Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BC6060

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
28-02-2008
Datum publicatie
07-03-2008
Zaaknummer
AWB 07/654
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Elk van de twee vennoten brengt zijn aandeel in de vof ruisend in een persoonlijke holding in. Vervolgens laten zij de onderneming, exclusief de onroerende zaak, uitzakken in een gezamenlijke werkmaatschappij. Deze uitzak geschiedt tegen uitreiking van aandelenkapitaal en creditering. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende geen recht op de vrijstelling van overdrachtsbelasting heeft, nu niet is voldaan aan de van toepassing zijnde wet- en regelgeving. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat zowel het beroep op het vertrouwensbeginsel als het beroep op dwaling niet slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-0511
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/654

Uitspraakdatum: 28 februari 2008

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] BV, gevestigd te [woonplaats], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiseres en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 26 januari 2007 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag overdrachtsbelasting over het jaar 2003.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2008 te [woonplaats]. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de inspecteur.

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1. [vennoot1] en [vennoot2] hebben tot 1 juli 2003 een architectenbureau gedreven in de vorm van een vennootschap onder firma. Op 27 november 2003 hebben zij hun aandeel in deze onderneming - met terugwerkende kracht tot 1 juli 2003 - ruisend ingebracht in [BV] respectievelijk belanghebbende. Beide vennootschappen hebben hun aandeel in de onderneming vervolgens overgedragen aan de gezamenlijke werkmaatschappij [BV], zulks met uitzondering van het pand aan [adres] te [woonplaats]. Deze inbreng heeft plaatsgevonden tegen uitreiking van aandelen (€ 18.000) en voor het meerdere zijn de aandeelhouders gecrediteerd. Met betrekking tot het pand is geen overdrachtsbelasting aangegeven.

2.3. De inspecteur heeft een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd omdat volgens hem de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel e, sub 2 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 (hierna: Wet BRV) niet van toepassing is.

2.4. Belanghebbende stelt dat er geen overdrachtsbelasting verschuldigd is omdat er sprake is van dwaling dan wel op grond van het vertrouwensbeginsel.

Wettelijke vrijstelling

2.5. Op grond van artikel 15, eerste lid, onderdeel e, sub 2 van de Wet BRV is er, voor zover hier van belang, geen belasting verschuldigd over een verkrijging indien een onderneming wordt ingebracht in een vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal, indien de oprichters van deze vennootschap geheel of nagenoeg geheel in dezelfde verhouding gerechtigd zijn als in het vermogen van de voormalige onderneming. Op grond van artikel 5, vierde lid, van het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer 1971 (hierna: Uitvoeringsbesluit) dient de vennootschap de onderneming ten minste drie jaren voort te zetten.

2.6. De rechtbank is van oordeel dat nu belanghebbende de onderneming direct heeft overgedragen aan de werkmaatschappij, er niet voldaan is aan de hiervoor bedoelde voortzettingseis. Op grond van de wet heeft belanghebbende derhalve geen recht op een vrijstelling. Ook het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 12 augustus 1997, VB97/964, VN 1997/3064 (hierna: Besluit), kan belanghebbende niet baten. Uit dit Besluit volgt:

‘In aanvulling op artikel 5 (…) keur ik (…) goed dat het vierde lid eveneens buiten toepassing blijft indien binnen drie jaren na de omzetting de gehele omgezette onderneming exclusief de onroerende zaken wordt overgedragen aan een dochtervennootschap. Onder een dochtervennootschap wordt in dit verband verstaan een vennootschap waarvan alle of nagenoeg alle aandelen onmiddellijk of middellijk in bezit zijn van de overdragende vennootschap.’

Nu belanghebbende niet (nagenoeg) alle aandelen in de werkmaatschappij houdt, is het Besluit niet van toepassing.

Dwaling

2.7. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van dwaling, gezien de uitspraak in de zaak 07/655, welke aan deze uitspraak is aangehecht.

Vertrouwensbeginsel

2.8. Voorafgaand aan de formalisatie heeft de notaris de nieuwe structuur voorgelegd aan de inspecteur met het verzoek om goed te keuren dat artikel 15, eerste lid, onderdeel e, van de Wet BRV van toepassing is. De inspecteur heeft deze goedkeuring gegeven.

2.9. De rechtbank is van oordeel dat de door de inspecteur gegeven goedkeuring als een toezegging moet worden aangemerkt. Gezien hetgeen in 2.6 is overwogen, is deze toezegging naar het oordeel van de rechtbank echter zo duidelijk in strijd met een juiste wetstoepassing dat belanghebbende niet op nakoming mocht rekenen (vgl. Hoge Raad 26 september 1979, nr. 19 250, BNB 1979/311). Daar komt nog bij dat in het Besluit duidelijk is vermeld dat het moet gaan om een dochtervennootschap waarvan alle of nagenoeg alle aandelen onmiddellijk of middellijk in bezit zijn van de overdragende vennootschap, terwijl belanghebbende slechts de helft van de aandelen in de werkmaatschappij houdt. De stelling van belanghebbende dat het Besluit niet duidelijk genoeg is, verwerpt de rechtbank derhalve.

2.10. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond verklaard.

3. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 28 februari 2008 door mr. W. Brouwer, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.M.J.F. Jansen, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.