Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BC9167

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
16-03-2008
Datum publicatie
10-04-2008
Zaaknummer
AWB 07/56
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inspecteur beschikt niet over een voor navordering rechtvaardigend nieuw feit, nu de inspecteur heeft verklaard dat de van de verzekeringsmaatschappij ontvangen renseigneringen van betaalde lijfrentepremies over het onderhavige jaar betrouwbaar waren. Daarbij dienen tekortkomingen in de geautomatiseerde gegevensverwerking bij de Belastingdienst, voor rekening en risico van de Belastingdienst te blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/56

Uitspraakdatum: 16 maart 2008

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 27 november 2006 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2003 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2008 te [woonplaats]. De zaken met procedurenummers 07/54, 07/55 en 07/56 zijn daarbij gelijktijdig behandeld. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende , alsmede de inspecteur.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar alsmede de navorderingsaanslag;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 644, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 38 aan deze vergoedt.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende heeft over het onderhavige jaar aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 66.841. Op het inkomen van belanghebbende is in de aangifte een bedrag van € 5.445 aan premie lijfrente in aftrek gebracht.

2.2. In 2005 vindt een boekenonderzoek plaats bij de onderneming van belanghebbende. Het boekenonderzoek betreft onder andere de fiscale aanvaardbaarheid van de tussen belanghebbende en zijn echtgenote in de onderneming toegepaste winstverdeling en de ondernemersfaciliteiten. De conclusies van dit boekenonderzoek hebben eveneens gevolgen voor het onderhavige jaar. Met dagtekening 11 juli 2006 wordt de primitieve aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het onderhavige jaar opgelegd. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de inspecteur rekening gehouden met vorenbedoelde conclusies.

2.3. De Belastingdienst beschikt sinds 26 maart 2004 over een renseignering met betrekking tot de door belanghebbende betaalde premies lijfrente. Volgens de renseignering heeft belanghebbende in het onderhavige jaar € 3.176 betaald aan premie lijfrente.

2.4. Per brief met datum 31 augustus 2006 heeft de gemachtigde van belanghebbende een aanvulling gedaan op de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2004. De gemachtigde vermeldt in voornoemde brief dat er een bedrag ad € 2.269 aan betaalde lijfrentepremies ten onrechte niet in aftrek is gebracht bij de aangifte over het jaar 2004. Naar aanleiding van deze brief stelt de inspecteur een onderzoek in naar de op de lijfrente betrekking hebbende polis, met polisnummer [00000000].

2.5. De inspecteur komt op grond van dit onderzoek tot de conclusie dat de premie lijfrente niet voor aftrek in aanmerking komt nu de polis niet voldoet aan de voorwaarden voor een aftrekbare lijfrentepolis, in de zin van artikel 1.7 van de Wet IB 2001. Met dagtekening 22 september 2006 legt de inspecteur de onderhavige navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen op.

2.6. Tussen partijen is niet in geschil dat in totaal een bedrag van € 5.445 aan lijfrentepremies is betaald en dat enkel voor het bedrag van € 2.269 aan betaalde premie lijfrente de polis niet voldoet aan de gestelde voorwaarden van artikel 1.7 Wet IB 2001.

2.7. Gelet op het voorgaande is enkel tussen partijen in geschil of de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het onderhavige jaar beschikte over een navordering rechtvaardigend nieuw feit in de zin van artikel 16, eerste lid 1, van de AWR.

2.8. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de inspecteur bij het vaststellen van de primitieve aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen mag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld. Tot een ander onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Daarnaast brengt het enkele feit dat de inspecteur ten aanzien van enig punt in de aangifte van belanghebbende een onjuistheid constateert – in dit geval een onjuist bedrag aan winst uit onderneming – nog niet met zich mee dat hij, alvorens tot het opleggen van de aanslag over te gaan, de gehele aangifte aan een onderzoek dient te onderwerpen (vergelijk HR 30 november 1927, B. nr. 4162).

2.9. De inspecteur heeft ter zitting desgevraagd geloofwaardig verklaard dat de van de verzekeringsmaatschappijen ontvangen renseigneringen van betaalde lijfrentepremies over de jaren 2001 en 2002 dermate onbetrouwbaar waren dat naar aanleiding van deze renseigneringen geen onmiddellijke deugdelijke controle kon worden uitgevoerd naar de correctheid van de afgetrokken premies lijfrente in de verschillende aangiften. Die renseignering bestaat eruit dat de verzekeringsmaatschappijen per belastingplichtige aan de belastingdienst meedelen hoeveel voor de lijfrenteaftrek in aanmerking komende lijfrentepremie per belastingplichtige in een bepaald belastingjaar is betaald. De renseigneringen voor de jaren 2001 en 2002 waren onvolledig, uit de gerenseigneerde gegevens kon niet geconcludeerd worden dat dat alle door die belastingplichtige in die belastingjaren aan de verzekeringmaatschappijen voor aftrek in aanmerking komende betaalde lijfrentepremies betrof. Voor het jaar 2003 kan worden aangenomen dat die gegevens wel klopten en dat de Belastingdienst, in ieder geval voor het onderhavige geval, op 26 maart 2004 over die gegevens beschikte.

2.10. De rechtbank acht aannemelijk dat zowel de gegevens van belanghebbendes aangifte als de geresigneerde gegevens van de verzekeringsmaatschappijen, gezien hun massaliteit, geautomatiseerd bij de Belastingdienst aanwezig zijn. Mogelijke tekortkomingen in die geautomatiseerde gegevensverwerking, waardoor een signalering van een discrepantie tussen de aangifte en de geresigneerde gegevens betreffende de betaalde lijfrentepremies achterwege blijft of te laat is, dienen naar het oordeel van de rechtbank voor rekening en risico van de Belastingdienst te blijven. De rechtbank gaat er voor het onderhavige geschil daarom vanuit dat de inspecteur reeds op 26 maart 2004 beschikte over de door belanghebbende in het onderhavige jaar aan de verzekeringsmaatschappij betaalde lijfrentepremie die voor aftrek in aanmerking komt. Nu de primitieve aanslag is vastgesteld op 11 juli 2006 is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een navordering rechtvaardigend nieuw feit in de zin van artikel 16, eerste lid, van de AWR. Het beroep is daarom gegrond verklaard.

2.11. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan op 16 maart 2008 door mr. C.A.F.M. Stassen, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. Jansen, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.