BD0854

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
27-03-2008
Datum publicatie
06-05-2008
Zaaknummer
AWB 06/4624
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen voorlopige aanslag ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft een wel belang bij de voorlopige aanslag ook al is er een definitieve aanslag opgelegd naar nihil. De voorlopige aanslag is niet verrekend met de definitieve en de inspecteur beroept zich in dit verband op interne compensatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008/961
FutD 2008-1021

Uitspraak

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/4624

Uitspraakdatum: 27 maart 2008

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 24 augustus 2006 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2000 opgelegde voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen van f 247.727.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2008 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde, alsmede de inspecteur.

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende heeft over het onderhavige jaar aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen gedaan naar een belastbaar inkomen van f 2.773 negatief. Naar aanleiding en op basis van informatie afkomstig uit een strafrechtelijk onderzoek naar belanghebbende heeft de inspecteur in afwijking van de aangifte de onderhavige voorlopige aanslag opgelegd. Belanghebbende heeft tegen deze voorlopige aanslag bezwaar aangetekend. In dit kader is in overleg met de inspecteur besloten dat belanghebbendes gemachtigde de administratie van de onderneming met betrekking tot de jaren 1999 tot en met 2003 zou reconstrueren. De reconstructie van de administratie was gereed in juni 2005. Daarna is namens de inspecteur bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld naar de genoemde jaren. Volgens de gereconstrueerde jaarrekening over het jaar 2000 heeft belanghebbende over dat jaar een winst genoten van f 35.850. Bij de uitspraak op bezwaar is het belastbaar inkomen verminderd tot f 86.400.

2.2. Naar het oordeel van de rechtbank staat aan de ontvankelijkheid van bezwaar en beroep inzake een voorlopige aanslag niet in de weg dat deze voorlopige aanslag niet is verrekend met een (definitieve) aanslag, ook niet als de (definitieve) aanslag inmiddels onherroepelijk vaststaat. Dit geldt te meer nu de inspecteur zich met betrekking tot het niet verrekenen beroept op het leerstuk van interne compensatie.

2.3. Op grond van artikel 13 van de AWR heeft de inspecteur de bevoegdheid om een voorlopige aanslag op te leggen. In het eerste lid, eerste volzin van artikel 13, van de AWR is bepaald dat het bedrag van de voorlopige aanslag wordt gesteld op ten hoogste het bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld, rekening houdend met eventuele eerdere voorlopige aanslagen en/of voorheffingen. De wijze waarop de inspecteur het bedrag van de voorlopige aanslag berekent, is nader uitgewerkt in artikel 23 van de Uitvoeringsregeling AWR 1994 (Uitvoeringsregeling). Op grond van het eerste lid van artikel 23 van de Uitvoeringsregeling moet het vaststellen van de voorlopige aanslag gerechtvaardigd zijn. Deze rechtvaardiging moet worden gezocht in een significant verschil tussen het te verwachten bedrag van de definitieve aanslag en de voorheffingen en dient met de nodige voorzichtigheid en redelijkheid bepaald te worden.

2.4. De mogelijkheid tegen een voorlopige aanslag in bezwaar en beroep te komen is ingevoerd bij Wet van 20 december 1996, Stb. 659. In het nader rapport naar aanleiding van het advies van de Raad van State over het wetsontwerp dat tot deze wet heeft geleid (Kamerstukken 24868, B, blz. 2), is onder meer het volgende opgemerkt:

"In het belastingrecht is de vrije bewijsleer uitgangspunt. De zogenoemde omkering van de bewijslast betekent een verzwaarde bewijslast voor de belastingplichtige die niet voldoet aan de fiscale inlichtingen- en meewerkverplichtingen, dan wel de fiscale aangifteplicht. (…) Deze verzwaarde bewijslast past niet goed bij het karakter van de voorlopige aanslag. Bij de voorlopige aanslag gaat het immers om de vaststelling van de vermoedelijke belastingschuld, die mede gebaseerd kan zijn op toekomstige feiten. Het gaat derhalve niet zo zeer om de vaststelling van feiten maar vooral om de redelijkheid van vermoedens en schattingen."

Naar de bedoeling van de wetgever kan bij de beoordeling van een bezwaar of (hoger) beroep inzake een voorlopige aanslag omkering van de bewijslast geen toepassing vinden. De bewijslast dat de voorlopige aanslag tot een juist bedrag is vastgesteld, rust derhalve op de inspecteur.

2.5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aan de op hem rustende bewijslast voldaan. Uit de processen-verbaal van het strafrechtelijk onderzoek tegen belanghebbende volgt, naar het oordeel van de rechtbank, dat door of namens belanghebbende onder de kentekens, [00-00-01], [00-00-02], [00-00-03], [00-00-04], [00-00-05], [00-00-06], [00-00-07], [00-00-08], [00-00-09], [00-00-10] en [00-00-11] gestolen auto’s zijn verkocht, alsmede dat ter zake van de in- en verkoop van auto’s onder voormelde kentekens door of namens belanghebbende valse facturen zijn opgemaakt dan wel valse inkoopverklaringen zijn afgegeven. Voor het oordeel met betrekking tot de valselijk opgemaakte documenten hecht de rechtbank met name belang aan de omstandigheid dat sprake is van facturen en/of verklaringen gericht aan of afkomstig van niet bestaande personen c.q. bedrijven dan wel zogeheten ‘katvangers’ bezien in samenhang met het feit dat bij belanghebbende blanco facturen van dergelijke niet bestaande bedrijven zijn aangetroffen. Dat de ex-vriendin van belanghebbende haar verklaring dat zij voor belanghebbende valse facturen heeft opgemaakt later heeft herroepen omdat zij deze verklaring onder dwang zou hebben afgelegd doet aan het oordeel ten aanzien van de valse documenten dan ook niet af.

2.6. Gelet op het overwogene onder 2.5 heeft de inspecteur, naar het oordeel van de rechtbank, met recht kunnen aannemen dat belanghebbende meer winst heeft genoten dan door hem is verantwoord in de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. De hoogte van de voorlopige aanslag na de uitspraak op bezwaar is, gelet op de aan de inspecteur ter beschikking staande gegevens, ook in redelijkheid en met de nodige voorzichtigheid bepaald. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de inspecteur ter voorkoming van dubbeltellingen de verantwoorde omzet en inkoopkosten van auto’s voorzover deze samenhangen met valse documenten buiten beschouwing heeft gelaten.

2.7. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur heeft belanghebbende met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de voorlopige aanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd met betrekking tot het wederrechtelijk verkregen voordeel dan wel de ontneming daarvan kan hem niet baten. De rechtbank overweegt hiertoe dat niet de ontnemingsvordering de grondslag vormt voor het opleggen van de voorlopige aanslag, maar de aan die vordering ten grondslag liggende stukken uit het strafrechtelijk onderzoek. De inspecteur heeft zich aan de hand van deze bewijsmiddelen zelfstandig een oordeel met betrekking tot de voor de belastingheffing van belang zijnde feiten en omstandigheden kunnen vormen. Nu de ontnemingsvordering weliswaar is vastgesteld, maar niet is betaald, bestaat ook in zoverre geen grond om hiermee thans rekening te houden.

2.8. Belanghebbendes stelling dat de hoorplicht is geschonden, wordt door de rechtbank afgewezen. Bij fax van 18 augustus 2006 is belanghebbendes gemachtigde verzocht om contact op te nemen met de inspecteur indien hij wenste te worden gehoord. De gemachtigde heeft in zijn brieven van 18 en 21 augustus 2006 te kennen gegeven dat hij wenste te worden gehoord, maar dat hij vóór het hoorgesprek de beschikking wilde hebben over het rapport van het boekenonderzoek over de jaren 1999 tot en met 2003. In zijn brief van 22 augustus 2006 heeft de inspecteur onder meer vermeld dat over de jaren 1999 en 2000 in het controlerapport geen andere bevindingen zouden worden opgenomen dan die in zijn brieven van 18 augustus 2006 zijn vermeld en dat hierover, wat hem betreft, een hoorgesprek gevoerd zou kunnen worden, alsmede dat het onderzoek over de jaren vanaf 2001 nog niet geheel was afgerond en dat het schrijven van het rapport nog tijd zou kosten. In zijn brief van 23 augustus 2006 geeft de gemachtigde aan dat, nu hij niet kan beschikken over het controlerapport, het horen in de onderhavige zaak geen zin heeft en verzoekt hij de inspecteur om zijn definitieve besluit kenbaar te maken. Uit het voorgaande volgt dat belanghebbende in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord. Voorts beschikte belanghebbende over het strafdossier en was hij, gelet op de brieven van de inspecteur van 18 augustus 2006, bekend met de bevindingen die de inspecteur aan de voorlopige aanslag over 2000 ten grondslag heeft gelegd, welke bevindingen uiteindelijk ook zijn neergelegd in het controlerapport. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat het bepaalde in artikel 7:2 van de Awb is geschonden en dient het feit dat belanghebbende niet is gehoord voor zijn rekening te blijven.

2.9. Gelet op al het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

3. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 27 maart 2008 door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, mr. D. Hund en mr.drs. M.G.J.M. van Kempen, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. J.M.C. Hendriks, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.