Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BC7454

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
14-03-2008
Datum publicatie
25-03-2008
Zaaknummer
AWB- 08_892 en AWB- 08_949
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Stichting tanteLouise en Wonen West Brabant verzoeken opheffing schorsing van de binnenplanse vrijstelling en bouwvergunning voor een verpleeghuis op een bedrijvenpark. Het verpleeghuis op de bestemming 'bedrijfsdoeleinden' past binnen de gebruiksvoorschriften van het geldende bestemmingsplan. Daarom kan alleen nog de positionering van het verpleeghuis ten opzichte van de bestaande woonbebouwing en de bedrijven op het bedrijvenpark aan de orde zijn, zulks op grond van de planvoorschriften en de sectorale regelgeving zoals de Wet milieubeheer. Niet is duidelijk voor welk bouwplan in eerste aanleg vrijstelling en vergunning is verleend, zodat niet duidelijk is of de aanpassingen van het bouwplan slechts van ondergeschikte aard zijn. Het aangepaste bouwplan is zowel qua bouwhoogte als goothoogte in strijd met de bouwvoorschriften van het bestemmingsplan en deze strijdigheid kan door de verleende binnenplanse vrijstelling niet worden weggenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummers: 08 / 892 WRO VV en 08 / 949 WRO VV

uitspraak van de voorzieningenrechter

in de zaak van

stichting Wonen West Brabant en stichting Stichting tanteLouise,

beiden gevestigd te Bergen op Zoom,

verzoeksters,

gemachtigde mr. J.A.M. van der Velden,

en de zaak van

[vennootschap 1],

[vennootschap 2],

[vennootschap 3].,

[vennootschap 4],

allen gevestigd te [vestigingsplaats],

verzoeksters,

gemachtigde mr. A.J.M. Zebel-Vaudo,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom,

verweerder.

1. Procesverloop

Op 18 februari 2008 is namens Wonen West Brabant en Stichting tanteLouise verzocht om opheffing van een door de voorzieningenrechter van deze rechtbank op 8 november 2007 uitgesproken schorsing van een door verweerder verleende vrijstelling en bouwvergunning eerste fase voor het oprichten van een multifunctioneel verpleeghuis aan [adres] te [plaats] (primair besluit). Dit verzoek is ter griffie van de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer 08 / 892 WRO VV.

Namens de besloten vennootschappen is op 21 februari 2008 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van

12 februari 2008 (bestreden besluit), waarbij de bezwaren van de besloten vennootschappen tegen voornoemd primair besluit ongegrond zijn verklaard.

Tevens is namens de besloten vennootschappen op 21 februari 2008 verzocht een voorlopige voorziening te treffen, strekkende tot schorsing van het bestreden besluit. Dit verzoek is ter griffie van de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer 08 / 949 WRO VV.

Voornoemde verzoeken zijn gevoegd behandeld ter zitting van 11 maart 2008. Daarbij werd Stichting tanteLouise vertegenwoordigd door [naam voorzitter], voorzitter van de Raad van bestuur van de stichting. Voor vergunninghoudster Wonen West Brabant waren [gemachtigde 1] en bestuurder [gemachtigde 2] aanwezig. Zij werden bijgestaan door

mr. J.A.M. van der Velden. Namens de besloten vennootschappen was directeur [naam directeur] aanwezig, bijstaan door

mr. A.J.M. Zebel-Vaudo. Namens verweerder is mr. A. Rampaart verschenen.

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 28 juni 2007 heeft Wonen West Brabant een aanvraag om bouwvergunning ingediend voor het oprichten van een multifunctioneel verpleeghuis aan [adres] te [plaats]. Het multifunctionele gebouw zal de eerste jaren gebruikt gaan worden door Stichting tanteLouise als tijdelijke huisvesting van een verpleeghuis gedurende de vernieuwbouw van het Algemeen Burger Gasthuis te Bergen op Zoom.

Op 17 september 2007 heeft verweerder binnenplanse vrijstelling en bouwvergunning verleend voor voornoemd bouwplan van Wonen West Brabant en Stichting tanteLouise (primair besluit). Namens de besloten vennootschappen is hiertegen bezwaar gemaakt. Tevens hebben zij een verzoek om voorlopige voorziening bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank ingediend, strekkende tot schorsing van het primaire besluit. Bij uitspraak van 8 november 2007 heeft de voorzieningenrechter het primaire besluit geschorst tot zes weken na de verzending van de beslissing op de bezwaren van de besloten vennootschappen. Hieraan ligt de overweging ten grondslag dat het bouwplan qua goothoogte in strijd is met de voorschriften van het geldende bestemmingsplan.

Hangende de bezwaarprocedure heeft Wonen West Brabant gewijzigde bouwtekeningen ingediend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van de vennootschappen ongegrond verklaard, onder meer overwegende dat door een geringe aanpassing van de dakhelling het bouwplan niet langer in strijd is met het geldende bestemmingsplan, dat deze aanpassing geen nieuwe vergunningaanvraag behoeft en dat het primaire besluit in stand kan blijven.

2.2 Wonen West Brabant en Stichting tanteLouise hebben, samengevat, aangevoerd dat het bouwplan niet meer in strijd is met het bestemmingsplan en dat zij er belang bij hebben dat op zeer korte termijn alsnog de bouwvergunning tweede fase verleend kan worden en met de bouw van het tijdelijke verpleeghuis kan worden aangevangen. Zij hebben daarom de voorzieningenrechter verzocht de bij uitspraak van 8 november 2007 uitgesproken schorsing zo spoedig mogelijk op te heffen.

Het verzoek van de besloten vennootschappen strekt ertoe dat het bestreden besluit wordt geschorst. Daartoe hebben zij, samengevat, aangevoerd dat ook het aangepaste bouwplan in strijd is met de gebruiks- en bouwvoorschriften van het bestemmingsplan, dat voorzover het bestemmingsplan ter plaatse een verpleeghuis toestaat het bestemmingsplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en met de sectorale wetgeving, dat een bedrijvenpark geen geschikte locatie is voor een verpleeghuis en dat het algemeen belang bij het voorkomen van vergunningverlening in strijd met de wet en het instandhouden van een bestemmingsplan dat strijdig is met het beginsel van een goede ruimtelijke ordening en de wet zwaarder weegt dan het belang van de stichtingen bij het instandlaten van de verleende vrijstelling en vergunning.

2.3 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeksters een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Voorzover de beoordeling van de onderhavige verzoeken meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2.4 Artikel 56a van de Woningwet bepaalt dat een bouwvergunning op aanvraag in twee fasen wordt verleend. Ingevolge het tweede lid mag en moet de bouwvergunning eerste fase slechts worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel b, c, d of e van de Woningwet van toepassing is, met dien verstande dat onderdeel b van dat lid slechts van toepassing is voor zover de daar bedoelde voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn. Dat betekent dat een bouwplan dient te worden getoetst aan de Bouwverordening, het ter plaatse geldende bestemmingsplan en aan redelijke eisen van welstand.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat burgemeester en wethouders met inachtneming van de in het plan vervatte regelen, bevoegd zijn van bij het plan aan te geven voorschriften vrijstelling te verlenen.

2.5 De voorzieningenrechter constateert dat het geschil tussen partijen draait om de vraag of het vergunde bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. De bouwlocatie aan [adres] valt onder het bestemmingsplan ‘Bedrijvenpark Moermont’ van de gemeente Bergen op Zoom en heeft daarin de bestemming ‘bedrijfsdoeleinden’. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften mogen de gronden met deze bestemming worden gebruikt voor: bedrijfsdoeleinden, groen- en plantsoenvoorzieningen, verkeersdoeleinden, nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding. In aanvulling op deze doeleindenomschrijving gelden blijkens het tweede lid van artikel 9 de daar beschreven hoofdlijnen van beleid. Voor wat betreft het gebruik van de gronden met de bestemming ‘bedrijfsdoeleinden’ bepaalt lid 2.4 onder a van artikel 9 dat slechts bedrijven/inrichtingen mogen worden gevestigd of bedrijfsactiviteiten mogen worden uitgevoerd die door hun aard geen onevenredige hinder veroorzaken ten opzichte van de bestaande woonbebouwing in de directe omgeving en dat toepassing zal worden gegeven aan sectorale instrumentaria, zoals de Wet milieubeheer. Blijkens het bepaalde in lid 2.4 onder b wordt bij de vestiging van bedrijven uitgegaan van een interne zonering van het plangebied overeenkomstig de categorie-indeling als opgenomen in de bijgevoegde ‘Staat van bedrijfsactiviteiten’, waarbij de daarin genoemde afstand van de bedrijfsactiviteit tot bestaande woonbebouwing als leidraad wordt gehanteerd. In die ‘Staat van bedrijfsactiviteiten’ zijn ‘verpleeghuizen’ als bedrijfsactiviteit opgenomen, met een in acht te nemen afstand van 30 meter tot de bestaande woonbebouwing in de directe omgeving.

De voorzieningenrechter stelt vast dat niet alleen het eerste lid maar ook het tweede lid van artikel 9 als doeleindenomschrijving is aan te merken. Als gevolg van de verwijzing naar de ‘Staat van bedrijfsactiviteiten” wordt in het tweede lid van artikel 9 uitdrukkelijk voorzien in de mogelijkheid op de bestemming ‘bedrijfsdoeleinden’ een verpleeghuis toe te laten. Dat betekent dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter de vestiging van een verpleeghuis past binnen de gebruiksvoorschriften van het bestemmingsplan. Of het vastgestelde bestemmingsplan met deze mogelijkheid voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening, is een oordeel dat toekomt aan gedeputeerde staten in het kader van het nemen van een goedkeuringsbesluit. Blijkens het goedkeuringsbesluit van 7 oktober 2003 hebben gedeputeerde staten het bestemmingsplan kritisch beoordeeld en hun goedkeuring onthouden aan woningbouw en detailhandel als toegestaan gebruik in het kader van de bestemming ‘bedrijfsdoeleinden’. Het gebruik van gronden met de bestemming ‘bedrijfsdoeleinden’ ten behoeve van zorginstellingen is echter niet gestuit op bezwaren van gedeputeerde staten. Tegen het goedkeuringsbesluit is geen beroep ingesteld, zodat het goedkeuringsbesluit onherroepelijk is geworden. De voorzieningenrechter ziet in het kader van de onderhavige voorzieningenprocedure geen aanleiding een ander standpunt in te nemen dan gedeputeerde staten, bij wie het primaat van toetsing van het bestemmingsplan aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening ligt.

Nu de vestiging van een verpleeghuis op het bedrijvenpark Moermont is toegelaten, kan alleen nog de positionering van het verpleeghuis ten opzichte van de bestaande woningen en de bedrijven op het bedrijvenpark aan de orde zijn. Ingevolge lid 2.4 van artikel 9 van de planvoorschriften moet in dat kader de afstand tot bestaande woonbebouwing zoals genoemd in de ‘Staat van bedrijfsactiviteiten’ in acht worden genomen, alsmede de voorschriften op basis van sectorale regelgeving, met name de Wet milieubeheer. Niet is in geschil dat de in de ‘Staat van bedrijfsactiviteiten’ genoemde afstand van 30 meter van een verpleeghuis tot de bestaande woonbebouwing aan de Fort Moermont en de Melanendreef in acht wordt genomen. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat een quick scan in het kader van de Wet milieubeheer is uitgevoerd. De voorzieningenrechter heeft echter niet de indruk gekregen dat daarbij tevens rekening is gehouden met het op de Wet milieubeheer gebaseerde Besluit externe veiligheid inrichtingen, waarvan artikel 5 regels geeft over de bij de verlening van een binnenplanse vrijstelling in acht te nemen veiligheidscontour van inrichtingen in relatie tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Op dit punt zal verweerder nader onderzoek dienen te verrichten.

Wat betreft de bouwvoorschriften bepaalt artikel 9, lid 3.1 onder d, van de planvoorschriften dat:

1. van de binnen het bouwvlak te realiseren gebouwen de goothoogte respectievelijk de hoogte niet minder mag en niet meer zal bedragen dan op de kaart binnen het bouwvlak of een gedeelte daarvan is aangegeven met de aanduiding ‘minimumgoothoogte’ respectievelijk ‘maximumgoothoogte’;

2. van de binnen het bouwvlak te realiseren gebouwen de hoogte niet meer mag bedragen dan op de kaart binnen het bouwvlak of een gedeelte daarvan is aangegeven met de aanduiding ‘maximumhoogte’;

3. binnen het bouwvlak waaraan op de kaart de aanduiding ‘afwijkende hoogte toegestaan’ is gegeven mag over gedeelten van het bouwvlak een extra bouwlaag worden gebouwd, waarbij;

- de op de kaart gegeven aanduiding maximumhoogte met ten hoogste 4 meter mag worden overschreden;

- de breedte van de extra bouwlaag ten hoogste 30 meter mag bedragen;

- de afstand tussen de extra bouwlagen ten minste 30 meter zal bedragen.

Op grond van artikel 13, aanhef en onder c, van de planvoorschriften is verweerder bevoegd vrijstelling te verlenen van de bepalingen in deze voorschriften ten aanzien van het afwijken van de voorgeschreven maatvoeringen voor bouwwerken, indien in verband met ingekomen bouwplannen deze wijzigingen nodig zijn, waarbij van de maatvoeringen met ten hoogste 10% mag worden afgeweken. Met betrekking tot deze vrijstelling geldt dat:

1. geen onevenredige afbreuk mag worden gedaan aan de stedenbouwkundige hoofdopzet;

2. de vrijstelling slechts mag worden toegepast op primaire bouwnormen (normen welke als ‘recht’ zijn toegestaan); cumulatieve toepassing van deze bepaling op een eerder verleende vrijstelling ten aanzien van de bouwnorm is niet toegestaan.

Blijkens de plankaart geldt in het noordelijke deel van het bouwvlak een maximale bouwhoogte van 9 meter en voor het overige een maximale bouwhoogte van 6,5 meter, waarbij op dat zuidelijke stuk een afwijking tot maximaal 10 meter is toegestaan. Op grond van artikel 13 van de planvoorschriften mag verweerder voor de genoemde bouwhoogten van 9 en 6,5 meter vrijstelling verlenen voor een afwijking met maximaal 10%. Voor wat betreft de goothoogte is in het noordelijke deel een maximale goothoogte van 9 meter en voor het overige een maximale goothoogte van 6 meter toegestaan. Ook daarvan kan met binnenplanse vrijstelling 10% worden afgeweken tot 9,90 meter respectievelijk 6,60 meter.

De voorzieningenrechter laat thans in het midden voor welk bouwplan op 17 september 2007 vrijstelling en bouwvergunning is verleend. De set met 5 tekeningen in het rechtbankdossier dat aan de uitspraak van 8 november 2007 ten grondslag lag, betreft volgens de stichtingen een eerdere versie van het bouwplan waarop de aanvraag echter geen betrekking had. De door hun gemachtigde ter zitting overgelegde set met 7 tekeningen van een ander bouwplan, welke volgens de gemachtigde van de stichtingen bij de inleidende vergunningaanvraag was gevoegd, hoeft echter evenmin aan het primaire besluit ten grondslag hebben gelegen. Van de 7 tekeningen dateren er 3 van na de aanvraagdatum. Het welstandsadvies van 3 september 2007 spreekt verder over een bouwplan met permanente gebouwen en tussenleden (conform de tekeningen in het rechtbankdossier) en uit de nieuwe 7 tekeningen blijkt niet dat zij door de welstandscommissie zijn beoordeeld. Door deze onduidelijkheden kan de voorzieningenrechter het geschil niet ten gronde beoordelen. In de bodemprocedure zal verweerder alsnog de tekeningen moeten insturen die bij de aanvraag waren gevoegd, alsmede de 7 tekeningen die bij het primaire besluit horen.

Indien de aanpassing van het bouwplan hangende de bezwaarfase uitsluitend betrekking op de aanpassing van de dakhelling heeft (hetgeen op grond van voornoemde indicaties wordt betwijfeld), is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze wijziging van ondergeschikte aard is en daarvoor geen nieuwe vergunningaanvraag had behoeven te worden ingediend. Uit de bouwtekening nr. 2.52 d.d. 5 december 2007, in het bijzonder uit de tekeningen van de oostgevel, de westgevel, doorsnede A, doorsnede B en doorsnede C blijkt dat de goothoogte aan de zuidkant van het bouwwerk 6,80 meter bedraagt, hetgeen hoger is dan de met de verleende vrijstelling maximaal toegestane goothoogte van 6,60 meter. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan verder de triviale aanpassing aan de dakhelling, uitsluitend aan de buitenzijde van de dakopbouw, niet aan de binnenzijde van de daarachter gelegen kamers, niet ertoe leiden dat de goothoogte lager dan het platte dak kan worden gelegd. Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vrijstelling van 10% ten onrechte is toegepast op de afwijkende bouwhoogte van maximaal 10 meter. Blijkens voorwaarde 2 van artikel 13 mag de vrijstelling alleen op de primaire bouwhoogte van 9 en 6,5 meter worden toegepast. Dat betekent dat het bouwwerk zowel qua goothoogte als qua bouwhoogte in strijd wordt geacht met de bouwvoorschriften van het bestemmingsplan, ondanks de verleende vrijstelling.

2.6 Uit voorgaande overwegingen volgt dat niet alleen het oorspronkelijke bouwplan, welke dat ook mag zijn, maar ook het aangepaste bouwplan in strijd is met het geldende bestemmingsplan. De verleende binnenplanse vrijstelling is deels ten onrechte verleend en kan voor het overige genoemde strijdigheid niet wegnemen. Dat betekent dat het bouwplan in zijn huidige vorm niet kan worden vergund, tenzij op een andere grondslag vrijstelling van het bestemmingsplan wordt verleend, waarvoor een goede ruimtelijke onderbouwing vereist is die thans niet beschikbaar is. Gelet op de ernst van de gebreken in de besluitvorming in primo en in bezwaar ziet de voorzieningenrechter, ondanks het gewicht van de belangen van de stichtingen, aanleiding de gevraagde opheffing van de schorsing van het primaire besluit af te wijzen en een nieuwe voorziening te treffen, ertoe leidende dat voorafgaande aan de uitspraak in de bodemprocedure geen gebruik kan worden gemaakt van het primaire besluit en het bestreden besluit.

2.7 Nu het verzoek van de besloten vennootschappen wordt toegewezen dient het door hen betaalde griffierecht aan hen te worden vergoed. Tevens zal de voorzieningenrechter verweerder veroordelen in de proceskosten van de besloten vennootschappen, die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op het hieronder opgenomen bedrag.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

in de zaak met nummer 08 / 892 WRO VV:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening van de stichtingen af;

in de zaak met nummer 08 / 949 WRO VV:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening van de besloten vennootschappen toe en schorst verweerders besluiten van

17 september 2007 en van 12 februari 2008 tot de verzending van de uitspraak van de rechtbank op het door de besloten vennootschappen op 21 februari 2008 ingestelde beroep tegen verweerders besluit van 12 februari 2008;

gelast dat de gemeente Bergen op Zoom aan de besloten vennootschappen het door hen betaalde griffierecht van € 288,- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van de besloten vennootschappen tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de gemeente Bergen op Zoom.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzieningenrechter, en in aanwezigheid van mr. M.A.M. de Baar, griffier, in het openbaar uitgesproken op vrijdag 14 maart 2008.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden op: