Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BC4976

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
07-02-2008
Datum publicatie
25-02-2008
Zaaknummer
AWB 06/6368
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft een (onder)aannemersbedrijf. Hij koopt in 2000 een glastuinbouwbedrijf met een bouwterrein. Dit verkoopt belanghebbende uiteindelijk in 2001 inclusief met een door hemzelf gebouwd woonhuis. In geschil is, onder andere, of belanghebbende ter zake van de verkoop van de onroerende zaak winst uit onderneming geniet. Naar het oordeel van de rechtbank liggen de door belanghebbende verrichte werkzaamheden zozeer in de lijn van belanghebbendes onderneming dat hij de onroerende zaak reeds ten tijde van de aankoop tot zijn ondernemingsvermogen diende te rekenen en behoort de door belanghebbende gemaakte winst bij de verkoop tot de winst uit die onderneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-0470
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/6368

Uitspraakdatum: 7 februari 2008

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De in één geschrift vervatte uitspraken van de inspecteur van 21 november 2006 op de bezwaren van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2001 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 89.517, alsmede tegen de gelijktijdig daarbij vastgestelde boete van € 10.000.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2008 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde, alsmede de inspecteur. Van deze zitting is een proces-verbaal gemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond voor zover het de boete betreft;

- vernietigt de uitspraak op het bezwaar tegen de boetebeschikking;

- vermindert de boete tot € 5000;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 805, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 38 aan deze vergoedt.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende, geboren oktober 1959, is gehuwd met mevrouw [mevrouw]. Belanghebbende heeft een (onder)aannemersbedrijf.

2.2. Belanghebbende deed door middel van een A-biljet aangifte voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2001 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 350. Met dagtekening 23 december 2004 is een aanslag conform de aangifte opgelegd.

2.3. Bij belanghebbende is op 2 februari 2005 een boekenonderzoek ingesteld. Het rapport van dit onderzoek draagt als datum 14 september 2005 en is aan belanghebbende gezonden. Naar aanleiding van dit onderzoek is met dagtekening 21 oktober 2005 de onderhavige navorderings¬aanslag met boete opgelegd.

2.4. Belanghebbende exploiteerde in het verleden een champignonkwekerij. Deze activiteiten heeft hij in 1996 beëindigd. Eind juni 1996 heeft belanghebbende de kwekerij (bedrijfsgebouwen, inpandige woonruimte, en ondergrond) verkocht aan de heer [de heer]. Het woonhuis, dat belanghebbende tot zijn privé-vermogen had gerekend, is niet verkocht.

2.5. De gemeente [woonplaats] heeft in februari 1996 besloten om de heer [de heer] toestemming te geven zich te vestigen in de bedrijfsgebouwen tot uiterlijk 1 maart 2001 (later verlengd tot 1 maart 2003). De gemeente heeft zeer uitdrukkelijk gesteld dat er geen medewerking verleend zal worden aan de afgifte van een bouwvergunning voor een nieuwe woning omdat er al een woning (die van belanghebbende) bij het bedrijf stond.

2.6. Op 16 februari 2000 heeft belanghebbende tegenover zijn woning een glasbouwbedrijf met een bouwterrein aan de [straat] (hierna: de onroerende zaak) te [woonplaats] gekocht voor ƒ 390.000. Het glasbouwbedrijf bestond uit een loods, een woonunit, glasopstanden, bassin, voorzieningen in de grond, 1.82.80 ha ondergrond en cultuurgrond. Bij het bouwterrein (1 ha) behoorde een bouwvergunning voor de bouw van een woonhuis. Deze vergunning is op 4 februari 2000 afgegeven.

2.7. Belanghebbende heeft op 4 maart 2000 in een regionaal huis aan huisblad een advertentie gezet waarin een (nog te bouwen) luxe landhuis te koop is aangeboden. Nadat de gemeente erachter was gekomen dat belanghebbende plannen had om de door belanghebbende gekochte onroerende zaak gesplitst te verkopen, heeft zij per brief van 27 maart 2000 aan belanghebbende laten weten dat het woonhuis deel diende te blijven uitmaken van de agrarische bouwwerken op het perceel.

2.8. Op 20 april 2000 heeft belanghebbende de gehele onroerende zaak (glastuinbouwbedrijf met bouwterrein) verkocht aan het echtpaar [het echtpaar]. In de koopovereenkomst is opgenomen dat belanghebbende zich verplicht heeft om op het bouwterrein een woning te bouwen. De koopsom bedroeg ƒ 1.625.000 (€ 737.393). Deze overeenkomst is in november 2000 ontbonden door de rechter.

2.9. Belanghebbende is gestart met de bouw van een woning op de grond, met behulp van een aantal personen die hij heeft geleend/ingehuurd. Op 24 juli 2001, ten tijde van de verkoop van de gehele onroerende zaak aan de heer [koper] (hierna: de koper) voor ƒ 850.000 (ƒ 385.713), was de ruwbouw van de woning klaar. De koper heeft de keuken, badkamer, vloeren en het schilderwerk zelf afgewerkt.

2.10. In geschil is het antwoord op de volgende drie vragen:

1. Is sprake van een nieuw feit of kwade trouw waardoor navordering is gerechtvaardigd?

2. Geniet belanghebbende ter zake van de verkoop van de onroerende zaak winst uit onderneming danwel andere inkomsten uit arbeid?

3. Is de boete terecht en tot een juist bedrag opgelegd?

Nieuw feit

2.11. De rechtbank stelt voorop dat de inspecteur er in het algemeen op mag vertrouwen dat de aangifte correct is ingevuld. Alleen indien gerechtvaardigde twijfel bestaat aan de juistheid van de in de aangifte vermelde gegevens, dient de inspecteur een nader onderzoek in te stellen. In casu is sprake van een verzorgde aangifte opgesteld door een belastingadviseur. De omstandigheid dat in de aangifte een aangekochte onroerende zaak wordt vermeld verplicht op zichzelf niet tot een nader onderzoek door de inspecteur. De rechtbank is van oordeel dat de aangifte bij de inspecteur niet tot een zodanige twijfel moest leiden dat het nalaten van een nader onderzoek op dit punt hem als een ambtelijk verzuim kan worden aangerekend.

2.12. Naar het oordeel van de rechtbank is de ontdekking van de inspecteur tijdens het boekenonderzoek dat belanghebbende op 4 maart 2000 een advertentie heeft geplaatst om een nog te bouwen huis te verkopen, een nieuw feit waarvan hij op 23 december 2004 nog niet op de hoogte was of redelijkerwijs hoefde te zijn, zodat sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt.

Verkoop van de onroerende zaak

2.13. De rechtbank hecht, mede gezien de feiten dat belanghebbende binnen drie weken na de koop van de onroerende zaak een advertentie voor een nog te bouwen woning plaatste en hij binnen twee maanden na de aankoop de grond met de te bouwen woning alweer verkocht, geen geloof aan de verklaring van belanghebbende dat de aankoop van de onroerende zaak heeft plaatsgevonden met als doel het daarop te bouwen woonhuis zelf te gaan bewonen. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende de onroerende zaak heeft gekocht met de intentie deze te bebouwen en na bebouwing met winst te verkopen.

2.14. Vaststaat dat belanghebbende op het moment van de koop van de onroerende zaak reeds meerdere jaren in de bouw werkzaam was en dat belanghebbende de woning zelf heeft gebouwd, met behulp van ingeleende personen voor de werkzaamheden die hij niet zelf kon verrichten. Naar het oordeel van de rechtbank liggen deze werkzaamheden zozeer in de lijn van belanghebbendes onderneming dat hij de onroerende zaak reeds ten tijde van de aankoop tot zijn ondernemingsvermogen diende te rekenen en behoort de door belanghebbende gemaakte winst bij de verkoop tot de winst uit die onderneming.

2.15. De vraag of er bij de verkoop van de onroerende zaak sprake was van resultaat uit overige werkzaamheid behoeft hierdoor geen behandeling meer.

Boete

2.16. Op de inspecteur rust de bewijslast aannemelijk te maken dat het aan opzet of grove schuld van belanghebbende te wijten is dat te weinig belasting is betaald. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende ten aanzien van de kwalificatie van de inkomsten in de aangifte geen pleitbaar standpunt heeft ingenomen en dat hij moet hebben geweten dat sprake was van tot de onderneming behorende werkzaamheden. Naar het oordeel van de rechtbank is er evenwel geen sprake van opzet, maar is het aan grove schuld van belanghebbende te wijten dat te weinig belasting is geheven.

2.17. De rechtbank is op grond van al het vorenstaande van oordeel dat een boete tot een bedrag van € 5000 in het onderhavige geval een passende en geboden beboeting is voor het aan belanghebbende verweten gedrag.

2.18. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond.

2.19. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 805 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan op 7 februari 2008 door mr. C.A.F.M. Stassen , voorzitter, mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en prof.mr. I.J.F.A. van Vijfeijken, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.S.J. Pijnenburg-Braspenning, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.