Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BC8914

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
08-04-2008
Datum publicatie
08-04-2008
Zaaknummer
02-984821-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte was producent van amfetamine in een door hem gehuurde ruimte in een loods te Berkel Enschot. In een door hem gehuurde garagebox te Tilburg werd 144 kilo amfetamine aangetroffen. Constatering van ommissie betreffende vernieting van gesprekken met geheimhouders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 02-984821-07

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 april 2008

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum [adres]

wonende [adres]

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting te Arnhem, Huis van Bewaring Arnhem Zuid

raadsman mr. R.P.G. van der Weide, advocaat te Amsterdam

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 maart 2008, waarbij de officier van justitie, mr. Robben, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1:

samen met anderen amfetamine heeft geproduceerd;

feit 2:

samen met anderen 144 kilogram amfetamine in zijn bezit heeft gehad.

3 De voorvragen

3.1 De dagvaarding is geldig.

3.2 De rechtbank is bevoegd.

3.3 De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

De officier van justitie heeft ter zitting erkend dat meerdere geheimhoudersgesprekken in dit onderzoek te laat zijn vernietigd. Hij merkt op dat onder meer naar aanleiding van de uitspraak in de zaak tegen de Hells Angels hij de onderzoeksleider in dit onderzoek opdracht heeft verstrekt tot een extra zoekslag onder de opgenomen telefoongesprekken naar gesprekken met geheimhouders. De aanvankelijk niet als zodanig herkende gesprekken in de maanden maart en april 2007 zijn alsnog door het onderzoeksteam in een proces-verbaal van 7 december 2007 gerelateerd. Op grond van deze informatie heeft de officier van justitie bevelen tot vernietiging gegeven d.d. 11 december 2007 (blz. 2496 e.v. dossier). De gesprekken zijn door het onderzoeksteam daarop vernietigd.

Uit de vernietigingsbevelen gelezen in samenhang met voornoemd proces-verbaal volgt naar het oordeel van de rechtbank dat geheimhoudersgesprekken niet terstond (lees: niet tijdig) zijn vernietigd en dat daarmee is gehandeld in strijd met de geldende voorschriften. De vraag is of deze constatering, waarbij sprake is van een tijdsverloop van ruim 7 maanden tussen het opnemen en het bevel tot vernietigen van deze gesprekken, moet leiden tot een van de sancties vermeld in artikel 359a van het Wetboek van strafvordering.

De rechtbank is van oordeel dat niet gesproken kan worden van eenzelfde situatie als in het proces tegen de Hells Angels. Uit de uitspraak in die strafzaak blijkt dat er sprake was van ernstige, grootschalige en herhaaldelijke inbreuken op regelgeving ter waarborging van het verschoningsrecht, onder meer bestaande uit het zonder machtiging van de rechter-commissaris toevoegen aan het procesdossier van gesprekken die vallen onder het verschoningsrecht. Verder waren gesprekken met verschoningsgerechtigden gebruikt bij het aanvragen van een bevel tot stelselmatige observatie en verzoeken tot het afluisteren van telefoongesprekken. Van een dergelijke grove en grootschalige inbreuk op het verschoningsrecht is in deze strafzaak niet gebleken. De rechtbank gaat er in deze zaak van uit dat de te late vernietiging het gevolg is geweest van het feit dat de politie onvoldoende alert is geweest op de aanwezigheid van gesprekken met geheimhouders en dat sprake is van een omissie van geringe omvang. Hoewel het handelen in dit geval betrekking heeft op een elementair grondrecht, acht de rechtbank de geconstateerde tekortkoming, gelet op de geringe ernst van het verzuim en het ontbreken van mogelijk nadeel voor de verdachte, niet van zodanige aard dat dit moet leiden tot toepassing van de sancties genoemd in lid 1 van artikel 359a van het Wetboek van strafvordering.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat volstaan kan worden met de constatering van de beschreven omissie.

De rechtbank acht geen termen aanwezig om strafreductie toe te passen.

3.4 Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 De bewijsmiddelen

De rechtbank acht de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 21 maart 2008 en afgelegd bij de politie d.d. 24 mei 2007;

- het proces-verbaal van doorzoeking [adres] d.d. 25 mei 2007;

- het proces-verbaal van doorzoeking [adres] d.d. 23 mei 2007;

- het deskundigenrapport van het NFI d.d. 10 oktober 2007;

- het deskundigenrapport van het NFI d.d. 17 augustus 2007.

4.2 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 1:

op tijdstip(pen) gelegen in de periode van 01 september 2006 tot en met 22 mei 2007 te Berkel-Enschot, gemeente Tilburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk heeft vervaardigd en bereid en bewerkt en verwerkt hoeveelhed(en) van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

feit 2:

op 22 mei 2007 te Tilburg tezamen en in vereniging met een

ander of anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 144 kilogram van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd voor het tenlastegelegde onder 1 en 2 op te leggen een gevangenisstraf van 4 jaar en 6 maanden met aftrek van voorarrest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat zij de eis van de officier van justitie disproportioneel acht, welke eis op grond van een tiental omstandigheden zou moeten worden gematigd, waaronder: de van meet af aan bekennende en open proceshouding van verdachte, zijn beperkte rol als ‘loopjongen’, het feit dat deze rol hem financieel nauwelijks iets heeft opgeleverd, verdachte’s blanco strafblad, de bestraffing in soortgelijke zaken, de omstandigheid dat verdachte door grote schulden tot de feiten is gekomen en het persoonlijk leed dat hij thans dagelijks ondergaat vanwege een gewijzigde gezinssituatie. De verdediging stelt voor op te leggen, gelet op het voorarrest, een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk dan wel een gevangenisstraf van 25 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 22 mei 2007 werd verdachte, nadat hij enkele dagen daarvoor door de politie was geobserveerd, bij een doorzoeking in een bedrijfspand aan de Rhijnkant te Berkel Enschot aangehouden. Op het moment dat de politie binnentrad, was hij samen met medeverdachte [mededader 1] in dit pand bezig met het produceren van amfetamine. De politie doorzocht kort daarna garagebox [no] aan de Korvelseweg te Tilburg. De garageboxen aan de Korvelseweg waren bij de observaties wel in beeld, maar niet helder was om welke garagebox het ging. Dit werd pas duidelijk nadat de sleutel van de betreffende garagebox in de auto van verdachte was gevonden. In garagebox [no] trof de politie 144 kilo amfetamine aan, verpakt in meerdere sporttassen. Verdachte bleek zowel huurder te zijn van een afgeschermd gedeelte van de loods aan de Rhijnkant te Berkel Enschot, waar het laboratorium was ingericht, als van de garagebox aan de Korvelseweg te Tilburg. Deze garagebox diende als opslagplaats voor de voor productie benodigde chemicaliën en voor de vervaardigde eindproducten.

De rechtbank acht de bewezenverklaarde feiten ernstig.

Verdachte heeft zich ingelaten met deze criminele activiteiten om extra inkomsten te verwerven, zodat hij zijn oplopende schulden kon afbetalen. Hij heeft kennelijk niet stil gestaan bij de mogelijke nadelige effecten voor anderen. Van de inname van amfetamine is bekend dat het de weerstand van het lichaam negatief beïnvloedt en dat lichaamsfuncties kunnen worden aangetast. Niet alleen voor de gebruikers van synthetische drugs, maar ook voor anderen brengt de productie hiervan risico’s met zich mee. De rechtbank wijst daarbij op de reële kans van ontploffingsgevaar, dat kan optreden bij de ondeskundige en onverantwoorde verwerking van diverse chemicaliën in een illegaal drugslaboratorium. Dit levert met name een aanzienlijk gevaar op voor de direct omwonenden, alsmede omliggende bedrijven en hun werknemers. Veelvuldig wordt ook schade aan het milieu veroorzaakt doordat de bij de productie vrijkomende chemische afvalstoffen in het riool of in open wateren worden geloosd.

De rechtbank beschouwt, anders dan de verdediging, verdachte niet als ‘loopjongen’, maar als de daadwerkelijke producent van synthetische drugs. In dat opzicht is zijn rol gelijk aan die van medeverdachte [mededader 1], zij het dat verdachte ook nog eens de loods en de garagebox huurde. Bij de bepaling van de strafmaat acht de rechtbank met name van belang de omschreven rol van verdachte, de aanzienlijke hoeveelheid amfetamine die in de garagebox aan de Korvelseweg te Tilburg was aangetroffen en de omstandigheid dat het drugslaboratorium aan de Rhijnkant te Berkel Enschot niet zeer professioneel was ingericht.

De rechtbank heeft voor de bepaling van de strafmaat in het voordeel van verdachte in aanmerking genomen dat hij openheid heeft betracht, hij ter zitting spijt heeft betuigd, hetgeen op de rechtbank oprecht is overgekomen, en het bewezenverklaarde hem nauwelijks financieel voordeel heeft opgeleverd. Tevens heeft de rechtbank ten gunste van verdachte meegewogen dat hij een nagenoeg blanco strafblad heeft.

Alles overziend kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een gevangenisstraf. De rechtbank zal, gelet op de straffen die in vergelijkbare situaties worden opgelegd, een lagere straf opleggen dan die is gevorderd door de officier van justitie. Zij zal een straf opleggen die 6 maanden lager is dan bij medeverdachte [mededader 1], welk onderscheid is gelegen in het gegeven dat verdachte een open proceshouding heeft getoond en oprecht spijt heeft. Daarnaast ziet zij aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 47, 57 en 91 van het Wetboek van strafrecht en de artikelen 2, 10, 13 en 14 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.2 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 42 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Gameren, voorzitter, mr. Alferink en mr. Veldhuizen, rechters, in tegenwoordigheid van Van Beijsterveldt en mr. Roebroeks, griffiers, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 8 april 2008.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

feit 1:

hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 01

september 2006 tot en met 22 mei 2007 te Berkel-Enschot, gemeente Tilburg,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

heeft vervaardigd en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt (een)

hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

(ZAAKSDOSSIER 4)

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

feit 2:

hij op of omstreeks 22 mei 2007 te Tilburg tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer

144 kilogram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende

amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I;

(ZAAKSDOSSIER 4)

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht