Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BC8920

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
08-04-2008
Datum publicatie
08-04-2008
Zaaknummer
984806-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte en zijn echtgenote zijn veroordeeld terzake het medeplegen van voorbereidingshandelingen van de Opiumwet, meermalen gepleegd.

Verdachte en zijn echtgenote hebben grote hoeveelheden chemicalien in Belgie besteld, opgehaald en vervolgens naar Nederland gebracht. Deze chemicalien zijn uiteindelijk terecht gekomen in opslag- danwel productieplaatsen van synthetische drugs. Verdachten waren eerder door de FIOD/ECD gewaarschuwd dat de stoffen die zij importeerden gebruikt gemaakt konden worden voor de vervaardiging van synthetische drugs. Deze omstandigheid en de omstandigheden waaronder de bestellingen zijn opgehaald en geleverd leiden de rechtbank tot het oordeel dat zij wisten dat de chemicalien die zij leverden gebruikt werden voor de productie van synthetische drugs. De rechtbank heeft geconstateerd dat in het onderzoek gesprekken met geheimhouders te laat zijn vernietigd. Zij verbindt hieraan geen gevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 984806-07

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 april 2008

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [datum en plaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in het huis van bewaring De Boschpoort te Breda,

raadsman mr. Doesburg, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 maart 2008, waarbij de officier van justitie, mr. Robben, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het wetboek van strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich samen met anderen meermalen schuldig heeft gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 De bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis wordt gehecht.

4.2 De bewijsoverwegingen

De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat er bij verdachte geen sprake is geweest van opzet danwel voorwaardelijk opzet. Daartoe voert de verdediging het volgende aan.

Verdachte heeft samen met zijn echtgenote bestellingen bij Caldic geplaatst en opgehaald. Hij heeft dit gedaan op verzoek van de medeverdachte [mededader 1]. Verdachte kende [mededader 1] al meer dan 30 jaar en hij vertrouwde hem. Hij heeft van tevoren nadrukkelijk bij [mededader 1] geïnformeerd naar de bestemming van de stoffen. Volgens [mededader 1] waren de stoffen bestemd voor de schoonmaak en betrof het geen illegale handel.

De verdediging is van mening dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat verdachte wist dat de stoffen bestemd waren voor de productie van synthetische drugs. Evenmin is de handelwijze van verdachte onder genoemde omstandigheden zodanig dat gezegd kan worden dat hij daarmee bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de spullen die hij bestelde en ophaalde gebruikt zouden worden voor de vervaardiging van synthetische drugs.

De verdediging stelt zich primair dan ook op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd.

Subsidiair is het standpunt van de verdediging dat onvoldoende bewijsmiddelen aanwezig zijn om verdachte te veroordelen voor de op de tenlastelegging genoemde leveringen uit 2006, nu van deze leveringen slechts verzendnota’s c.q. facturen van Caldic aan Ribefo in het dossier te vinden zijn.

De rechtbank overweegt het volgende.

Verdachte en zijn echtgenote hebben in 2006 diverse malen chemicaliën besteld o.a. bij het bedrijf Caldic in Belgie. Naar aanleiding van deze leveringen zijn zij in het onderzoek [naam] van de FIOD-ECD als verdachte aangemerkt. Zij zijn van 15 november tot en met 18 november 2006 in verzekering gesteld. Tijdens de verhoren zijn zij uitgebreid ingelicht over de toepassingen van de door hen bestelde chemicaliën bij de productie van synthetische drugs. Deze waarschuwing heeft verdachte en zijn echtgenote echter niet weerhouden van hun handel. Na hun vrijlating zijn zij gewoon doorgegaan met het bestellen en ophalen van grote hoeveelheden chemicaliën.

Reeds op basis van deze omstandigheid is de rechtbank van oordeel dat voor de periode na 18 november 2006 gesteld kan worden dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de chemicaliën die hij bestelde en ophaalde, gebruikt zouden worden voor de vervaardiging van synthetische drugs.

De wijze waarop de chemicaliën vervolgens werden afgeleverd, het feit dat de bus telkens onbeheerd werd achtergelaten op een parkeerplaats, het aantreffen van een ordner met de administratie van Caldic op een verborgen plaats in de woning van verdachte en het feit dat door verdachte en zijn echtgenote wisselende verklaringen zijn afgelegd over de gang van zaken met betrekking tot de leveringen, leiden de rechtbank tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte wist dat de chemicaliën die hij bij Caldic bestelde, ophaalde en naar Nederland vervoerde, bestemd waren voor de productie van synthetische drugs.

Ten aanzien van de levering van 1200 liter zoutzuur op 7 juni 2007 aan [mededader 2] geldt dat verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet had op voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a van de Opiumwet. Ondanks de waarschuwing in 2006 is, zonder te voldoen aan de meldplicht en zonder enig nader onderzoek een grote hoeveelheid chemicaliën geleverd die geschikt is voor de vervaardiging van harddrugs.

Zij verwerpt het primaire verweer van de raadsman.

Ten aanzien van de leveringen uit 2006 en 2007 die niet zijn geobserveerd, overweegt de rechtbank het volgende. In zaaksdossier 7 zijn ten aanzien van deze leveringen facturen en/of verzendnota’s van Caldic Belgium N.V. aan Ribefo Sales Bvba aangetroffen. Van twee leveringen, nl. die van 13 december 2006 en 5 april 2007 bevinden zich facturen in het dossier van Ribefo aan respectievelijk [getuige 1] Beheermaatschappij B.V. d.d. 14 december 2006 en [getuige 2] Vastgoed B.V. d.d. 5 april 2007. Na onderzoek is gebleken dat deze facturen vals zijn. De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] zijn gehoord en beide getuigen hebben verklaard nimmer chemicaliën van Ribefo Bvba te hebben afgenomen.

Hoewel niet duidelijk is waar deze leveringen uiteindelijk terecht zijn gekomen, acht de rechtbank -gelet op het feit dat er naast de facturen van Caldic aan Ribefo ook valse facturen zijn aangetroffen- voldoende bewijs aanwezig om tot een bewezenverklaring te komen van strafbare voorbereidingshandelingen.

Naar de overige, niet geobserveerde leveringen uit 2006 en 2007 is geen nader onderzoek gedaan. Alhoewel er, gelet op de handelwijze van verdachten in 2007, aanwijzingen zijn dat deze chemicaliën eveneens zijn gebruikt voor de productie van synthetische drugs, acht de rechtbank onvoldoende bewijsmiddelen voorhanden om tot een bewezenverklaring van deze leveringen te komen. Zij zal verdachte daarvan dan ook vrijspreken.

4.3 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op tijdstippen gelegen in de periode van 1 juli 2006 tot en met 19 juni 2007 op meerdere plaatsen gelegen in het arrondissement Breda, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen en/of binnen en/of buiten hetgrondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDMA en/of tenamfetamine en/of N-ethyl-MDA en/of (een)

hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine, (telkens) zijnde

MDMA en/of tenamfetamine en/of N-ethyl-MDA en/of amfetamine (een) middel(en)

als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te

bevorderen stoffen en vervoermiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan

verdachte en verdachtes mededaders wisten dat die bestemd waren tot

het plegen van die feiten, hebbende verdachte en verdachtes mededaders,

- in de periode van 15 februari 2007 tot en met 22 februari 2007,

1400 liter, aceton besteld en aanwezig gehad en vervoerd en afgeleverd en

- in de periode van 26 maart 2007 tot en met 27 maart, 800 liter,

mierenzuur besteld en aanwezig gehad en vervoerd en afgeleverd en

- in de periode van 20 maart 2007 tot en met 21 maart 2007, 1400

liter, methanol besteld en aanwezig gehad en vervoerd en afgeleverd en

- in de periode van 10 mei 2007 tot en met 14 mei 2007, 1200

liter, zoutzuur en 1000 liter, methanol besteld en aanwezig gehad en vervoerd en

afgeleverd en in de periode van 10 april 2007 tot en met 11 april 2007, 800

liter, zoutzuur besteld en aanwezig gehad en vervoerd en afgeleverd en

- in de periode van 6 juni 2007 tot en met 7 juni 2007, 1200

liter, zoutzuur besteld en aanwezig gehad en vervoerd en afgeleverd en op 13 december 2006, 960 kilogram een hoeveelheid, mierenzuur besteld en afgenomen en op 5 april 2007, 920 kilogram, zoutzuur besteld en aanwezig gehad en vervoerd

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 5 jaar.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is aangevoerd dat geheimhoudersgesprekken niet steeds tijdig zijn vernietigd. Ingevolge artikel 126aa van het Wetboek van strafvordering, gelezen in samenhang met artikel 4 lid 3 van het Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken, dienen dergelijke gesprekken terstond te worden verwijderd. Deze omissie van het openbaar ministerie, zo stelt de verdediging, is een vormverzuim op grond waarvan artikel 359a van het Wetboek van strafvordering kan worden toegepast, waarbij wordt gewezen naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 december 2007 in het proces tegen de Hells Angels. (LJN: BC0685). In dit geval wordt gepleit voor strafreductie.

Voorts heeft de verdediging gewezen op de rol van verdachte. Van belang is dat verdachte ver weg stond van de uiteindelijke productie van de drugs en dat hij slechts een schakel is geweest in het geheel.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft samen met zijn echtgenote diverse malen grote hoeveelheden chemicaliën besteld bij het Belgisch bedrijf Caldic te Hemiksem. Zij haalden deze chemicaliën vervolgens op in een bestelbus. De chemicaliën werden naar Nederland gebracht. De bus werd achtergelaten op een parkeerplaats bij de C1000 in Oud Gastel, waarna de bus korte tijd later weer door anderen werd meegenomen. Uiteindelijk is middels observatie vastgesteld dat deze chemicaliën terecht zijn gekomen op productie- dan wel danwel opslagplaatsen voor synthetische drugs. Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet.

De rechtbank acht dit een ernstig feit. Door zijn handelwijze heeft verdachte een belangrijk aandeel gehad in het op de markt brengen van harddrugs. De productie van en handel in drugs dient naar het oordeel van de rechtbank krachtig te worden bestreden in verband met de schadelijkheid voor de volksgezondheid.

De officier van justitie heeft ter zitting erkend dat meerdere geheimhoudersgesprekken in dit onderzoek te laat zijn vernietigd. Hij merkt op dat onder meer naar aanleiding van de uitspraak in de zaak tegen de Hells Angels hij de onderzoeksleider in dit onderzoek opdracht heeft verstrekt tot een extra zoekslag onder de opgenomen telefoongesprekken naar gesprekken met geheimhouders. De aanvankelijk niet als zodanig herkende gesprekken in de maanden maart en april 2007 zijn alsnog door het onderzoeksteam in een proces-verbaal van 7 december 2007 gerelateerd. Op grond van deze informatie heeft de officier van justitie bevelen tot vernietiging gegeven d.d. 11 december 2007 (blz. 2496 e.v. dossier). De gesprekken zijn door het onderzoeksteam daarop vernietigd.

Door de verdediging is de door de officier van justitie gegeven feitelijke toelichting niet weersproken.

Uit de vernietigingsbevelen gelezen in samenhang met voornoemd proces-verbaal volgt naar het oordeel van de rechtbank dat geheimhoudersgesprekken niet terstond (lees: niet tijdig) zijn vernietigd en dat daarmee is gehandeld in strijd met de geldende voorschriften. De vraag is of deze constatering, waarbij sprake is van een tijdsverloop van ruim 7 maanden tussen het opnemen en het bevel tot vernietigen van deze gesprekken, moet leiden tot een van de sancties vermeld in artikel 359a Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank is van oordeel dat niet gesproken kan worden van eenzelfde situatie als in het proces tegen de Hells Angels. Uit de uitspraak in die strafzaak blijkt dat er sprake was van ernstige, grootschalige en herhaaldelijke inbreuken op regelgeving ter waarborging van het verschoningsrecht, onder meer bestaande uit het zonder machtiging van de rechter-commissaris toevoegen aan het procesdossier van gesprekken die vallen onder het verschoningsrecht. Verder waren gesprekken met verschoningsgerechtigden gebruikt bij het aanvragen van een bevel tot stelselmatige observatie en verzoeken tot het afluisteren van telefoongesprekken. Van een dergelijke grove en grootschalige inbreuk op het verschoningsrecht is in deze strafzaak niet gebleken. De rechtbank gaat er in deze zaak van uit dat de te late vernietiging het gevolg is geweest van het feit dat de politie onvoldoende alert is geweest op de aanwezigheid van gesprekken met geheimhouders en dat sprake is van een omissie van geringe omvang. Hoewel het handelen in dit geval betrekking heeft op een elementair grondrecht, acht de rechtbank de geconstateerde tekortkoming, gelet op de geringe ernst van het verzuim en het ontbreken van nadeel voor de verdachte, niet van zodanige aard dat dit moet leiden tot toepassing van de sancties genoemd in lid 1 van artikel 359a van het Wetboek van strafvordering.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat volstaan kan worden met de constatering van de beschreven omissie.

Het verzoek tot strafreductie zal derhalve worden gepasseerd.

Voor het bepalen van de straf acht de rechtbank het aantal leveringen en de omvang van die leveringen van belang. In het dossier bevindt zich een berekening waaruit blijkt dat met de door verdachte en zijn echtgenote geleverde chemicaliën enorme hoeveelheden drugs konden worden geproduceerd. Een andere factor betreft de rol van verdachte. Duidelijk is geworden dat die rol eindigde op het moment dat de bus werd neergezet op de parkeerplaats in Oud Gastel. Verdachte en zijn echtgenote maken de vervaardiging van synthetische drugs weliswaar mogelijk, maar er is niet gebleken van enige directe betrokkenheid bij de productie ervan.

De rechtbank heeft kennis genomen van het voorlichtingsrapport dat over verdachte is uitgebracht. In de persoonlijke omstandigheden van verdachte ziet zij geen reden tot matiging van de straf.

Alles afwegend en gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd, acht de rechtbank een gevangenisstraf van 48 maanden op zijn plaats. In de omstandigheid dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten met politie en justitie in aanraking is gekomen, ziet de rechtbank reden een deel van deze straf, te weten 6 maanden, in voorwaardelijke vorm op te leggen. Zij beoogt hiermee tevens verdachte in de toekomst te weerhouden van het plegen van strafbare feiten.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 47, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen de artikelen 2, 10, 10a, 13 en 14 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.3 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 48 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. Alferink, voorzitter, mr. Van Gameren en mr. Veldhuizen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Roebroeks en A. van Beijsterveldt, griffiers, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 8 april 2008.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

hij op of omstreeks 29 juni 2006 op een of meerdere plaats(en) gelegen in het

arrondissement Breda, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het derde of

vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden

en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of

verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen en/of binnen en/of buiten het

grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelhe(i)d(en) van een

materiaal bevattende MDMA en/of tenamfetamine en/of N-ethyl-MDA en/of (een)

hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine, (telkens) zijnde

MDMA en/of tenamfetamine en/of N-ethyl-MDA en/of amfetamine (een) middel(en)

als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te

bevorderen (telkens)

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen

tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- (een) voorwerp(en) en/of (een) stof(fen) en/of (een) vervoermiddel(en) en/of

geld(en) en/of (een) ander(e) betaalmiddel(en) voorhanden heeft gehad, waarvan

verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige

reden had(den) om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen

van dat/die feit(en),

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s),

opzettelijk daartoe,

- 495 kilogram, in elk geval een hoeveelheid, aceton besteld en/of afgenomen;

(ZAAKSDOSSIER 7)

en/of

hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1

juli 2006 tot en met 19 juni 2007 op een of meerdere plaats(en) gelegen in het

arrondissement Breda, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of

vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden

en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of

verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen en/of binnen en/of buiten hetgrondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelhe(i)d(en) van een

materiaal bevattende MDMA en/of tenamfetamine en/of N-ethyl-MDA en/of (een)

hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine, (telkens) zijnde

MDMA en/of tenamfetamine en/of N-ethyl-MDA en/of amfetamine (een) middel(en)

als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te

bevorderen (telkens)

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen

tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- (een) voorwerp(en) en/of (een) stof(fen) en/of (een) vervoermiddel(en) en/of

geld(en) en/of (een) ander(e) betaalmiddel(en) voorhanden heeft gehad, waarvan

verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) (telkens) wist(en)

of ernstige reden had(den) om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot

het plegen van dat/die feit(en),

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s), (telkens)

opzettelijk daartoe meermalen, althans eenmaal,

- in of omstreeks de periode van 15 februari 2007 tot en met 22 februari 2007,

1400 liter, in elk geval een hoeveelheid, aceton besteld en/of aanwezig gehad

en/of vervoerd en/of afgeleverd (ZAAKSDOSSIER 1) en/of

- in of omstreeks de periode van 26 maart 2007 tot en met 27 maart, 800 liter,

in elk geval een hoeveelheid, mierenzuur besteld en/of aanwezig gehad en/of

vervoerd en/of afgeleverd (ZAAKSDOSSIER 2) en/of

- in of omstreeks de periode van 20 maart 2007 tot en met 21 maart 2007, 1400

liter, in elk geval een hoeveelheid, methanol besteld en/of aanwezig gehad

en/of vervoerd en/of afgeleverd (ZAAKSDOSSIER 3) en/of

- in of omstreeks de periode van 10 mei 2007 tot en met 14 mei 2007, 1200

liter, in elk geval een hoeveelheid, zoutzuur en/of 1000 liter, in elk geval

een hoeveelheid, methanol besteld en/of aanwezig gehad en/of vervoerd en/of

afgeleverd (ZAAKSDOSSIER 4) en/of

- in of omstreeks de periode van 10 april 2007 tot en met 11 april 2007, 800

liter, in elk geval een hoeveelheid, zoutzuur besteld en/of aanwezig gehad

en/of vervoerd en/of afgeleverd (ZAAKSDOSSIER 5) en/of

- in of omstreeks de periode van 6 juni 2007 tot en met 7 juni 2007, 1200

liter, in elk geval een hoeveelheid, zoutzuur besteld en/of aanwezig gehad

en/of vervoerd en/of afgeleverd (ZAAKSDOSSIER 6) en/of

- op of omstreeks 31 augustus 2006, 825 kilogram, in elk geval een

hoeveelheid, aceton besteld en/of afgenomen (ZAAKSDOSSIER 7) en/of

- op of omstreeks 4 september 2006, 330 kilogram, in elk geval een

hoeveelheid, aceton besteld en/of afgenomen (ZAAKSDOSSIER 7) en/of

- op of omstreeks 26 september 2006, 1200 kilogram, in elk geval een

hoeveelheid, mierenzuur besteld en/of afgenomen (ZAAKSDOSSIER 7) en/of

- op of omstreeks 29 september 2006, 790 kilogram, in elk geval een

hoeveelheid, methanol besteld en/of afgenomen (ZAAKSDOSSIER 7) en/of

- op of omstreeks 13 december 2006, 960 kilogram, in elk geval een

hoeveelheid, mierenzuur besteld en/of afgenomen (ZAAKSDOSSIER 7) en/of

- op of omstreeks 19 maart 2007, 1200 kilogram, in elk geval een hoeveelheid,

mierenzuur besteld en/of afgenomen (ZAAKSDOSSIER 7) en/of

- op of omstreeks 5 april 2007, 920 kilogram, in elk geval een hoeveelheid,

zoutzuur besteld en/of aanwezig gehad en/of vervoerd en/of afgeleverd

(ZAAKSDOSSIER 7) en/of

- op of omstreeks 14 juni 2007, 1150 kilogram, in elk geval een hoeveelheid,

zoutzuur besteld en/of afgenomen (ZAAKSDOSSIER 7) en/of

- op of omstreeks 20 december 2006, 900 liter, in elk geval een hoeveelheid,

zoutzuur besteld en/of afgenomen (ZAAKSDOSSIER 7) en/of

- op of omstreeks 21 december 2006, 900 liter, in elk geval een hoeveelheid,zoutzuur besteld en/of afgenomen (ZAAKSDOSSIER 7) en/of

- op of omstreeks 10 januari 2007, 900 liter, in elk geval een hoeveelheid,

zoutzuur besteld en/of afgenomen (ZAAKSDOSSIER 7) en/of

- op of omstreeks 2 februari 2007, 350 liter, in elk geval een hoeveelheid,

zwavelzuur besteld en/of afgenomen (ZAAKSDOSSIER 7) en/of

- op of omstreeks 19 februari 2007, 500 kilogram, in elk geval een hoeveelheid

Natrium Hydroxide parels, besteld en/of afgenomen (ZAAKSDOSSIER 7) en/of

- op of omstreeks 12 maart 2007, 1025 liter, in elk geval een hoeveelheid,

zoutzuur besteld en/of afgenomen (ZAAKSDOSSIER 7) en/of

- op of omstreeks 14 maart 2007, 1000 kilogram, in elk geval een hoeveelheid,

Natrium Hydroxide parels besteld en/of afgenomen (ZAAKSDOSSIER 7) en/of

- op of omstreeks 5 juni 2007, 350 liter, in elk geval een hoeveelheid,

zwavelzuur besteld en/of afgenomen (ZAAKSDOSSIER 7);

(ZAAKSDOSSIERS 1,2,3,4,5,6 en 7)

art 10a lid 1 ahf/sub 3 alinea Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht