Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BC6024

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
13-02-2008
Datum publicatie
06-03-2008
Zaaknummer
AWB 06/5072
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De opbrengst in 1999 behaald bij verkoop van activa door belanghebbendes zustervennootschap is door de betrokken notaris overgeboekt naar een beleggingsrekening op naam van belanghebbendes aandeelhouder. Op het door de bank ingevulde formulier “Cliëntgegevens PARTICULIER/VERMOGENSBEHEER” staat de aandeelhouder als cliënt vermeld. De aandeelhouder heeft betreffende de beleggingsrekening een “overeenkomst vermogensbeheer” gesloten. In 1999 heeft de aandeelhouder met de bank een overeenkomst gesloten betreffende het verstrekken van opdrachten tot het verrichten van termijntransacties op de AEX. In 2002 heeft de aandeelhouder verzocht het rekeningnummer om te zetten naar en te naam te stellen van belanghebbende. Belanghebbende heeft in haar aangifte vennootschapsbelasting rekening gehouden met een verlies ter zake van effecten voortkomende uit de beleggingsrekening en rentelasten ter zake van een schuld aan de zustermaatschappij. De inspecteur heeft het verlies en de rentelasten niet geaccepteerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de (resultaten van de) beleggingsrekening voor haar rekening en risico kwam(en). Voorts is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een overeenkomst van geldlening, althans heeft belanghebbende het bestaan daarvan niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2008/31.10 met annotatie van Redactie
FutD 2008-0520
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/5072

Uitspraakdatum: 13 februari 2008

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] BV, gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

verweerder.

Eiseres en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de inspecteur van 1 september 2006 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar voor het jaar 2000 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting 2000, de beschikking waarbij de inspecteur het verlies van 2000 heeft vastgesteld op f 93.743, alsmede de bij afzonderlijke beschikking vastgestelde verzuimboete ad f 500.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2008 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, de inspecteur. De gemachtigde heeft bij fax van 29 januari 2008 en bij brief ingekomen bij de rechtbank op 30 januari 2008 namens belanghebbende aan de rechtbank medegedeeld dat hij, noch belanghebbende ter zitting zullen verschijnen.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond voorzover het de boetebeschikking betreft;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar betreffende de boete;

- vernietigt de boetebeschikking;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 483 en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 281 aan haar vergoedt.

2. Gronden

2.1. [aandeelhouder] houdt alle aandelen in belanghebbende en 98,56% van de aandelen in [BV]. De overige aandelen van [BV] zijn in eigendom bij de vader van [aandeelhouder]. [aandeelhouder] is in dienstbetrekking bij belanghebbende. Belanghebbende verricht het management van [BV]. Naast managementactiviteiten houdt [aandeelhouder] zich (in privé) bezig met beleggen.

2.2. Tot aan het moment van verkoop van haar activa in 1999 exploiteerde [BV] het recreatiegebied “[het gebied]”. Blijkens de notariële akte van 1 april 1999 betreffende deze verkoop was het verkochte met ingang van 16 maart 1999 voor rekening en risico van de koper. De verkoopopbrengst bedroeg f 1.385.000. Ter zake van de opbrengst van de verkoop in 1999 heeft [BV] een vervangingsreserve gevormd. Deze is in 2002 vrijgevallen.

2.3.1. Van de onder 2.2 vermelde opbrengst is door de notaris op 6 april 1999 een bedrag ter grootte van f 1.222.237 (€ 554.627,38) overgeboekt op een bij [bank NV] (hierna: de bank) aangehouden beleggingsrekening met (relatie)nummer [00000]. Deze rekening staat op naam van [aandeelhouder]. Op 5 april 1999 was het saldo van de beleggingsrekening nihil.

2.3.2. Op het op 8 april 1999 door de bank ingevulde formulier “Cliëntgegevens PARTICULIER/VERMOGENSBEHEER” betreffende voornoemde rekening staat [aandeelhouder] als cliënt vermeld. [aandeelhouder] heeft betreffende de beleggingsrekening op 22 december 1997 met [BV] een “overeenkomst vermogensbeheer” gesloten. Op 16 april 1999 heeft [aandeelhouder] onder relatienummer [00000] met de bank een overeenkomst gesloten welke het verstrekken van opdrachten tot het verrichten van termijntransacties op de door de AEX gehouden Financiële Termijnmarkt Amsterdam regelt.

2.4. Bij brief van 27 mei 2002 heeft [aandeelhouder] verzocht het rekeningnummer om te zetten naar en te naam te stellen van belanghebbende. Naar de inspecteur ter zitting geloofwaardig heeft verklaard, was het saldo van de rekening op dat moment nihil.

2.5. Belanghebbende heeft over het onderhavige jaar aangifte vennootschapsbelasting gedaan naar een belastbare winst van f 579.167 negatief. Hierbij heeft belanghebbende rekening gehouden met een verlies ter zake van effecten van f 426.161 en rentelasten ad f 40.118. Het verlies ter zake van de effecten komt voort uit de resultaten van de onder 2.3.1 genoemde beleggingsrekening. Met dagtekening 13 december 2003 heeft de inspecteur aan belanghebbende een aanslag opgelegd waarbij het verlies van onderhavig boekjaar is vastgesteld op ƒ 93.743 en een verzuimboete is vastgesteld van ƒ 500. Bij het vaststellen van deze verliesbeschikking heeft de inspecteur onder meer het voornoemde verlies ter zake van effecten en de aftrek van rentelasten niet geaccepteerd.

2.6. Bij vonnis van 14 februari 2007 heeft de strafkamer van de rechtbank Breda (onder meer) wettig en overtuigend bewezen geacht dat belanghebbende in de periode van 1 januari 2000 tot 1 september 2002 tezamen en in vereniging met een ander de onder 2.8 genoemde leenovereenkomst valselijk heeft opgemaakt, terwijl in werkelijkheid geen sprake is van een lening. Tegen voornoemd vonnis is hoger beroep aangetekend.

2.7. In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

1. Is de onder 2.5 genoemde correctie ter zake van het verlies en de rentelasten terecht?

2. Is aan belanghebbende terecht een verzuimboete opgelegd?

Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend, de inspecteur bevestigend.

2.8. Belanghebbende stelt – zakelijk weergegeven - dat [BV] het bedrag van f 1.222.237 aan haar heeft uitgeleend omdat [BV] de gelden uit de verkoop van de activa, in afwachting van een vervangende investering, wenste te beleggen, dat [BV] volgens haar statuten zelf geen beleggingsactiviteiten mag verrichten en dat belanghebbende ter zake van de lening een zakelijke rente heeft betaald. Zij beroept zich hiertoe op (het bestaan van) een overeenkomst van geldlening tussen haar en [BV]. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de in 2.3.1. bedoelde beleggingsrekening aan [aandeelhouder] moet worden toegerekend en niet aan belanghebbende en dat er geen sprake is van een lening tussen belanghebbende en [BV]. Volgens de inspecteur komt het verlies op de effecten en de rente ter zake van de lening dan ook niet ten laste van belanghebbendes winst.

2.9. De rechtbank stelt voorop dat het, gelet op de gemotiveerde betwisting ervan door de inspecteur, op de weg van belanghebbende ligt haar stelling zoals verwoord onder 2.8, waar te maken.

2.10. Vast staat dat de opbrengst betreffende de verkoop van activa door [BV] op 6 april 1999 is overgeboekt naar een beleggingsrekening die op naam stond van [aandeelhouder]. Uit de stukken van het geding blijkt dat belanghebbende in beginsel binnen één uur een zakelijke rekening op haar eigen naam had kunnen openen, dat naast de onder 2.3.1 vermelde beleggingsrekening bij de bank geen andere rekening(en) op naam van [aandeelhouder], [BV] of belanghebbende werd(en) aangehouden, dat belanghebbende bij brief van 27 mei 2002 heeft verzocht de onder 2.3.1 vermelde beleggingsrekening om te zetten naar en te naam te stellen van belanghebbende en dat belanghebbendes naam niet eerder dan na binnenkomst van deze brief bij de bank bekend was. Uit het vorenstaande en de onder 2.3.2 vermelde feiten, een en ander in onderling verband en samenhang bezien, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de beleggingsrekening vóór 27 mei 2002 door [aandeelhouder] voor privé-doeleinden werd gebruikt. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de (resultaten van de) beleggingsrekening voor haar rekening en risico kwam(en).

2.11. Naar het oordeel van de rechtbank is er voorts geen sprake van een overeenkomst van geldlening tussen [BV] en belanghebbende, althans heeft belanghebbende het bestaan daarvan niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien:

- op de door de heer [heer1 ] van [advieskantoor] opgemaakte kolommenbalans betreffende de voorlopige cijfers van 1999 wordt een rekening-courantverhouding tussen [BV] en [aandeelhouder] vermeld ter grootte van f 1.227.958,06.

- De heren [heer1 ] en [heer2], welke beiden betrokken zijn bij de administratie en aangifte van belanghebbende, [BV], [aandeelhouder] en zijn overige bedrijven, zijn niet bekend met de overeenkomst van geldlening op het bestaan waarvan belanghebbende zich beroept.

- In de computer van [aandeelhouder] is een viertal bestanden gevonden die eenzelfde overeenkomst van geldlening vermelden, waarbij als schuldeiser steeds [BV] wordt genoemd en als schuldenaar éénmaal [aandeelhouder] en driemaal belanghebbende.

- Voornoemde computerbestanden zijn voor het laatst in mei 2002 gewijzigd.

- De overeenkomst van geldlening waar belanghebbende zich op beroept, is namens [BV] en belanghebbende door een en dezelfde persoon, [aandeelhouder], ondertekend.

-De jaarstukken van belanghebbende over 1999 waarin het bestaan van de overeenkomst van geldlening is verwerkt, zijn gedateerd op 28 januari 2000. De heer [heer2] heeft in dit kader verklaard dat op het moment dat hij bescheiden heeft opgevraagd voor het opmaken van de aangifte vennootschapsbelasting 1999, zijnde 16 juni 2000, nog geen jaarstukken over 1999 van belanghebbende waren opgemaakt.

2.12. Gelet op het overwogene onder 2.9 tot en met 2.11 is het gelijk met betrekking tot de eerste in geschil zijnde vraag aan de inspecteur. Belanghebbendes beroep op de uitspraak van rechtbank Leeuwarden van 22 december 2005, LJN AU8866 maakt deze conclusie niet anders, nu de feiten die aan deze uitspraak ten grondslag hebben gelegen, afwijken van de feiten in de onderhavige procedure.

2.13. Aan belanghebbende is tot 1 juni 2002 uitstel verleend voor het doen van aangifte vennootschapsbelasting over het onderhavige jaar. Op 31 mei 2002 is de aangifte vennootschapsbelasting door de inspecteur ontvangen. Bij deze aangifte waren geen jaarstukken gevoegd. Bij brief van 4 juni 2002 heeft de inspecteur verzocht de ontbrekende jaarstukken vóór 18 juni 2002 te doen overleggen. Op 19 juni 2002 zijn de jaarstukken door de inspecteur ontvangen. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs niet worden gezegd dat belanghebbende heeft verzuimd tijdig aangifte te doen als bedoeld in artikel 67a van de AWR. De verzuimboete is dan ook ten onrechte opgelegd. Het gelijk met betrekking tot de tweede in geschil zijnde vraag is aan de zijde van belanghebbende.

2.14. Gelet op al het vorenoverwogene is beslist als voormeld.

3. Proceskosten

3.1. De rechtbank ziet aanleiding om de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand ad € 483 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 0,5 punt voor het indienen van een conclusie van repliek met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

3.2. Voor vergoeding van kosten van de bezwaarfase acht de rechtbank geen termen aanwezig, nu belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt en niet is gebleken dat zij om vergoeding van deze kosten heeft verzocht voordat, zoals is vereist op grond van artikel 7:15, derde lid, van de Awb, uitspraak op bezwaar is gedaan.

Deze uitspraak is gedaan op 13 februari 2008 door mr. J.J.J. Engel, voorzitter, mr. A.J. Kromhout en mr. W. Brouwer, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. J.M.C. Hendriks, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.