Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BC5294

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
22-02-2008
Datum publicatie
27-02-2008
Zaaknummer
801396-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor een winkeldiefstal. Zij zal echter niet overgaan tot oplegging van de door de officier van justitie gevorderde ISD-maatregel nu verdachte de Britse nationaliteit heeft en op voorhand vaststaat dat niet op adequate wijze invulling kan worden gegeven aan de resocialisatie-doelstelling van de ISD-maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 801396-07

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 februari 2008

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren [in het jaar 1965] te Coventry (Groot-Brittannië),

thans gedetineerd in het huis van bewaring De Boschpoort te Breda,

raadsman mr. Schoenmakers, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 19 februari 2008, waarbij de officier van justitie, mr. Emmen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander een winkeldiefstal heeft gepleegd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 De bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis wordt gehecht.

4.2 De bewijsoverwegingen

De verdediging heeft betoogd dat verdachte, bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs, dient te worden vrijgesproken van de winkeldiefstal.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Blijkens de aangifte van Het Kruidvat werden op 28 november 2007 9 flesjes parfum en 11 pakjes met scheermesjes weggenomen. Op de bewakingsbeelden van Het Kruidvat is te zien dat [mededader] en verdachte samen Het Kruidvat binnen komen. [mededader] is in het bezit van een blauwe Albert-Heijn tas. Beide personen lopen direct naar de schap waar de scheermesjes en parfum liggen uitgestald. Ze blijven 3 minuten in de winkel en lopen vervolgens de winkel uit. Direct buiten de winkel wordt verdachte aangehouden door de politie. Hij heeft op dat moment een blauwe (geprepareerde) Albert-Heijn tas bij zich met daarin de bij Het Kruidvat gestolen artikelen. Op basis van voornoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich samen met [mededader] schuldig heeft gemaakt aan de winkeldiefstal.

Met name gelet op het korte tijdsbestek tussen het naar binnen gaan en het naar buiten komen, moet worden geoordeeld dat er sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en [mededader]. De stelling van verdachte dat hij niet wist dat er gestolen spullen in de tas lagen, acht de rechtbank dan ook niet geloofwaardig.

4.3 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 28 november 2007 te Breda tezamen en in vereniging met een

ander met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen negen flesjes parfum (Esprit

en Beckham) en (pakjes met) scheermesjes(Gilette) , toebehorende aan Het

Kruidvat;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte de ISD-maatregel op te leggen voor de duur van 1 jaar met aftrek van voorarrest. Gezien het feit dat verdachte in het bezit is van de Britse nationaliteit, heeft hij in Nederland buiten detentie geen recht op sociale voorzieningen. In de Penitentiaire Inrichting heeft hij dit recht wel. De ISD-maatregel zal bij verdachte dan ook enkel bestaan uit een intramurale fase en gericht zijn op de definitieve terugkeer naar Engeland.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat het opleggen van de ISD-maatregel bij verdachte niet mogelijk is nu hij een vreemdeling is. Daarnaast is hij van mening dat resocialisatie in de Nederlandse samenleving het doel is van de ISD-maatregel. Door de officier van justitie wordt de maatregel echter aangewend om verdachte uit te zetten naar Engeland. Daarvoor is de ISD-maatregel, naar de mening van de raadsman, niet bedoeld.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van een winkeldiefstal. Verdachte is verslaafd aan harddrugs. Deze verslaving kan verdachte kennelijk alleen bekostigen door het op grote schaal plegen van vermogensdelicten. Zijn strafblad onderstreept deze gedachtegang en maakt dat verdachte moet worden gezien als een veelpleger van vermogensdelicten.

De rechtbank stelt voorop dat voldaan wordt aan de eisen die de wet stelt voor opleggen van de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel). Immers, op het door verdachte begane misdrijf is voorlopige hechtenis toegelaten, terwijl verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of taakstraf is veroordeeld. Het feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen of maatregelen en er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Aan de voorwaarde dat de veiligheid van personen of goed het opleggen van de maatregel eist is eveneens voldaan.

Het doel van een ISD-maatregel is tweëerlei: enerzijds wordt beoogd de maatschappij te beveiligen en anderzijds de recidive van verdachte te beëindigen. Het eerste –primaire doel – wordt verwezenlijkt door een langdurige vrijheidsbeneming. Vanuit die setting wordt gewerkt aan verwezenlijking van het tweede doel: het beëindigen van de recidive. Binnen het kader van de ISD-maatregel worden om die reden voorbereidingen getroffen voor een terugkeer in de maatschappij, waarbij aandacht wordt besteed aan huisvesting, zorg, dagbesteding en inkomen. Indien mogelijk worden die voorzieningen in de laatste fase van het ISD-traject aan de ISD-er buiten de inrichting aangeboden (de zogenoemde extra-murale fase).

De extra-murale fase kan in het geval van verdachte niet op de gebruikelijke wijze vorm krijgen, nu verdachte niet de Nederlandse, doch Britse nationaliteit bezit. De officier van justitie heeft dit ook erkend en heeft aangegeven vanuit het ISD-kader te willen werken aan een definitieve terugkeer van verdachte naar Engeland om zo de overlast die verdachte veroorzaakt door het veelvuldig plegen van strafbare feiten te beëindigen.

Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de door de officier van justitie gekozen insteek, is de rechtbank van oordeel dat de ISD-maatregel niet het geëigende instrument is om vreemdelingen die veelvuldig strafbare feiten plegen het land te kunnen uitzetten. Daarvoor zijn andere mogelijkheden in de Nederlandse wetgeving aanwezig.

Nu op voorhand vaststaat dat niet op adequate wijze invulling kan worden gegeven aan de resocialisatie-doelstelling is de rechtbank van oordeel dat oplegging van de ISD-maatregel niet aangewezen is.

Gelet hierop zal de rechtbank dan ook niet overgaan tot het opleggen van een ISD-maatregel. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is in dit geval de enige remedie om, in ieder geval gedurende de periode dat verdachte gedetineerd is, de maatschappij te beschermen tegen de overlast en schade die door verdachte wordt veroorzaakt. De rechtbank beoogt daarmee tevens verdachte te doen inzien dat het nu echt tijd is zijn gedrag te veranderen.

Gezien het omvangrijke strafblad van verdachte zal de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken opleggen, een straf die langer is dan die normaliter voor soortgelijke feiten wordt opgelegd.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.3 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Diefstal door twee of meer verenigde personen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 weken;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op;

Dit vonnis is gewezen door mr. Janssen, voorzitter, mr. Veldhuizen en mr. Dekker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Fleskens, griffier, en is, bij vervroeging, uitgesproken ter openbare terechtzitting op 22 februari 2008.

Mr. Veldhuizen is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

hij op of omstreeks 28 november 2007 te Breda tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen negen, althans een aantal, flesjes parfum (Esprit

en/of Beckham) en/of elf, althans een aantal, (pakjes met) scheermesjes

(Gilette) , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Het

Kruidvat, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht