Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BC4479

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
13-02-2008
Datum publicatie
18-02-2008
Zaaknummer
993021-05 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte, een dierenartspraktijk, heeft niet-geregistreerde diergeneesmiddelen afgeleverd aan een groot aantal personen. Daarnaast heeft zij een aantal diergeneesmiddelen dat niet geregistreerd stond, voorhanden gehad. Het beroep op overmacht in de zin van noodtoestand wordt door de rechtbank verworpen. Verdachte is, mede gelet op de schending van de redelijke termijn, veroordeeld tot een geldboete van € 5.000,-.

Wetsverwijzingen
Diergeneesmiddelenwet
Diergeneesmiddelenwet 21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 993021-05 [P]

vonnis van de meervoudige economische kamer d.d. 13 februari 2008

in de strafzaak tegen

Belgica [naam verdachte] B.V.

gevestigd aan de [adres], 4835 KC te Breda

raadsman mr. R.E. Drenth, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 30 januari 2008, waarbij de officier van justitie, mr. Koopmans, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: niet-geregistreerde diergeneesmiddelen heeft afgeleverd aan een groot aantal personen;

Feit 2: een aantal diergeneesmiddelen dat niet geregistreerd stond voorhanden heeft gehad;

Feit 3: diergeneesmiddelen heeft geproduceerd, zonder de daarvoor geldende regels in acht te nemen;

Feit 4: diergeneesmiddelen heeft geproduceerd zonder vergunning.

3 De voorvragen

De geldigheid van de dagvaarding.

De raadsman heeft ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4 betoogd dat de dagvaarding nietig verklaard dient te worden.

Ten aanzien van de feiten 2 en 4 heeft de verdediging aangevoerd dat de ten laste gelegde periodes en locatie zeer ruim zijn. De verdenking is dus zeer ruim en vaag volgens de raadsman. Voorts stelt de verdediging zich op het standpunt dat de wijze waarop de feiten 2 en 3 ten laste zijn gelegd, onvoldoende feitelijk is.

De officier van justitie is van mening dat de dagvaarding onder de feiten 2, 3 en 4 voldoende duidelijk is, wanneer deze in samenhang met het dossier wordt gelezen.

De rechtbank constateert dat in de dagvaarding onder feit 3 door de opsteller van de tenlastelegging is volstaan met het opnemen van de tekst van de wettelijke bepaling. Er worden geen feitelijkheden in de tenlastelegging genoemd. Hierdoor is het de rechtbank niet duidelijk op welk onderdeel van het dossier dit feit ziet.

Derhalve vindt de rechtbank dat de tenlastelegging ten aanzien van feit 3 niet voldoet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering en dient deze in zoverre nietig te worden verklaard.

De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding onder de feiten 2 en 4, in samenhang met het dossier bezien, voldoende feitelijk omschreven is en ook overigens aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering voldoet.

De dagvaarding is daarom voor het overige geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De verdediging heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet ontvankelijk verklaard dient te worden wegens overschrijding van de redelijke termijn. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat als beginpunt van de redelijke termijn de dag van de inval in het bedrijf van Belgica [naam verdachte] genomen dient te worden, namelijk 22 november 2003. Volgens de berekening van de verdediging heeft het onderzoek in de zaak in totaal 2 jaar, 1 maand en 13 dagen stil gelegen. Zij wijst voorts nog op het feit dat er veel publiciteit rondom de zaak is geweest en dat verdachte sinds een groot aantal jaren gebukt gaat onder de dreiging van vervolging. De verdediging stelt verder vast dat de onderhavige zaak als ingewikkeld kan worden aangemerkt en dat het gaat om de verdenking van redelijk ernstige economische delicten.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een schending van de redelijke termijn. De officier van justitie is met de verdediging van mening dat als beginpunt van de redelijke termijn 22 november 2003 genomen dient te worden. De officier van justitie stelt vervolgens vast dat er tot de zitting van 3 oktober 2007 sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van iets meer dan 22 maanden. Een belangrijk deel van het tijdsverloop is volgens de officier van justitie gelegen in het feit dat de verdediging nader onderzoek heeft laten verrichten in deze zaak. Niettemin stelt de officier van justitie vast dat verdachte gebukt is gegaan onder de dreiging van vervolging in deze zaak. Voorts stelt de officier van justitie vast dat het belang van de maatschappij er in gelegen is dat het gaat om feiten die maatschappelijk van aanzienlijke betekenis zijn. Ten slotte blijkt uit door de officier van justitie aangehaalde jurisprudentie dat er op het punt van de redelijke termijn een bandbreedte wordt gehanteerd van 12 maanden tot een overschrijding van 42 maanden. De officier van justitie concludeert dat de overschrijding in de onderhavige zaak ruimschoots binnen deze bandbreedte valt. Het verweer dient te worden verworpen.

De rechtbank overweegt het volgende.

Volgens vaste jurisprudentie begint de redelijke termijn te lopen op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens verdachte een handeling is verricht, waaraan verdachte in redelijkheid de verwachting heeft kunnen ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie strafvervolging zal worden ingesteld. Daarbij wordt als uitgangspunt van de redelijke termijn voor behandeling van een zaak in eerste aanleg een termijn van twee jaar genoemd voor het wijzen van een eindvonnis.

Als begin van de redelijke termijn kan naar het oordeel van de rechtbank in casu de dag waarop het gerechtelijk vooronderzoek is geopend gelden, te weten 22 november 2003. Op 13 februari 2008 volgt een einduitspraak in eerste aanleg. Een totale periode van vier jaren en drie maanden derhalve.

De redelijkheid van de duur van een strafzaak is afhankelijk van onder meer: de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdediging op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. De rechtbank overweegt in dat kader het volgende.

Op 18 november 2004 was het uiteindelijke proces-verbaal gereed. Dit is niet uitzonderlijk laat in een zaak van deze omvang en met een technische materie als onderwerp. Vervolgens hebben tussen 13 maart 2006 en 25 april 2006 op verzoek van de verdediging getuigenverhoren bij de rechter-commissaris plaatsgevonden. Uiteindelijk is de verdachte gedagvaard voor de regiezitting van 3 oktober 2007. Tijdens deze zitting kwam naar voren dat de verdediging een aantal deskundigen had benaderd die nog een en ander op schrift zouden stellen en dat verdachte [verdachte] een verweerschrift aan het opstellen was. Daarop is de zitting tot 30 januari 2008 aangehouden, op welke datum uiteindelijk de inhoudelijke behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat een klein gedeelte van de hiervoor genoemde periode van vier jaren en drie maanden voor rekening van de verdediging dient te komen.

Op grond van hetgeen hiervoor is beschreven stelt de rechtbank vast dat er sprake is van een forse overschrijding van de redelijke termijn met ongeveer twee jaar.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld welk rechtsgevolg hier aan verbonden dient te worden. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat slechts in een uitzonderlijk geval op dit verzuim niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dient te volgen. In beginsel zal strafvermindering plaatsvinden. De rechtbank betrekt bij deze afweging de volgende punten, te weten: de belangen van de verdachte, de belangen van de maatschappij en de ernst van de overschrijding van de redelijke termijn.

De belangen van de verdachte.

Op grond van artikel 6 van het EVRM heeft verdachte recht op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. De verdachte is jaren geleden voor het eerst geconfronteerd met doorzoekingen. Sinds die tijd gaat hij gebukt onder de dreiging van vervolging in deze zaak.

De belangen van de maatschappij.

In de onderhavige zaak draait het om verdenkingen die betrekking hebben op redelijk ernstige economische delicten. De maatschappij heeft belang bij de normhandhaving terzake dit soort delicten.

De ernst van de overschrijding van de redelijke termijn.

Er is sprake van een schending van ongeveer twee jaar. Dit is een forse overschrijding. Gelet echter op de door de officier van justitie ter zitting aangehaalde jurisprudentie blijkt dat deze termijn valt binnen de bandbreedte zoals deze wordt gehanteerd met betrekking tot de redelijke termijn.

Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat, gelet op met name het belang van de maatschappij in deze zaak, volstaan kan worden met een compensatie in de strafmaat.

De officier van justitie is daarom ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten 1, 2 en 4 heeft begaan. Daarbij is zij ervan uit gegaan dat er geen of onvoldoende goed werkende geregistreerde diergeneesmiddelen voor duiven beschikbaar waren en dat derhalve magistrale bereiding in beginsel was toegestaan. De officier van justitie heeft aangevoerd dat de handelwijze van verdachte echter niet kan vallen onder magistrale bereiding in de zin van de Vrijstellingsregeling artikel 2 Diergeneesmiddelenwet 1999, gelet op de omvang en gelet op het feit dat de regels die gelden bij magistrale bereiding niet of onvoldoende zijn nageleefd.

Daarnaast heeft verdachte niet geregistreerde diergeneesmiddelen op de Nederlandse markt gebracht. Tevens werden sommige middelen geproduceerd zonder dat verdachte daartoe over de vereiste vergunning beschikte.

Gelet op het voorgaande is de officier van justitie tevens van oordeel dat een beroep op overmacht in de zin van noodtoestand verworpen dient te worden. In dat kader heeft de officier van justitie nog aangevoerd dat voor verdachte wel degelijk de mogelijkheid bestond om een einde te maken aan de door haar gestelde structurele overmachtsituatie aangezien niet duidelijk is geworden waarom in redelijkheid niet kan worden gesteld dat het voor verdachte niet mogelijk was om de middelen waar het in casu om gaat, te laten registreren overeenkomstig de diergeneesmiddelenwet.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat het bewijsmateriaal in deze zaak onrechtmatig is verkregen. De raadsman heeft daartoe gesteld dat het vermoeden van een strafbaar feit dat uiteindelijk tot de vordering gerechtelijk vooronderzoek en de zoekingen heeft geleid, op dat moment volstrekt onterecht en ongegrond was. Gelet hierop waren de zoekingen onrechtmatig en is het overige bewijsmateriaal dat daaruit is voortgekomen, onrechtmatig. Gelet hierop dient naar de mening van de raadsman verdachte vrijgesproken te worden van de feiten 1, 2 en 4.

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman primair aangevoerd dat sprake was van een chronische overmachtsituatie. Kort gezegd kon verdachte door de continue hulpvraag niet anders handelen, aldus de verdediging. Mocht er geen sprake zijn van een acute noodsituatie, dan is volgens de verdediging sprake van het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid. Gelet op het voorgaande dient ontslag van alle rechtsvervolging te volgen voor feit 1.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging aangevoerd dat het merendeel van de aangetroffen producten door Floris of Kwalipak GMP geproduceerde voorraden betrof ten behoeve van de export. De aangetroffen delen los product vallen volgens de verdediging onder magistrale bereiding. Hierdoor valt de voorraad van verdachte onder de uitzonderingsregelingen van artikel 2 onder a en b van de Diergeneesmiddelenwet. Verdachte dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging volgens de verdediging.

Ten slotte heeft de verdediging ten aanzien van feit 4 aangevoerd dat er in het dossier geen bewijs ligt dat er in Breda, althans in Nederland (Zundert), zonder vergunning is geproduceerd. De verdediging heeft betoogd dat enerzijds de aangetroffen producten grondstoffen waren en anderzijds vanuit de logistiek met Floris, Budelpack en/of Kwalipak waren te verklaren. Daarnaast zou een deel magistraal bereid zijn, waardoor dit deel onder de magistrale exceptie van artikel 2 onder a van de Diergeneesmiddelenwet zou vallen. Voor dat deel zou verdachte dan ontslagen dienen te worden van alle rechtsvervolging.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Onrechtmatig verkregen bewijs.

Ten aanzien van het verweer van de verdediging dat het bewijs onrechtmatig zou zijn verkregen, overweegt de rechtbank het volgende.

Uit het proces-verbaal d.d. 25 november 2003, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] en opgenomen in het eindproces-verbaal als 0/AH/01, blijkt onder meer het volgende. In een telefoongesprek dat [verbalisant 1] had met [verbalisant 2] van de politie in Zundert, werd [verbalisant 1] medegedeeld dat er in het pand aan de [adres] door een deurwaarder conservatoir beslag was gelegd op de goederen aanwezig in deze loods. Deze loods was in gebruik bij H.J.M. [naam verdachte], eigenaar van verdachte. Volgens [verbalisant 2] betroffen de goederen in de loods onder andere diergeneesmiddelen voor duiven, chemische grondstoffen, alsmede een mengketel om grondstoffen te mengen.

Gelet op het voorgaande is [verbalisant 1] ter plaatse gegaan om vast te stellen of hier mogelijk sprake zou kunnen zijn van het bereiden van diergeneesmiddelen. Ter plaatse heeft [verbalisant 1] vervolgens een grote hoeveelheid diergeneesmiddelen aangetroffen voor toepassing bij hoofdzakelijk duiven. Tevens heeft hij een aantal vaten aangetroffen waarin volgens opschrift chemische grondstoffen aanwezig waren. Daarnaast zag hij in de loods een grote hoeveelheid verpakkingsmateriaal staan die gelet op de uiterlijke kenmerken kennelijk bestemd waren om daarin een diergeneesmiddel te verpakken. Tevens zag hij dat de mengketel en de ruimte waarin deze stond, besmeurd waren met geel poeder.

[verbalisant 1] is op 13 maart 2006 als getuige bij de rechter-commissaris gehoord. In dat verhoor heeft hij op de vraag waarom hij een strafrechtelijk onderzoek heeft geïnitieerd, het volgende aangegeven:

- de aanwezigheid van grondstoffen;

- de aanwezigheid van een mengketel;

- zijn indruk dat de mengketel recent was gebruikt;

- op het moment van de constatering was het [verbalisant 1] niet anders bekend dan dat [verdachte] geen vergunninghouder was voor de productie van diergeneesmiddelen.

De laatste grond die [verbalisant 1] opvoert wordt bevestigd door de brief (D/737) van het Bureau Registratie Diergeneesmiddelen d.d. 21 juni 2004, waarin onder andere staat dat zowel voor de locatie [adres], de locatie [adres], als ook voor de locatie [adres] geen vergunning aan verdachte is verleend als bedoeld in artikel 21 van de Diergeneesmiddelenwet.

Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank wel degelijk een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit ontstaan. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de verdediging dat sprake zou zijn van onrechtmatig verkregen bewijs.

Ten aanzien van feit 1 overweegt de rechtbank het volgende.

Bewijs

[verdachte] heeft ter zitting d.d. 30 januari 2008 als bestuurder van verdachte verklaard dat hetgeen onder feit 1 ten laste is gelegd feitelijk juist is. Dit wordt ondersteund door de verklaringen van de afnemers [13 afnemers] .

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank het onder feit 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Overmacht in de zin van noodtoestand

De rechtbank stelt voorop dat het doel van de wetgever met artikel 2 van de Diergenees-middelenwet is geweest dat alleen geregistreerde diergeneesmiddelen verhandeld mogen worden. Dit laatste is ingegeven door het gevaar dat de middelen kunnen veroorzaken voor de gezondheid van mensen en de schadelijkheid van de middelen voor de gezondheid van dieren. Daarbij dient opgemerkt te worden dat de wetgever middels artikel 2 onder a van de Diergeneesmiddelenwet een uitzonderingsbepaling in het leven heeft geroepen door magistrale bereiding door een dierenarts mogelijk te maken.

Voor een geslaagd beroep op overmacht in de zin van noodtoestand dient aan een aantal voorwaarden voldaan te zijn. Zo moet het een gedraging zijn die voortvloeit uit een actuele concrete nood. Voorts dient aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit voldaan te zijn.

De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat er sprake was van een actuele concrete noodsituatie bij iedere individuele afnemer. Een aantal afnemers heeft immers verklaard dat zij de producten via de telefoon of per fax bestelden. Voor verdachte kon op dat moment geen sprake zijn van een acute conflictsituatie. Voorts is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan de eis van subsidiariteit. Als alternatief had [verdachte] er namelijk voor kunnen kiezen om de houder van een zieke duif door te verwijzen naar een collega dierenarts, die de benodigde diergeneesmiddelen magistraal had kunnen bereiden. Ten slotte heeft verdachte de noodsituatie waarin zij dacht te zitten, zelf in stand gehouden. Dit laatste door op grote schaal de niet-geregistreerde diergeneesmiddelen te produceren, deze middelen in grote hoeveelheden in voorraad te hebben en vervolgens op een professionele wijze deze middelen op de markt af te zetten. Zo had verdachte een brochure waaruit potentiële afnemers middelen konden bestellen. Op deze manier hield verdachte zelf de continue hulpvraag naar haar producten in stand. Een dergelijke handelwijze gaat een overmachtsituatie ver te buiten.

Alleen al op deze gronden verwerpt de rechtbank dan ook het beroep op overmacht in de zin van noodtoestand.

Ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid

Gelet op hetgeen hiervoor in het kader van de overmacht in de zin van noodtoestand is overwogen ten aanzien van de subsidiariteit, verwerpt de rechtbank ook het beroep van de verdediging op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid.

Ten aanzien van feit 2 overweegt de rechtbank het volgende.

Bewijs

Bij een doorzoeking op 22 november 2003 op de [adres] te Bre[adres] te Breda zijn onder andere de middelen Parastop, 4 in 1 mix, A.S., B.S., paracapsules en W.N. in beslag genomen . Het Bureau Registratie Diergeneesmiddelen schrijft in haar brief d.d. 1 juni 2004 dat de middelen Parastop, 4 in 1 mix, B.S., Paracapsules en W.N. diergeneesmiddelen zijn met een registratieverplichting. Uit een brief van het Bureau Registratie Diergeneesmiddelen d.d. 21 juni 2004 blijkt dat dit eveneens geldt voor het middel A.S..

Verdachte [verdachte] heeft ter zitting verklaard dat hij wel geprobeerd heeft om de middelen zoals ze in de tenlastelegging staan geregistreerd te krijgen, maar dat dit uiteindelijk niet gelukt is.

Gelet op deze bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte de genoemde diergeneesmiddelen voorhanden heeft gehad, terwijl deze middelen niet geregistreerd stonden. Nu uit de bewijsmiddelen niet afgeleid kan worden dat verdachte de middelen al vóór 22 november 2003 voorhanden heeft gehad, zal de rechtbank verdachte van de periode 1 januari 2003 tot en met 21 november 2003 partieel vrijspreken.

Uitzonderingsbepalingen

Verdachte heeft een aantal niet geregistreerde diergeneesmiddelen in voorraad gehad. De vraag is of deze middelen vielen onder artikel 2 sub a en/of b van de Diergeneesmiddelenwet. Om onder voornoemde uitzonderingsbepaling te vallen zouden de middelen magistraal bereid dienen te zijn of bestemd te zijn voor de export.

De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat deze middelen magistraal waren bereid. Immers, uit het dossier komt naar voren dat verdachte deze diergeneesmiddelen liet produceren in daarvoor gespecialiseerde bedrijven. Alleen al om die reden kan naar het oordeel van de rechtbank niet meer gesproken worden van het magistraal bereiden van de diergeneesmiddelen.

Weliswaar acht de rechtbank aannemelijk dat een groot deel van de aangetroffen middelen bestemd was voor de export, maar dat geldt niet voor de gehele voorraad. Op dit punt beziet de rechtbank feit 2 in samenhang met feit 1. Vast is komen te staan dat verdachte een aanzienlijk aantal Nederlandse afnemers van zijn producten had. Ten slotte heeft [verdachte] ter zitting verklaard dat er ook wel eens een doosje medicijnen dat in beginsel was bestemd voor export naar Duitsland, verkocht werd aan een Nederlandse afnemer.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen verwerpt de rechtbank het beroep van de verdediging op de genoemde uitzonderingsbepaling.

Ten aanzien van feit 4 overweegt de rechtbank het volgende.

De opsteller van de tenlastelegging heeft bij dit feit kennelijk voor ogen gehad dat verdachte zonder vergunning in Breda diergeneesmiddelen heeft bereid, verpakt, geëtiketteerd en/of afgeleverd. Dit zou dan moeten zijn op de locaties [adres] Voor die eerste ontbreekt wettig bewijs hiervan. Met betrekking tot [adres] overweegt de rechtbank als volgt.

Op het adres [adres]a zijn blijkens het proces-verbaal d.d. 22 juli 2004 (1/AH/09) een verzegelpers/dopjesperser en een afvulmachine en voorraadreservoir Blauw aangetroffen. [getuige] heeft in zijn verklaring d.d. 22 november 2003 (V01/02) over het pan[adres] verklaard dat de ruimte waar de afvulapparatuur voor flessen staat, ongeveer anderhalf jaar geleden is ingericht. Dit was toen zo ontstaan omdat de afzet van de produkten die daar uitgevuld werden, te weinig verkocht werden om dat uit te besteden aan een bedrijf. Een van de personeelsleden van [verdachte] maakte ongeveer om de twee weken gebruik van die machine om produkten af te vullen. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat [getuige] doelt op de verzegelpers/dopjesperser en de afvulmachine zoals aangetroffe[adres]a. Zoals reeds bij de bespreking van het onrechtmatig verkregen bewijsverweer naar voren is gekomen, had verdachte blijkens de brief d.d. 21 juni 2004 van het Bureau Registratie Diergeneesmiddelen voor de locatie [adres] te Breda geen vergunning als bedoeld in artikel 21 van de Diergeneesmiddelenwet.

Uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen kan echter niet worden afgeleid dat verdachte[adres]a geen vergunning had. Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt derhalve wettig bewijs ten aanzien van feit 4. De rechtbank zal verdachte dan ook van dit feit vrijspreken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Ten aanzien van feit 1:

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2003 tot en met 22 november

2003 te Breda en/of andere plaatsen in Nederland opzettelijk een

hoeveelheid hieronder nader te noemen diergeneesmiddel(en) die niet

waren geregistreerd, heeft afgeleverd, immers heeft verdachte,

- aan [afnemer], het product

Parastop en/of het product 4 in 1 mix en/of het product A.S. poeder en/of het

product B.S. en/of het product W.N. Rood, niet zijnde een geregistreerd

diergeneesmiddel, afgeleverd, en

- aan [afnemer 2], het product Parastop

en/of het product 4 in 1 mix en/of het product B.S., niet zijnde een

geregistreerd diergeneesmiddel, afgeleverd, en

- aan [afnemer 3] het product Parastop

en/of het product 4 in 1 mix en/of het product A.S. poeder en/of het product

B.S. en/of het product W.N. Rood, niet zijnde een geregistreerd

diergeneesmiddel, afgeleverd, en

- aan [afnemer 4], het product Parastop

en/of het product 4 in 1 mix en/of het product A.S. poeder en/of het product

B.S. en het product W.N. Rood, niet zijnde een geregistreerd

diergeneesmiddel, afgeleverd, en

- aan [afnemer 6], het product Parastop

en het product 4 in 1 mix en het product B.S. en het product

Paracapsules, niet zijnde een geregistreerd diergeneesmiddel, afgeleverd, en

- aan [afnemer 8], het product

Parastop en het product B.S. en het product W.N. Rood, niet zijnde een

geregistreerd diergeneesmiddel, afgeleverd, en

- aan [afnemer 8] het product

Parastop en het product 4 in 1 mix en het product A.S. poeder en het

product B.S. en het product W.N. Rood, niet zijnde een geregistreerd

diergeneesmiddel, afgeleverd, en

- aan [afnemer 9], het product

Parastop en het product 4 in 1 mix en het product A.S. poeder en het

product B.S. en het product W.N. Rood, niet zijnde een geregistreerd

diergeneesmiddel, afgeleverd, en

- aan [afnemer 10], het product Parastop en

het product W.N. Rood, niet zijnde een geregistreerd diergeneesmiddel,

afgeleverd, en

- aan [afnemer 11], het product Parastop

en het product 4 in 1 mix en het product B.S. en het product W.N.

Zwart, niet zijnde een geregistreerd diergeneesmiddel, afgeleverd, en

- aan [afnemer 12] het product Parastop,

niet zijnde een geregistreerd diergeneesmiddel, afgeleverd, en

- aan [afnemer 13], het product 4 in 1

mix en het product B.S. en het product Paracapsules, niet zijnde een

geregistreerd diergeneesmiddel, afgeleverd, en

- aan [afnemer 14], het product A.S. poeder

en/of het product W.N. Rood en het product W.N. Zwart, niet zijnde een

geregistreerd diergeneesmiddel, afgeleverd.

Ten aanzien van feit 2:

op 22 november 2003 te Breda opzettelijk, een hoeveelheiddiergeneesmiddelen, te weten:

- Parastop en

- 4 in 1 mix en

- A.S. poeder en

- B.S. en

- Paracapsules en

- W.N. die niet waren geregistreerd, voorhanden heeft gehad en/of in voorraad

heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Zoals onder 4.3 is gemotiveerd, volgt de rechtbank het beroep van verdachte op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid en het beroep op overmacht in de zin van noodtoestand terzake feit 1 niet. Zoals eveneens onder 4.3 is gemotiveerd, volgt de rechtbank het verweer van verdachte dat de onder feit 2 aangetroffen middelen vallen onder de wettelijke uitzonderingsbepalingen niet. Er zijn ook voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een geldboete van € 7.500,-.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat wanneer één of meer feiten wettig en overtuigend bewezen zouden kunnen worden, artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toegepast zou moeten worden. Dit laatste rekening houdend met de onmogelijke situatie die voor verdachte was ontstaan.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft een grote hoeveelheid niet geregistreerde diergeneesmiddelen voor duiven voorhanden gehad en afgeleverd. Artikel 2 van de Diergeneesmiddelenwet heeft tot doel dat slechts diergeneesmiddelen mogen worden gebruikt waarvan, op basis van deugdelijk onafhankelijk onderzoek, vast is komen te staan dat zij geen gevaren opleveren voor de gezondheid van mensen en niet schadelijk zijn voor de gezondheid van dieren.

Verdachte heeft deze bepaling doelbewust overtreden.

Verdachte heeft hier financieel voordeel mee behaald, maar de officier van justitie heeft een ontnemingsvordering ingediend. Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank met name ook rekening gehouden met de omstandigheid dat er destijds geen of onvoldoende werkende geregistreerde diergeneesmiddelen voor duiven beschikbaar waren.

Gelet op de ernst van de feiten, is de rechtbank van oordeel dat niet volstaan kan worden met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf, zoals door de raadsman betoogd.

In beginsel acht de rechtbank een geldboete van € 7.500,- in deze zaak passend. Rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn, komt de rechtbank alles afwegende tot een geldboete van € 5.000,-.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 23, 24, 51, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 65 van de Diergeneesmiddelenwet en de artikelen 1, 2, 6 en 87 van de Wet op de economische delicten, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de dagvaarding nietig voor zover deze betrekking heeft op feit 3;

- verklaart de dagvaarding voor het overige geldig;

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 4 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: Overtreding van artikel 2, eerste lid van de Diergeneesmiddelenwet, meermalen gepleegd en opzettelijk begaan door een rechtspersoon;

Feit 2: Overtreding van artikel 2, eerste lid van de Diergeneesmiddelenwet, meermalen gepleegd en opzettelijk begaan door een rechtspersoon;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 5.000,=;

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Kralingen, voorzitter, mr. De Graaf en mr. Breeman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van de Weijgert, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 13 februari 2008.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

Zij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2003 tot en met 22 november

2003 te Breda en/of andere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met

(een) ander(en) , althans alleen, al dan niet opzettelijk, (telkens) een

hoeveelheid hieronder nader te noemen diergeneesmiddel(en) dat/die niet

was/waren geregistreerd, heeft afgeleverd,

immers heeft verdachte,

- aan [afnemer], het product

Parastop en/of het product 4 in 1 mix en/of het product A.S. poeder en/of het

product B.S. en/of het product W.N. Rood, niet zijnde een geregistreerd

diergeneesmiddel, afgeleverd, en

- aan [afnemer 2], het product Parastop

en/of het product 4 in 1 mix en/of het product B.S., niet zijnde een

geregistreerd diergeneesmiddel, afgeleverd, en

- aan [afnemer 3] het product Parastop

en/of het product 4 in 1 mix en/of het product A.S. poeder en/of het product

B.S. en/of het product W.N. Rood, niet zijnde een geregistreerd

diergeneesmiddel, afgeleverd, en

- aan [afnemer 4], het product Parastop

en/of het product 4 in 1 mix en/of het product A.S. poeder en/of het product

B.S. en/of het product W.N. Rood, niet zijnde een geregistreerd

diergeneesmiddel, afgeleverd, en

- aan [afnemer 6], het product Parastop

en/of het product 4 in 1 mix en/of het product B.S. en/of het product

Paracapsules, niet zijnde een geregistreerd diergeneesmiddel, afgeleverd, en

- aan [afnemer 8], het product

Parastop en/of het product B.S. en/of het product W.N. Rood, niet zijnde een

geregistreerd diergeneesmiddel, afgeleverd, en

- aan [afnemer 8] het product

Parastop en/of het product 4 in 1 mix en/of het product A.S. poeder en/of het

product B.S. en/of het product W.N. Rood, niet zijnde een geregistreerd

diergeneesmiddel, afgeleverd, en

- aan [afnemer 9], het product

Parastop en/of het product 4 in 1 mix en/of het product A.S. poeder en/of het

product B.S. en/of het product W.N. Rood, niet zijnde een geregistreerd

diergeneesmiddel, afgeleverd, en

- aan [afnemer 10], het product Parastop en/of

het product W.N. Rood, niet zijnde een geregistreerd diergeneesmiddel,

afgeleverd, en

- aan [afnemer 11], het product Parastop

en/of het product 4 in 1 mix en/of het product B.S. en/of het product W.N.

Zwart, niet zijnde een geregistreerd diergeneesmiddel, afgeleverd, en

- aan [afnemer 12] het product Parastop,

niet zijnde een geregistreerd diergeneesmiddel, afgeleverd, en

- aan [afnemer 13], het product 4 in 1

mix en/of het product B.S. en/of het product Paracapsules, niet zijnde een

geregistreerd diergeneesmiddel, afgeleverd, en

- aan [afnemer 14], het product A.S. poeder

en/of het product W.N. Rood en/of het product W.N. Zwart, niet zijnde een

geregistreerd diergeneesmiddel, afgeleverd.

Art. 2, eerste lid, Diergeneesmiddelenwet.

art 2 lid 1 Diergeneesmiddelenwet

2.

Zij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2003 tot en met 22 november

2003 te Breda, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een)

ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, (telkens) een hoeveelheid

diergeneesmiddelen, te weten:

- Parastop en/of

- 4 in 1 mix en/of

- A.S. poeder en/of

- B.S. en/of

- Paracapsules en/of

- W.N. Rood en Zwart,

dat/die niet waren geregistreerd, voorhanden heeft gehad en/of in voorraad

heeft gehad en/of bij dieren, te weten duiven, heeft toegepast.

Art. 2, eerste lid, Diergeneesmiddelenwet.

art 2 lid 1 Diergeneesmiddelenwet

3.

Zij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2003 tot en met 22 november

2003 te Breda, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een)

ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, diergeneesmiddelen heeft

bereid en/of verpakt en/of afgeleverd en/of geëtiketteerd zonder daarbij de

in de artikelen 6 tot en met 21 en de door de Commissie van de Europese

Gemeenschappen geformuleerde gedetailleerde richtsnoeren bedoeld in artikel

51 van richtlijn nr. 2001/82/EG in acht te nemen, immers het ontstaansverloop

van de door verdachte en zijn mededader(s) geproduceerde partij(en) kon aan

de hand van het documentatiesysteem met de specificaties, de voorschriften

voor samenstelling, de bereidings- en verpakkingsvoorschriften ten aanzien

van het/de betrokken diergeneesmiddel(en) alsmede verdere procedures en de

protocollen ten aanzien van de verschillende handelingen ter zake het

bereiden, het verpakken, het etiketteren of het afleveren van dat/die

betrokken diergeneesmiddel(en) niet worden nagegaan.

Artikel 3, eerste lid Eisen en Controlebesluit vergunningen diergeneesmiddelen.

Artikel 11 van het Eisen en Controlebesluit vergunningen diergeneesmiddelen

1993.

artikel 42 Diergeneesmiddelenwet.

art 42 lid 1 ahf/ond b Diergeneesmiddelenwet

4.

Zij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2003 tot en met 22 november

2003 te Breda, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een)

ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, zonder daartoe strekkende

vergunning,(telkens) een hoeveelheid diergeneesmiddelen, te weten: - Parastop

en/of

- 4 in 1 mix en/of

- A.S. poeder en/of

- B.S. en/of

- Paracapsules en/of

- W.N. Rood en Zwart,

heeft bereid en/of verpakt en/of geëtiketteerd en/of afgeleverd.

Art. 21, eerste lid Diergeneesmiddelenwet.

art 21 lid 1 Diergeneesmiddelenwet