Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BC6922

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
14-02-2008
Datum publicatie
18-03-2008
Zaaknummer
AWB- 08_381
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Schorsing kapvergunning voor twee esdoorns en twee iepen.

De voorzieningenrechter heeft eerder de kapvergunning al geschorst en heeft daarbij destijds onder andere overwogen dat een gemeenteambtenaar op het beoordelingsformulier heeft aangegeven dat een nader advies van de monumentencommissie benodigd is. Ter zitting kon toen niet worden aangeven of dit advies ook is uitgebracht en in de besluitvorming is betrokken. In het thans bestreden besluit is aangegeven dat voor het pand een monumentenvergunning is verleend en dat daarmee is voldaan aan de eerdere uitspraak. Daarbij is aangegeven dat bij de verlening van de monumentenvergunning het aspect van het kappen van de bewuste bomen in de achtertuin is meegewogen. Verweerder heeft dit evenwel onvoldoende aannemelijk gemaakt. Rekening houdend met de onomkeerbaarheid van kapwerkzaamheden acht de voorzieningenrechter het belang bij schorsing van het bestreden besluit groter dan het belang bij directe effectuering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 08 / 381 VEROR VV

uitspraak van de voorzieningenrechter

in de zaak van

[naam verzoeker],

wonende te [woonplaats], verzoeker,

gemachtigde mr. J.J.J. de Rooij,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 12 november 2007 (bestreden besluit), inzake de verleende kapvergunning aan [naam vergunninghoudster] (vergunninghoudster) voor twee esdoorns en twee iepen in de achtertuin aan [adres] te [woonplaats]. Dit beroep is bij de rechtbank bekend onder procedurenummer 08 / 382 VEROR.

Tevens heeft hij op 21 januari 2008 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 31 januari 2008, waarbij namens verzoeker aanwezig waren zijn gemachtigde en [naam gemachtigde verzoeker] en namens verweerder mr. R.T.N. Smeets.

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 26 mei 2005 heeft vergunninghoudster een aanvraag ingediend voor een vergunning voor het kappen van twee esdoorns met een stamomtrek van 87 à 102 centimeter en twee iepen met een stamomtrek van 105 à 118 centimeter, staande in de achtertuin van het pand op het adres [adres] te [woonplaats]. Bij besluit van 29 maart 2007 (primair besluit) heeft verweerder onder voorwaarden de gevraagde kapvergunning verleend. Verweerder heeft daarvoor de volgende redenen gegeven.

De bomen hebben een minder goede kwaliteit.

De bomen staan te dicht bij de bebouwing en veroorzaken hier schade aan.

De bomen staan te dicht bij de erfgrens.

De bomen moeten wijken ten behoeve van uitbreiding/aanbouw en verbouwing.

Verzoeker heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Zijn verzoek om schorsing van het primaire besluit is bij uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 1 juni 2007 toegewezen in die zin, dat het primaire besluit is geschorst tot zes weken na verzending van de beslissing op bezwaar. Vervolgens heeft verweerder bij het bestreden besluit de bezwaren van verzoeker ongegrond verklaard.

2.2 Verzoeker heeft, samengevat, aangevoerd dat verweerder in het bestreden besluit slechts is ingegaan op de waarden voor de leefbaarheid en is voorbijgegaan aan de beeldbepalende waarden en de waarden van stads- en dorpsschoon. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat met de kapplannen van vergunninghoudster inbreuk wordt gemaakt op de beeldbepalende en de waarden van stads- en dorpsschoon. Naar de mening van verzoeker heeft verweerder ten onrechte gesteld dat de kap geen gevolgen heeft voor het uitzicht of geluidsoverlast voor verzoeker. Volgens verzoeker heeft er geen zorgvuldige belangenafweging plaatsgehad. Voorts is het verzoeker onduidelijk in hoeverre verweerder met het bestreden besluit aansluit bij de in het “Plan van Aanpak Binnenstad West” ontwikkelde doelstelling om bij de invulling van de diverse ontwikkellocaties de groenvoorzieningen in het gebied op peil te houden.

Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen tot zes weken nadat de rechtbank op het beroep heeft beslist. Verzoeker wijst in dat verband op de onomkeerbaarheid van de bomenkap en op de overige in het kader van de “Vijfsprong” genomen en samenhangende besluiten, alsmede op het gegeven dat al deze besluiten aanmerkelijk wat weerstand ondervinden bij de buurtbewoners.

2.3 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.4 Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Bomenverordening gemeente Tilburg 2000 (de Bomenverordening) is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders houtopstand te vellen of te doen vellen.

In artikel 4 van de Bomenverordening is bepaald dat, onverminderd het bepaalde in artikel 14, tweede lid, burgemeester en wethouders de vergunning kunnen weigeren dan wel onder voorschriften kunnen verlenen in het belang van onder meer:

• natuur- en milieuwaarden;

• monumentale waarden;

• landschappelijke/stedenbouwkundige waarden;

• cultuurhistorische waarden;

• beeldbepalende waarden;

• waarden van stads- en dorpsschoon;

• waarden voor recreatie en/of leefbaarheid.

Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Bomenverordening wordt een kapvergunning niet verleend wanneer een boom op de lijst van monumentale bomen staat, tenzij sprake is van een ernstige bedreiging van de openbare veiligheid, noodtoestand of andere uitzonderlijke situaties.

2.5 Niet in geschil is dat de in geding zijnde bomen vallen onder de vergunningplicht van de Bomenverordening. Verzoeker stelt zich evenwel op het standpunt dat er weigeringsgronden van toepassing zijn in het belang van beeldbepalende waarden en waarden van stads- en dorpsschoon. De voorzieningenrechter dient te beoordelen of verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om de gevraagde kapvergunning te verlenen. Vanwege de aan het bestuursorgaan toekomende beleidsvrijheid bij de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid kan de voorzieningenrechter het onderhavige standpunt van verweerder slechts terughoudend toetsen.

Verweerder heeft in het bestreden besluit aangegeven dat de in geding zijnde bomen niet beeldbepalend zijn, van een minder goede kwaliteit en dat deze door de nabijheid van de bebouwing schade aan deze bebouwing kunnen toebrengen. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het voorgaande is beoordeeld door een bomenexpert. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om aan die waardebepaling te twijfelen, temeer nu van de zijde van verzoeker een en ander niet, door middel van een deskundigenrapport, is weersproken. Daarnaast heeft verzoeker, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de gevolgen voor het uitzicht of de geluidsoverlast voor hem zodanig zijn, dat daarom de kapvergunning niet in redelijkheid had mogen worden verleend. Op basis van de gedingstukken, met name het kaartje waarop de aanwezige bomen zijn ingetekend, en hetgeen ter zitting is besproken en op foto’s is getoond, is het vooralsnog voldoende aannemelijk geworden dat er een behoorlijk aantal bomen resteert, waardoor de gevolgen voor het uitzicht en de geluidsoverlast door het kappen van de in geding zijnde bomen voor verzoeker beperkt zullen zijn.

2.6 De voorzieningenrechter van de rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 1 juni 2007 het primaire besluit geschorst omdat hij het belang van verzoeker bij schorsing van het primaire besluit groter achtte dan het belang van vergunninghoudster bij directe effectuering van het primaire besluit. De voorzieningenrechter heeft daartoe destijds onder andere overwogen dat een gemeenteambtenaar op het beoordelingsformulier heeft aangegeven dat een nader advies van de monumentencommissie benodigd is, terwijl verweerder ter zitting niet kon aangeven of dit advies ook is uitgebracht en in de besluitvorming is betrokken.

De voorzieningenrechter overweegt op dit punt thans als volgt. Vaststaat dat op het beoordelingsformulier bij de aanvraag voor de kapvergunning door een gemeenteambtenaar is aangegeven dat een nader advies van de monumentencommissie nodig is. De voorzieningenrechter leidt daaruit af dat verweerder een nader advies van de monumentencommissie kennelijk relevant heeft geacht voor de besluitvorming. In het bestreden besluit heeft verweerder aangegeven dat voor het pand [adres] een monumentenvergunning is verleend en dat daarmee is voldaan aan de uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 juni 2007. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat bij de verlening van de monumentenvergunning het aspect van het kappen van de bewuste bomen in de achtertuin is meegewogen. Om dat aan te tonen heeft verweerder ter zitting de beslissing op bezwaar van 18 september 2007 overgelegd inzake de verlening van een monumentenvergunning voor de herinrichting van de “Vijfsprong”. De voorzieningenrechter stelt evenwel vast dat dit besluit uitsluitend ziet op de bomen aan de voorzijde van het pand en er in dit besluit niets is vermeld over de hier in geding zijnde bomen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder daarmee onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de monumentencommissie over de onderhavige aanvraag heeft geadviseerd, hetgeen de voorzieningenrechter onzorgvuldig acht, gezien de kanttekeningen die op het beoordelingsformulier bij de aanvraag zijn geplaatst.

2.7 Gezien het voorgaande, en rekening houdend met de onomkeerbaarheid van de eventuele uitvoering van de kapwerkzaamheden, acht de voorzieningenrechter het belang van verzoeker bij schorsing van het bestreden besluit groter dan het belang van vergunninghoudster bij directe effectuering van dit besluit. Het verzoek zal derhalve worden toegewezen en het bestreden besluit zal worden geschorst.

De voorzieningenrechter heeft geen toepassing gegeven aan artikel 8:86, eerste lid, van de Awb. Dit betekent dat het onderzoek in de hoofdzaak wordt voortgezet. Ten overvloede wijst de voorzieningenrechter op de mogelijkheid voor partijen – indien daarvoor aanleiding bestaat – om een verzoek in te dienen op grond van artikel 8:87, eerste lid, van de Awb tot opheffing van de voorlopige voorziening.

2.8 Nu het verzoek wordt toegewezen, dient het griffierecht aan verzoeker te worden vergoed.

Tevens zal de voorzieningenrechter verweerder veroordelen in de proceskosten van verzoeker, die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op het hieronder opgenomen bedrag.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit;

gelast dat de gemeente Tilburg aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van € 143,00 vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 644,00, te betalen door de gemeente Tilburg.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.L. Woerdeman, rechter, en in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2008.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden op: