Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BC8335

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
27-03-2008
Datum publicatie
02-04-2008
Zaaknummer
801420-07 + 620794-05(vord.tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Slaan met ijzeren pijp op hoofd. Feit: Poging tot zware mishandeling. De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging vanwege psychische overmacht. De raadsman bepleit ontslag van alle rechtsvervolging vanwege noodweerexces. De rechtbank verwerpt deze strafuitsluitingsgronden en acht verdachte strafbaar, doch legt een straf op gelijk aan het voorarrest, te weten 16 dagen gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummers: 801420-07 + 620794-05(vord.tul)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 maart 2008

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [datum en plaats],

wonende te [adres]

raadsman mr. Van Gils, advocaat te Tilburg.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 maart 2008, waarbij de officier van justitie, mr. Van Aken, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel dat verdachte deze [slachtoffer] heeft mishandeld.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 De bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis wordt gehecht.

4.2 De bewijsoverwegingen

De rechtbank stelt vast dat aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 5 december 2007 een afspraak heeft gemaakt met [verdachte] om elkaar die avond in Kaatsheuvel te ontmoeten. Eenmaal in Kaatsheuvel aangekomen zag [slachtoffer] dat [verdachte] op hem af kwam lopen met een ijzeren staaf in zijn handen. [slachtoffer] verklaart verder dat hij achter een auto is gekropen en dat [verdachte] naar hem toe kwam en hem met de ijzeren staaf op zijn hoofd en even later, toen hij opkrabbelde, op zijn been heeft geslagen.

Verdachte bevestigt in zijn verklaring tegenover de politie van 6 december 2007 dat hij met [slachtoffer] heeft afgesproken elkaar in Kaatsheuvel op de avond van 5 december 2007 te ontmoeten. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij zich had voorgenomen om [slachtoffer] die avond een klap te verkopen. Toen hij die avond met de auto in Kaatsheuvel aankwam heeft hij naar eigen zeggen uit voorzorg een ijzeren pijp uit de auto gepakt. Toen hij [slachtoffer] half achter een auto zag zitten en zag dat [slachtoffer] uit hurkstand overeind kwam, heeft hij met die ijzeren pijp een tik tegen de benen van [slachtoffer] gegeven. Vervolgens heeft verdachte, toen hij zag dat [slachtoffer] overeind kwam en op hem afvloog, ter afwering met de ijzeren pijp een klap op het voorhoofd gegeven van [slachtoffer]. Verdachte heeft daarnaast verklaard dat hij wel heeft geslagen, maar dat het maar een tik was en dat hij, als hij [slachtoffer] dood had willen slaan, veel harder had moeten slaan, hetgeen niet zijn bedoeling was.

De rechtbank acht op grond van de verklaringen van [slachtoffer] en verdachte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] met een hard voorwerp op zijn hoofd en tegen zijn been heeft geslagen. Dat de verklaringen van [slachtoffer] en verdachte uiteenlopen daar waar het de volgorde van lichaamsdelen waarop geslagen is betreft, zoals door de raadsman terecht is vastgesteld, doet naar het oordeel van de rechtbank niet aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen af. Deze wisseling van volgorde kan te verklaren zijn door de hectiek van het moment en door de verschillende belevenis van de gebeurtenissen bij zowel het slachtoffer als bij verdachte.

Uit het dossier is gebleken dat [slachtoffer] na de hiervoor beschreven gebeurtenis letsel aan de linkerzijde van zijn hoofd had, bestaande uit een bloedende hoofdwond. Niet is gebleken van ernstig letsel aan het hoofd van [slachtoffer].

De rechtbank is, uitgaande van de verklaring van verdachte dat hij slechts een tik tegen het hoofd heeft gegeven en gelet op het opgelopen letsel van [slachtoffer], van oordeel dat geen sprake is geweest van een situatie dat verdachte zich willens en wetens aan de aanmerkelijke kans heeft blootgesteld dat [slachtoffer] door het slaan met de pijp op zijn hoofd het leven zou verliezen. Hij heeft zich wel willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] door het slaan op het voorhoofd en tegen het been zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Derhalve was diens opzet - in de zin van voorwaardelijk op¬zet - op die zware mishandeling gericht.

4.3 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 05 december 2007 te Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe tebrengen, met dat opzet die [slachtoffer] met een hard voorwerp, opdiens hoofd en tegen diens be(e)nheeft geslagen, terwijl

de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte een beroep op noodweerexces toekomt. Volgens de raadsman heeft verdachte, toen [slachtoffer] overeind kwam en op verdachte afvloog, ter afwering met de pijp op het hoofd van [slachtoffer] geslagen. Verdachte zou niet geweten hebben wat [slachtoffer] van plan was en heeft onder dreiging van geweld van de kant van [slachtoffer] geslagen. Derhalve was sprake van een noodweersituatie. Verdachte heeft weliswaar de grenzen van noodzakelijke verdediging overschreden, maar dat was het gevolg van een hevige gemoedsbeweging, aldus de raadsman.

De officier van justitie is van mening dat verdachte heeft gehandeld vanuit psychische overmacht. Gelet op hetgeen in het dossier is beschreven over de voorgeschiedenis van de gebeurtenissen van 5 december 2007, leefde verdachte volgens de officier van justitie onder een zodanige psychische druk dat redelijkerwijs niet van hem verlangd kon worden dat hij, toen hij zich gedwongen voelde met [slachtoffer] die avond in Kaatsheuvel af te spreken, anders handelde dan hij daadwerkelijk heeft gedaan.

Zoals onder 4.2 is vastgesteld, heeft verdachte met [voornaam] [slachtoffer] afgesproken elkaar in Kaatsheuvel op de avond van 5 december 2007 te ontmoeten. [slachtoffer] had door de telefoon dreigend tegen verdachte gezegd dat als verdachte en [vriendin van verdachte] die avond niet naar Kaatsheuvel zouden komen, hij, [slachtoffer], de woning aan de [adres 1], zijnde het oude postadres van [vriendin van verdachte], in de fik zou steken. Hetzelfde zou [slachtoffer] doen met de woning aan de [adres 2], zijnde het postadres van verdachte.

Uit de verklaring van verdachte, de verklaring van zijn vriendin [vriendin van verdachte] [achternaam van vriendin], zijnde de ex-vrouw van [slachtoffer], en de door de raadsman overgelegde stukken blijkt dat [slachtoffer] al langere tijd bezig was met het stalken van [vriendin van verdachte] [achternaam van vriendin], haar dochter [naam van dochter] en verdachte. [slachtoffer] is op 23 mei 2007 terzake van deze stalking veroordeeld en zou op 14 maart 2008 wederom terecht moeten staan voor stalking van [vriendin van verdachte] [achternaam van vriendin] en haar dochter [naam van dochter], ditmaal gepleegd in de periode van 31 mei 2007 tot en met 6 november 2007.

Verdachte heeft verklaard dat hij door dit alles - en met name het laatste dreigende telefoontje op 5 december 2007 - zo kwaad was dat hij tegen [slachtoffer] heeft gezegd dat hij die avond samen met [vriendin van verdachte] [achternaam van vriendin] op de afgesproken tijd in Kaatsheuvel zou zijn. [vriendin van verdachte] heeft na het telefoontje van [slachtoffer] naar de politie gebeld en gezegd dat de politie snel moest komen zodra zij weer zouden bellen. Dochter [naam van dochter], die ook was meegegaan naar Kaatsheuvel, heeft, toen zij in Kaatsheuvel [slachtoffer] tussen geparkeerde auto’s zag zitten, 112 gebeld.

Volgens eigen zeggen had verdachte zich voorgenomen om [slachtoffer] die avond een klap te verkopen. Toen hij die avond met de auto in Kaatsheuvel aankwam heeft hij een ijzeren pijp uit de auto gepakt. Toen hij [slachtoffer] half achter een auto zag zitten en zag dat hij uit hurkstand overeind kwam, heeft hij met die ijzeren pijp een tik tegen het been van [slachtoffer] gegeven. Vervolgens heeft verdachte, toen hij zag dat [slachtoffer] overeind kwam en op hem afvloog, ter afwering met de ijzeren pijp een klap op het voorhoofd gegeven van [slachtoffer].

Vastgesteld kan worden dat verdachte zich willens en wetens in een situatie heeft begeven

waarin een dreigende reactie van [slachtoffer] te verwachten was. Voorts heeft hij als eerste (excessief) geweld gebruikt door [slachtoffer] met de ijzeren pijp tegen een been te slaan. In reactie daarop heeft [slachtoffer] zich opgericht, mogelijk met de bedoeling zich te verdedigen tegen de aanranding van de kant van verdachte. Vervolgens heeft verdachte met de ijzeren pijp tegen het hoofd van [slachtoffer] geslagen.

Nu verdachte zelf de confrontatie heeft gezocht en een ijzeren pijp heeft meegenomen en als eerste (excessief) geweld heeft gebruikt, heeft zich naar het oordeel van de rechtbank geen situatie voorgedaan waarin sprake was van noodzakelijke verdediging.

Het beroep van verdachte op noodweer en dus ook op noodweerexces dient derhalve te worden verworpen.

Ten aanzien van de door de officier van justitie aangenomen psychische overmacht overweegt de rechtbank het volgende.

Van psychische overmacht is sprake in een geval van psychische dwang waartegen weerstand weliswaar niet volkomen onmogelijk is doch redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Het mag in casu aannemelijk zijn dat verdachte in een toestand geraakt is waarvan voor hem een sterke aandrang uitging om acties te ondernemen tegen [slachtoffer]. Dat betekent echter niet dat redelijkerwijs niet van hem gevergd kon worden om zich te onthouden van het bewezenverklaarde slaan met een hard voorwerp op het hoofd en tegen het been van [slachtoffer] en om in zoverre aan die aandrang weerstand te bieden.

Ook in deze heeft te gelden dat verdachte zelf de confrontatie met [slachtoffer] is aangegaan en zichzelf willens en wetens in die situatie heeft gebracht. Onder die omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesteld dat de wilsvrijheid van verdachte was aangetast. Hiervan zou alleen dan sprake kunnen zijn indien verdachte onder een van buiten komende dwang in een situatie zou zijn gebracht die hij eigenlijk had willen vermijden. Nu verdachte zich zelf in deze situatie heeft gebracht, is hiervan geen sprake.

Overigens stuit het aannemen van psychische overmacht ook al af op het disproportionele geweld dat door verdachte is toegepast.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft eveneens gepleit voor ontslag van alle rechtsvervolging. Over een eventuele strafoplegging heeft hij zich niet uitgesproken.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het slaan van [slachtoffer] met een ijzeren pijp op het hoofd en tegen het been. Deze handelingen van verdachte hadden tot zware verwondingen bij [slachtoffer] kunnen leiden. Dat het niet zover is gekomen, is zeker niet aan verdachte te danken. Het feit op zich acht de rechtbank dan ook zeer ernstig en komt in beginsel in aanmerking voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een aantal maanden.

De rechtbank sluit echter haar ogen niet voor de achtergrond van deze zaak.

Zoals al onder 4.2 en 5 is overwogen, hield [slachtoffer] zich al lange tijd bezig met het stalken van zijn ex-vrouw [vriendin van verdachte] [achternaam van vriendin], van verdachte, zijnde haar nieuwe vriend en de dochter [naam van dochter]. [slachtoffer] was voor deze feiten al in mei 2007 veroordeeld door de rechtbank. Desondanks is [slachtoffer] na zijn veroordeling doorgegaan met stalking en met bedreiging van [vriendin van verdachte] [achternaam van vriendin], haar dochter [naam van dochter] en verdachte. Toen [slachtoffer] op 5 december 2007 verdachte belde en zei dat hij die avond een afspraak wilde maken met [vriendin van verdachte] en verdachte, waarbij hij dreigde dat hij een aantal woningen waar [vriendin van verdachte], haar dochter [naam van dochter] en verdachte hun postadres hadden gehad, in de brand zou steken, als zij niet zouden komen, heeft verdachte gemeend het heft in eigen handen te moeten nemen en voor eigen rechter te moeten spelen.

Hoewel de reactie van verdachte wel begrijpelijk is in het licht van hetgeen vóór die tijd was voorgevallen, rechtvaardigt dit niet om [slachtoffer] vervolgens met een ijzeren pijp op het hoofd en tegen het been te slaan.

De rechtbank neemt verdachte dan ook kwalijk dat hij op deze manier voor eigen rechter is gaan spelen.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit tegenover de omstandigheden waaronder dit feit is gepleegd, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van de reeds ondergane voorlopige hechtenis, zijnde 16 dagen, noodzakelijk en passend is.

7 Het beslag

7.1 De onttrekking aan het verkeer

Het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat het feit is begaan met behulp van dit voorwerp.

Verder is dit voorwerp van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan

in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

8 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft in eerste instantie gevorderd dat de voorwaardelijke straf van

2 weken die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 20 april 2006 ten uitvoer zal worden gelegd. Op zitting heeft de officier van justitie verzocht deze vordering af te wijzen, nu zij van mening is dat verdachte in de hoofdzaak ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De rechtbank zal hiertoe niet besluiten, omdat zij dit, gelet op de omstandigheden waaronder dit nieuwe strafbare feit gepleegd is, niet opportunn acht.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 36b, 36c, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.3 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Poging tot zware mishandeling;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 16 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomen voorwerp, te weten:

een ijzeren pijp;

Vordering tenuitvoerlegging

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af;

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Kralingen, voorzitter, mr. Tempelaar en mr. Woudstra, rechters, in tegenwoordigheid van De Roos, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 27 maart 2008.

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

hij op of omstreeks 05 december 2007 te Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te

brengen, met dat opzet die [slachtoffer] met een staaf, in elk geval een hard

en/of zwaar en/of scherp voorwerp, meermalen, althans eenmaal, op/tegen diens

hoofd en/of tegen diens lichaam en/of diens be(e)n(en) heeft geslagen, terwijl

de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 05 december 2007 te Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand,

opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), meermalen,

althans eenmaal, met een staaf, in elk geval een hard en/of zwaar en/of scherp

voorwerp, op/tegen diens hoofd en/of tegen diens lichaam en/of be(e)n(en)

heeft geslagen, in elk geval die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal,

heeft geslagen en/of gestoten en/of gestompt, waardoor deze (telkens) letsel

heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht