Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BC5876

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
05-03-2008
Zaaknummer
185183 / HA RK 08-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wraking van Meervoudige Kamer in zaak verdachte J. afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

zaak/rolnr.: 185183 / HA RK 08-13

30 januari 2008

beslissing van de wrakingskamer

inzake het wrakingsverzoek ex artikel 512 Wetboek van Strafvordering van:

[verdachte],

thans gedetineerd in het huis van bewaring De Boschpoort te Breda,

verzoeker,

advocaat: mr. B.T. Nooitgedagt te Amsterdam.

1. Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit het volgende:

- het verzoek tot wraking van de meervoudige strafkamer, mondeling gedaan ter terechtzitting van 29 januari 2008 van de meervoudige strafkamer,

- dat is behandeld ter zitting van de wrakingskamer van 30 januari 2008.

Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Nooitgedagt. Verder zijn verschenen [gewraakte rechter 1] en [gewraakte rechter 2], leden van de gewraakte meervoudige strafkamer (hierna: strafkamer), bestaande uit [gewraakte rechter 1], voorzitter, en mrs. [gewraakte rechter 2] en [gewraakte rechter 3], rechters. Ook de officier van justitie mr. Van Aken is verschenen.

2. De beoordeling

2.1 De rechtbank gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de navolgende feiten.

In de strafzaak met parketnummer 811719-06 wordt verzoeker een zedendelict ten laste gelegd, gepleegd tegen een meisje van 9 jaar. In deze strafzaak wordt, volgens verzoeker, de verdenking tegen hem gebaseerd op de aangifte van het betreffende meisje en op een op de vloerbedekking van de beweerdelijke plaats van het delict aangetroffen spermaspoor, welk spoor door het NFI is onderzocht en waarin DNA-materiaal van verzoeker zou zijn aangetroffen. Deze strafzaak is behandeld ter zittingen van 21 december 2006, 15 maart 2007, 29 mei 2007, 7 augustus 2007, 1 november 2007 en van 29 januari 2008, steeds onder het voorzitterschap van [gewraakte rechter 1]. Op de laatstgenoemde datum was de meer-voudige strafkamer samengesteld uit de rechters [gewraakte rechter 1], [gewraakte rechter 2] en [gewraakte rechter 3].

Ter zitting van 21 december 2006 heeft de raadsman van verzoeker de toen zittende strafkamer verzocht het meisje nader te horen om de verdediging in de gelegenheid te stellen haar verklaring zelf te toetsen. Die strafkamer heeft het verzoek afgewezen, overwegende dat de belangen van het jonge meisje bij bescherming van haar persoonlijke levenssfeer en haar geestelijke opgroei zwaarder moeten wegen dan het belang van de verdediging, en er voldoende compensatie is voor de verdediging om de betrouwbaarheid van de verklaring van het meisje te toetsen aan de hand van de audiovisuele opnamen daarvan. De raadsman van verzoeker heeft zijn verzoek herhaald ter zitting van 29 mei 2007, 7 augustus 2007, 1 november 2007 en 29 januari 2008. De zittende strafkamer heeft elk verzoek steeds afgewezen omdat de verdediging geen nieuwe argumenten voor toewijzing van het verzoek had aangevoerd. Wel heeft de strafkamer ingestemd met het horen ter zitting van de verbalisanten die de verklaring van het meisje hebben opgenomen en met het ter zitting bekijken van de voor de verdediging relevante onderdelen van het opgenomen verhoor van het meisje. Het verzoek om ter zitting het opgenomen verhoor in zijn geheel te bekijken is afgewezen.

Ter zitting van 21 december 2006 heeft de verdediging ook gevraagd om een onderzoek naar de door het NFI gehanteerde onderzoeksmethode. De zittende strafkamer heeft dat onderzoek afgewezen, maar de afgifte van de piekprofielen aan de verdediging toegestaan. Tevens is de verdediging toegestaan om de onderzoeker van het NFI te horen. Op 15 maart 2007 en 29 mei 2007 heeft de verdediging verzocht om overlegging van de stukken betreffende het door het NFI uitgevoerde onderzoek. De zittende strafkamers hebben het verzoek afgewezen omdat geen nieuwe argumenten zijn aangevoerd die aanleiding geven tot herziening van de eerdere afwijzing van het verzoek en er voldoende aan het verdedigingsbelang tegemoet wordt gekomen met het verstrekken van de piekprofielen, de rapporten, de algemene NFI-informatie en de mogelijkheid om de onderzoeker van het NFI ter zitting te horen. Het verzoek is nogmaals herhaald ter zitting van 7 augustus 2007, 1 november 2007 en 29 januari 2008 en door de strafkamer afgewezen op de grond dat er geen nieuwe argumenten zijn aangevoerd die aanleiding geven tot herziening van de eerdere afwijzingen. Ter zitting van 1 november 2007 heeft de strafkamer wel een gedeeltelijk contraonderzoek bevolen.

Na bekendmaking ter zitting van 29 januari 2008 van de beslissingen van de strafkamer op voornoemde verzoeken heeft de verdediging namens verzoeker medegedeeld dat de hele strafkamer wordt gewraakt.

2.2 Uit de ter zitting gegeven toelichting op het mondelinge verzoek om wraking blijkt dat verzoeker de schijn van vooringenomenheid van deze strafkamer ontleent aan, kort gezegd, het door de strafkamer getoonde gebrek aan tijd, het niet toestaan dat de twee kernpijlers van het bewijs door de verdediging nader worden onderzocht en het vervolgens op geen enkele wijze compenseren van het ‘keiharde’ recht van de verdediging op de gevraagde onderzoeken.

2.3 De rechtbank stelt voorop dat, bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter of een college van rechters, als uitgangspunt heeft te gelden dat een rechter uit hoofde van zijn ambt moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens één van partijen een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

2.4 De rechtbank constateert dat er tussen de strafkamer en de verdediging geen verschil van mening bestaat over de hiervoor beschreven feiten. De strafzaak tegen verzoeker is behandeld in een reeks van zittingen, waarin de verdediging bij herhaling verzoeken heeft gedaan teneinde de aanwezige bewijsmiddelen op hun waarde te kunnen onderzoeken. De rechtbank stelt vast dat de strafkamer twee verzoeken bij herhaling heeft afgewezen, maar dat de strafkamer daarmee samenhangende verzoeken ter compensatie heeft toegewezen, ook al zou dit tot gevolg hebben dat de behandeling van de strafzaak tegen verzoeker meer tijd in beslag zou gaan nemen. Van een stelselmatige afwijzing door de strafkamer van verzoeken van de verdediging is geen sprake. De rechtbank stelt verder vast dat alle afwijzingen van de gedane verzoeken door de strafkamer zijn gemotiveerd. Deze motiveringen overschrijden geenszins de grenzen van de redelijkheid. De rechtbank volgt verzoeker dan ook niet in het standpunt dat de handelwijze van de strafkamer de schijn van partijdigheid van deze strafkamer heeft gewekt. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

3. De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek om wraking af;

bepaalt dat de behandeling van de strafzaak met parketnummer 811719-06 zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit verzoek.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.P. Leijten, A.M.L. Cohen-Koningsveld en H.W.M. Pulskens, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 januari 2008.