Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BC9665

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
09-04-2008
Datum publicatie
16-04-2008
Zaaknummer
463198 cv 07-7055
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Loonvordering; CAO voor het beroepsgoederenvervoer; uitleg art. 26 CAO i.v.m. vaststelling overuren; betaling sancties ex WAHV wegens snelheidsovertredingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0276

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector kanton

Locatie tilburg

zaak/rolnr.: 463198 CV EXPL 07-7055

vonnis d.d. 9 april 2008

inzake

[eiseres],

wonende te Kedichem, gemeente Leerdam,

eiseres,

gemachtigde mr. J. Schnoor, werkzaam bij ARAG-Nederland Algemene Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V.,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid LEEN VAN PELT & ZN B.V.,

gevestigd te Sprang-Capelle,

gedaagde,

gemachtigde mr. J.P.L. Keijzer, werkzaam bij SCT Juridisch Adviesbureau B.V.

Partijen worden hierna ook [eiseres] en Van Pelt genoemd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties,

- de conclusie van antwoord met producties,

- de conclusie van repliek,

- de conclusie van dupliek met producties,

- de akte uitlating producties.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Het geschil

2.1. [eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Van Pelt te veroordelen om aan [eiseres] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:

1. € 338,01 netto aan onterecht ingehouden telefoonkosten

2. € 1.988,65 bruto aan niet uitbetaalde (over)uren

3. € 912,94 bruto aan loon week 38/39

4. € 50,83 netto aan onkostenvergoeding

5. € 410,83 bruto aan onterecht ingehouden vakantiedagen

6. € 72,00 netto aan onterecht ingehouden bekeuringen

7. € 450,00 aan buitengerechtelijke kosten

8. de wettelijke verhoging over 1 t/m 3, 5 en 6 ex artikel 7:625 BW

9. de wettelijke rente over 1 t/m 8 vanaf 1 december 2006 tot aan de dag der algehele voldoening,

alles met veroordeling van Van Pelt in de proceskosten.

2.2. Gedaagde voert verweer.

3. De beoordeling

3.1. Voor de kantonrechter staan de volgende feiten in deze procedure vast. [eiseres] is op grond van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur met ingang van 12 juni 2006 bij Van Pelt werkzaam geworden als chauffeur. [eiseres] kwam op grond van haar voltijdse dienstverband laatstelijk een bruto loon van € 1.825,88, exclusief vakantietoeslag c.a., per vier weken toe. Door opzegging van [eiseres] is aan het dienstverband met ingang van 1 oktober 2006 een einde gekomen. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen van toepassing.

3.2. Tussen partijen is in geschil of aan [eiseres] nog geldsbedragen uit hoofde van haar dienstverband toekomen. De kantonrechter beoordeelt de vorderingen van [eiseres] achtereenvolgens.

3.3. De vordering in verband met telefoonkosten:

Niet in geschil is dat de zakelijk gevoerde telefoongesprekken voor rekening van Van Pelt blijven en dat de privegesprekken voor rekening van [eiseres] mogen worden gebracht. [eiseres] stelt dat van de factuur nr. 1/12 ten bedrage van € 301,46 een bedrag van € 37,65 aan privegesprekken betreft zodat Van Pelt ten onrechte een bedrag van € 263,81 heeft ingehouden. Van de factuur nr. 1/13 ten bedrage van € 91,86 stelt [eiseres] dat zij voor een bedrag van € 17,66 aan privegesprekken heeft gevoerd zodat Van Pelt ten onrechte een bedrag van € 74,20 heeft ingehouden. De door [eiseres] als prive geduide gesprekken betreffen die met het nummer eindigend op 5024. Naar het oordeel van de kantonrechter is het aan [eiseres], die een GSM toestel voor zakelijk gebruik van haar werkgever in gebruik heeft, om een overzicht bij te houden van gevoerde zakelijke en privegesprekken in een geval als hier aan de orde waar de werknemer wel prive mag bellen maar de kosten daarvan voor haar rekening komen. Dat geldt ook voor het bellen naar de voicemail. De werknemer heeft immers ook de keuze een privetoestel te gebruiken. Daar komt bij dat Van Pelt onweersproken heeft gesteld dat in het abonnement een groot aantal zakelijke nummers is begrepen dat geen gesprekskosten meebrengt.Waar [eiseres] heeft volstaan met de stelling dat alleen de nummers eindigend op 5024 privegesprekken betreffen en ondanks de gemotiveerde betwisting bij repliek door Van Pelt geen verdere specificering heeft gegeven is de kantonrechter van oordeel dat zij haar vordering onvoldoende heeft toegelicht. Reeds daarom moet deze vordering worden afgewezen. Ten overvloede geldt dan dat de kantonrechter uit de stellingen van [eiseres] en de zich bij de producties bevindende gespreksspecificaties afleidt dat [eiseres] uitsluitend de “bellen naar mobiel binnenland” gesprekken in aanmerking heeft genomen. De gesprekken vanuit het buitenland betreffen ook veelvuldig het nummer eindigend op 5024 en andere nummers die niet in de zakelijke lijst van Van Pelt zijn opgenomen.

3.4.1. De vordering in verband met (over)uren:

[eiseres] baseert haar vordering ten bedrage van € 1.988,65 op de door haar bijgehouden urenverantwoordingsstaten. Van Pelt verweert zich in hoofdzaak met de stelling dat het loon van [eiseres] overeenkomstig de CAO-bepalingen is berekend, mede rekening houdend met de informatie uit de tachograafschijven, onder aftrek van de pauze- en rusttijden conform de staffel die is opgenomen in bijlage IV bij de CAO en onder aftrek van een aaneengesloten rust met als minimum de in EG-verordening 3820/85 voorgeschreven rusttijden. Van Pelt stelt dat [eiseres] deze in haar berekening niet heeft meegenomen.

3.4.2. De relevante bepalingen uit de hier toepasselijke CAO luiden als volgt.

Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele

kranen 2006/2007

Verbindendverklaring CAO-bepalingen

Artikel 26

Loonberekening

1. a. De functielonen gelden voor 160 diensturen per periode van 4

weken, respectievelijk 174 diensturen per maand.

b. Het bepaalde onder a. laat onverlet dat uitbetaling aan de werknemer

van minimaal 40 uur per week gegarandeerd is. In een

week dat een wachtdag ex artikel 16 lid 2 van deze CAO wordt

toegepast dient minimaal 32 uur per week te worden gegarandeerd.

2. a. Alle diensturen worden uitbetaald onder aftrek van de pauzetijden

conform de staffel welke is opgenomen in bijlage IV en

onder aftrek van de aaneengesloten rust, met als minimum de in

de EEG-Verordening 3820/85 voorgeschreven rusttijden (zie bijlage

IV).

Bij boot- en treinuren gemaakt in een periode van 24 uur mag

maximaal 11 uur aan aaneengesloten rust worden genoteerd met

inachtneming van de staffel van de pauzetijden conform bijlage

IV.

b. De diensturen moeten door de werknemer worden geregistreerd

op een door de werkgever te verstrekken urenverantwoordingsstaat.

Een registratieplicht geldt eveneens voor de uren besteed

aan rust, pauzes en de correcties.

c. De urenverantwoordingsstaat dient minimaal de navolgende gegevens

te bevatten:

– de datum

– de diensttijd alsmede de dagtotalen daarvan

– de rusttijd

– de pauzes

– correcties

– de naam en handtekening van de chauffeur

d. De werknemer ontvangt na controle door de werkgever een voor

akkoord getekend exemplaar van de urenverantwoordingsstaat

terug.

e. De werknemer dient binnen drie maanden na ontvangst van de

urenverantwoordingsstaat als bedoeld onder 2.d schriftelijk aan

de werkgever eventuele bezwaren kenbaar te maken. Wanneer de

werknemer van dat recht geen gebruik maakt, geldt de urenverantwoordingsstaat

vanaf dat moment als bewijs.

f. De werkgever dient de ingevulde urenverantwoordingsstaat gedurende

tenminste een jaar na de datum waarop de invulling

betrekking had, te bewaren.

g. Voor de controle van de urenverantwoordingsstaten dienen de

daarbij behorende tachograafschijven te worden overgelegd.

3.4.3. Niet in geschil is dat Van Pelt bij de loonbetaling het in artikel 26, lid 2 van de CAO besloten liggend systeem wenst te hanteren. Evenmin is in geschil dat [eiseres] de urenverantwoordingsstaten bij Van Pelt heeft ingeleverd. Uitgangspunt van voormeld systeem is dat alle gewerkte uren binnen een dienst in beginsel worden uitbetaald. Uit de artikelen 26, lid 2, sub a t/m g van de CAO volgt naar het oordeel van de kantonrechter dat de urenverantwoordingsstaat het bewijsmiddel is voor de vaststelling van het gewerkte aantal uren tijdens de diensturen. Artikel 26, lid 2, sub e van de CAO noemt de bewijsfunctie met zoveel woorden. Het is aan de werkgever om de overgelegde staten te controleren, mede aan de hand van de tachograafschijven. Het is vervolgens tevens aan de werkgever om de staten na controle voor akkoord te tekenen danwel daarop correcties aan te brengen. Vaststaat dat Van Pelt op de staten geen correcties heeft aangebracht en de staten evenmin voor akkoord heeft ondertekend. Waar gesteld noch gebleken is dat Van Pelt anderszins, ook niet in deze procedure, jegens [eiseres] gemotiveerd bezwaar heeft gemaakt tegen de door [eiseres] ingevulde urenstaten moet het gevolg daarvan zijn dat deze de feitelijk gewerkte uren en genomen pauzes en rusttijden bevatten. De kennelijke rekenfout van 1,75 uur ten aanzien van de periode 12-13 juni 2006, die [eiseres] bij haar berekeningen op grond van die staten heeft gemaakt, dient te worden gecorrigeerd. Voor het overige heeft Van Pelt niet gemotiveerd gesteld dat meer of andere rekenfouten zijn gemaakt.

3.4.4. In geschil is voorts de uitleg van artikel 26, lid 2, sub a van de CAO jo bijlage IV van die CAO. Van Pelt stelt onder verwijzing naar de toelichting loonberekening op de website van Transport en Logistiek Nederland, zijnde de CAO-partij van werkgeverszijde, conform de gegeven voorbeelden te hebben gerekend. [eiseres] stelt dat het niet zo kan zijn dat indien een werknemer in het belang van een werkgever ten gevolge van een opdracht minder pauzeert en/of rust dan wettelijk voorgeschreven, het gevolg daarvan is dat geen loon over gewerkte uren wordt betaald. Dat zou ook niet getuigen van goed werkgeverschap. De kantonrechter houdt het er voor dat de betrokken partijen bij de totstandkoming van de CAO als uitgangspunt hebben genomen dat de werkgever de werknemer in staat stelt de bedongen werkzaamheden te verrichten met inachtneming van de wettelijke regels, in het bijzonder die betreffende rij- en rusttijden. Indien de werknemer aldus zijn werkzaamheden verricht bestaat er geen beletsel de staffel uit bijlage IV te hanteren. Er zal zich immers niet de situatie voordoen dat de werknemer geen loon ontvangt terwijl hij wel bedongen arbeid heeft verricht.

3.4.5. Uitgaand van de juistheid van de urenverantwoordingsstaten is in het geval van [eiseres], bij onverkorte toepassing van genoemde staffel, het gevolg dat haar geen loon wordt betaald over uren waarop zij wel bedongen arbeid heeft verricht. De kantonrechter is allereerst van oordeel dat ook uit de toelichting van werkgeverszijde niet volgt dat de staffel in zo’n situatie onverkort moet worden toegepast. Voor de voorgeschreven rusttijden is in de toelichting niet voorzien in een situatie als hier aan de orde. Voor de voorgeschreven pauzetijden geldt dat de toelichting spreekt van “u kunt toepassen” en “dit betekent echter niet dat u in alle gevallen de maximale aftrek moet toepassen”. Voorts komt toepassing van die staffel in een situatie als hier aan de orde in strijd met het uit de artikelen 7:610 BW jo 7:616 BW voortvloeiende uitgangspunt, te weten dat tegenover het verrichten van bedongen arbeid loon behoort te worden betaald. Dat zou naar het oordeel van de kantonrechter slechts anders zijn indien werknemer door werkgever duidelijk te kennen is gegeven zich aan de voorgeschreven pauze- en rusttijden te houden en dat desalniettemin niet gebeurt. Echter, gesteld noch gebleken is dat van Pelt [eiseres] aldus heeft aangesproken. Dat betekent dat hier de staffel niet onverkort kan worden toegepast, maar dat van de gewerkte uren, pauzes en rusttijden zoals door [eiseres] in haar staten is opgegeven moet worden uitgegaan bij de berekening van het haar toekomende loon. Uit het vorenstaande volgt dat, bij gebreke van overige weren tegen haar berekening, de vordering van [eiseres] behoort te worden toegewezen met inachtneming van een vermindering van 1,75 uur maal € 14,84, derhalve tot een bedrag van € 1.962,68 bruto.

3.5. De vordering in verband met loon over de weken 38 en 39:

[eiseres] heeft gesteld dat haar over deze periode een loon toekomt van € 912,94 bruto. Van Pelt betwist de verschuldigdheid van dat bedrag. Zij stelt voor die periode een loon van € 940,35 aan [eiseres] te hebben betaald. [eiseres] heeft erkend dit bedrag te hebben ontvangen maar stelt bij gebreke van een loonstrook niet te kunnen controleren of het ontvangen bedrag het loon over de weken 38 en 39 van 2006 betreft. Bij conclusie van antwoord heeft Van Pelt een loonstrook over de betreffende periode in het geding gebracht en gesteld dat uit deze loonstrook blijkt dat [eiseres] een nettobedrag toekwam van € 1.288,73 en dat dit in twee termijnen is uitbetaald, op 25 september 2006 een bedrag van € 348,38 en op 9 oktober 2006 het bovenvermelde bedrag van € 940,35. [eiseres] heeft deze met een loonstrook toegelichte stelling van Van Pelt niet meer gemotiveerd betwist. Deze vordering van [eiseres] behoort dan, als zijnde onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd te worden afgewezen.

3.6. De vordering in verband met onkostenvergoeding:

Deze vordering van € 50,83 netto behoort te worden toegewezen nu deze door Van Pelt is erkend.

3.7. De vordering in verband met vakantiedagen:

[eiseres] heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat Van Pelt ten onrechte 4 ½ vakantiedag heeft afgeschreven en niet heeft uitbetaald omdat zij geen vakantie had maar in week 36 van 2006 ziek was. [eiseres] heeft gesteld dat zij zich op 1 september 2006 bij Patric heeft ziekgemeld. Van Pelt betwist dat niet gemotiveerd maar stelt dat haar geen ziekmelding bekend is. In de correspondentie voorafgaand aan de procedure nodigt de gemachtigde van Van Pelt [eiseres] uit haar standpunt met een verklaring van een arts te onderbouwen. De kantonrechter stelt vast dat [eiseres] in deze procedure een verklaring van haar huisarts heeft overgelegd waarin deze vermeldt dat [eiseres] op 1 september 2006 op het spreekuur is geweest in verband met rugklachten. Van Pelt heeft deze verklaring inhoudelijk niet betwist. De kantonrechter houdt deze dan ook voor juist. Op grond daarvan oordeelt de kantonrechter dat Van Pelt haar verweer onvoldoende gemotiveerd heeft gehandhaafd. De vordering van [eiseres] ten bedrage van € 410,83 bruto behoort te worden toegewezen.

3.8. De vordering in verband met bekeuringen:

[eiseres] stelt dat Van Pelt ten onrechte twee bekeuringen van elk € 36,00 voor haar rekening heeft gelaten omdat het snelheidsovertredingen met - na correctie - minder dan 10 km/u betreft. Aldus is volgens [eiseres] geen sprake van opzet of bewuste roekeloosheid. De kantonrechter is met [eiseres] van oordeel dat bij de beoordeling dient te worden uitgegaan van de gecorrigeerde snelheid. De bekeuring is op die snelheid gebaseerd en niet op de vermelde gemeten snelheid waarbij sprake zou zijn van een overtreding met meer dan 10 km/u. Op de gemeten snelheid wordt juist een correctie toegepast omdat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de gemeten snelheid de daadwerkelijk gereden snelheid betreft. Ingevolge art. 7:661 lid 1 BW dient de werkgever de aan hem of aan derden door de schuld van de werknemer bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst toegebrachte schade in beginsel zelf te dragen. Hiermede strookt dat de schade als gevolg van aan de werkgever opgelegde administratieve sancties ter zake van door de wetgever als betrekkelijk lichte overtredingen beschouwde gedragingen als bedoeld in de WAHV, door een werknemer bij de uitvoering van zijn werkzaamheden gepleegd met een door de werkgever ter beschikking gesteld motorvoertuig, behoudens indien zich een van de in art. 7:661 BW genoemde uitzonderingen voordoet, eveneens door de werkgever dient te worden gedragen en door deze niet op de werknemer kan worden verhaald. Van Pelt heeft geen feiten gesteld die de kantonrechter aanleiding geven te oordelen dat hier sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid. Dat betekent dat deze vordering van [eiseres] tot een bedrag van € 72,00 netto behoort te worden toegewezen.

3.9. De door [eiseres] gevorderde toepassing van artikel 7:625 BW is toewijsbaar over de toegewezen vorderingen betreffende (over)uren en vakantiedagen. De overige toegewezen vorderingen zijn naar het oordeel van de kantonrechter niet te verstaan als loon in de zin van atrikel 7:625 BW. Het verzoek om matiging van Van Pelt wordt ten dele toegewezen. Omdat in verband met het dispuut over vakantiedagen pas in deze procedure door [eiseres] een verklaring van een arts is overgelegd wordt de verhoging voor deze post gematigd tot nihil. Voor de vordering betreffende de (over)uren geldt dat het ten dele voor rekening van Van Pelt komt dat daarover een dispuut is ontstaan en niet tijdig loon is betaald. Bij juiste toepassing van de verplichtingen uit artikel 26 van de CAO ten aanzien van de urenverantwoordingsstaten zou dat voorkomen kunnen zijn. Anderzijds is ook niet gebleken dat [eiseres] steeds spoedig na ontvangst van de loonspecificaties bij Van Pelt heeft gereclameerd en heeft aangedrongen op betaling. De vertraagde uitbetaling komt dan ook ten dele voor haar rekening. De verhoging voor deze post wordt dan ook gematigd tot 25%.

3.10 Uit de correspondentie blijkt dat voor [eiseres] andere werkzaamheden zijn verricht dan die waarvoor de artikelen 237 Rv e.v. een vergoeding plegen in te sluiten. Deze vordering tot betaling van buitengerechtelijke kosten wordt toegewezen tot een bedrag van € 450.

3.11. De vordering tot betaling van wettelijke rente over voormelde toegewezen bedragen vanaf 1 december 2006 is eveneens toewijsbaar nu sprake is van verzuim ten aanzien van tijdige betaling en deze vordering voorts inhoudelijk niet is betwist.

3.12. Van Pelt wordt tot slot als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld, deze voor zover aan de zijde van [eiseres] gevallen.

4. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te betalen:

1. terzake van loon, verhoogd met 25% ex artikel 7:625 BW, een bedrag van € 2.453,35 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 december 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

2. terzake van niet uitbetaalde vakantiedagen een bedrag van € 410,83 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 december 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

3. terzake van onkostenvergoeding een bedrag van € 50,83 netto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 december 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

4. terzake van bekeuringen een bedrag van € 72,00 netto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 december 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

5. terzake van buitengerechtelijke kosten een bedrag van € 450,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 december 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt gedaagde in de proceskosten, deze voor zover aan de zijde van eiseres gevallen, tot op heden begroot op € 720,81, waarin begrepen een bedrag van € 437,50 aan salaris;

verklaart deze beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.W.A. van Geloven, kantonrechter te Tilburg, en bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting op 9 april 2008, in tegenwoordigheid van de griffier.