Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BC4474

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
17-01-2008
Datum publicatie
15-02-2008
Zaaknummer
AWB 07/1305
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kortingsregeling bij toepassing 30%-bewijsregel

Belanghebbendes werknemer heeft voorheen gedurende vier jaar voor een NAVO-instantie in Nederland gewerkt en is toen niet aan belastingheffing naar het inkomen onderworpen geweest. Voor de toepassing van de geldigheidsduur van tien jaar van de 30%-bewijsregel (vroeger 35%-vergoedingsregeling genoemd) moet naar het oordeel van de rechtbank rekening worden gehouden met de periode dat voor de NAVO-instantie is gewerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008, 534
V-N 2008/35.2.2
FutD 2008-0401
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/1305

Uitspraakdatum: 17 januari 2008

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [woonplaats], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiseres en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 12 februari 2007 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar voor het tijdvak van 2001 tot en met 2004 opgelegde naheffingsaanslag loonbelasting en premie volksverzekeringen naar een bedrag van € 82.943.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 januari 2008 te [woonplaats]. Aldaar is verschenen en gehoord, de inspecteur. Belanghebbende is, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen.

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende is sinds november 1995 werkgever van de heer [werknemer] , die de Duitse nationaliteit heeft en in het onderhavige tijdvak in Duitsland woonde (hierna: de heer [werknemer]). Met betrekking tot de aanstelling van de heer [werknemer] heeft de inspecteur aan belanghebbende per brief van 20 september 1996 meegedeeld dat de zogeheten ‘35%-vergoedingsregeling’, gebaseerd op het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 29 mei 1995, nr. DB95/119M, onder meer gepubliceerd in VN 1995/1873, pt. 10 (hierna: het Besluit) is toegekend. In de brief van 20 september 1996 heeft de inspecteur belanghebbende onder meer geïnformeerd dat de toekenning van kracht was van 1 december 1995 tot en met 31 oktober 2001.

2.2. De in 2.1 genoemde 35%-vergoedingsregeling is per 1 januari 2001 omgezet in de zogeheten ‘30%-bewijsregel’, neergelegd in artikel 15a, eerste lid, onderdeel j, van de Wet op de loonbelasting 1964 en hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (hierna: het Uitvoeringsbesluit).

2.3. Voorafgaand aan zijn aanstelling bij belanghebbende is de heer [werknemer] vanaf 1 september 1991 tot en met 30 september 1995 in dienst geweest bij [Agency] te Brunssum, een onderdeel van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO). In het kader van deze dienstbetrekking was de heer [werknemer] in Nederland woonachtig. Deze werkperiode zal in het onderstaande worden aangehaald als ‘de eerdere aanstelling’.

2.4. Belanghebbende heeft de 35%-regeling respectievelijk de 30%-bewijsregel toegepast van 1 december 1995 tot 31 december 2004. De toepassing van de 30%-bewijsregel over de periode van 1 november 2001 tot en met 31 december 2004 is door de inspecteur geweigerd op grond van de zogeheten ‘kortingsregeling’, neergelegd in artikel 3.4. van het Besluit, successievelijk artikel 9e van het Uitvoeringsbesluit. De verschuldigde loonbelasting en premie volksverzekeringen is door de inspecteur middels de onderhavige aanslag nageheven.

2.5. Hetgeen partijen verdeeld houdt is het antwoord op de vragen:

2.5.1 Staat het bepaalde in artikel X van het Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord Atlantisch Verdrag, nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten van 19 juni 1951, Trb. 1951, 114 (hierna: het Verdrag), en artikel 7 van het bij het Verdrag behorende Protocol van 28 augustus 1952, Trb. 1953, nr. 11 (hierna: het Protocol) ten aanzien van het door belanghebbende uit de eerdere aanstelling van de heer [werknemer] genoten inkomen in de weg aan de toepassing van de zogenaamde kortingsregeling als bedoeld in artikel 3.4. van het Besluit, successievelijk artikel 9e van het Uitvoeringsbesluit?

2.5.2. Brengt de overgangsregeling zoals bedoeld in artikel 12c van het Uitvoeringsbesluit met zich mee dat de in 2.1 genoemde toekenningsperiode moet worden verlengd tot november 2005?

2.6. De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat de op 20 september 1996 aan belanghebbende verzonden brief niet kan worden aangemerkt als een voor bezwaar vatbare beschikking en erkend dat belanghebbende mitsdien pas middels een bezwaar- en beroepsprocedure tegen de onderhavige naheffingsaanslag de van toepassing verklaarde duur van de regeling in rechte kan bestrijden.

2.7. Op grond van artikel X van het Verdrag, en artikel 7 van het Protocol, is de heer [werknemer] ter zake van het bij de eerdere aanstelling in Nederland bij [Agency] genoten salaris en emolumenten niet aan belastingheffing naar het inkomen onderworpen geweest. Artikel 7 van het Protocol bevat ten opzichte van artikel X van het Verdrag aanvullende bepalingen op de in artikel X omschreven vrijstelling van belastingheffing voor leden van de krijgsmacht en civiele dienst.

2.8. Nu bij de heer [werknemer] ten tijde van de eerdere aanstelling op het toen genoten inkomen het bepaalde in het Verdrag is toegepast en de onderhavige naheffingsaanslag een ander tijdvak en andere inkomsten betreft, kan naar het oordeel van de rechtbank het bepaalde in artikel X van het Verdrag en artikel 7 van het Protocol niet in de weg staan aan de toepassing van de kortingsregeling. Het bepaalde in voornoemde artikelen betreft immers enkel de inkomsten die op dat moment zijn genoten en niet de inkomsten die in latere jaren, waarin die genoemde verdragsbepalingen niet meer op de heer [werknemer] van toepassing zijn, zijn genoten. Vraag 2.5.1 moet derhalve naar het oordeel van de rechtbank ontkennend worden beantwoord.

2.9. Ten overvloede merkt de rechtbank nog het volgende op. Indien de heer [werknemer] de vorenvermelde vrijstelling niet had genoten, was hij, naar de rechtbank aannemelijk acht, reeds omstreeks 1 oktober 1991 in aanmerking gekomen voor toepassing van de 35%-vergoedingsregeling. Alsdan was op grond van artikel 3.1 van het Besluit de regeling eveneens geëindigd per 1 november 2001. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook geen sprake van dat door toepassing van de kortingsregeling op indirecte wijze alsnog de vrijstelling over het inkomen uit de eerdere aanstelling verloren gaat. Het hiervoor overwogene sluit aan bij de ratio van de regeling zoals deze door de Hoge Raad is verwoord in zijn arrest van 30 mei 2001, nr. 35 903, onder meer gepubliceerd in BNB 2001/302, in rechtsoverweging 3.5:

“Voorts is […] de Staatssecretaris bij de kortingsregeling kennelijk ervan uitgegaan dat van werknemers die eerder in Nederland hebben gewoond of verbleven dan wel in dienstbetrekking tot een Nederlandse inhoudingsplichtige hebben gestaan kan worden aangenomen dat, ongeacht of zij eerder van de 35%-regeling gebruik hebben gemaakt, hun kosten van levensonderhoud wegens hun eventuele tijdelijke verblijf hier te lande minder hoog zijn dan die van andere uit het buitenland aangetrokken werknemers, alsmede dat zij gemakkelijker dan laatstgenoemden zijn te bewegen (opnieuw) een dienstbetrekking met een Nederlandse inhoudingsplichtige aan te gaan.”

2.10. Artikel 12c van het Uitvoeringsbesluit luidt als volgt:

“Indien ten aanzien van de ingekomen werknemer over het jaar 2000 belasting is geheven met toepassing van het besluit van 29 mei 1995, nr. DB95/119M, of van een van de in onderdeel 1.9.2. van dat besluit genoemde besluiten, behoeft geen verzoek te worden gedaan voor de aansluitende toepassing van hoofdstuk 3 per 1 januari 2001. In dat geval wordt de in hoofdstuk 3 bedoelde looptijd verminderd met de periode gedurende welke dat besluit ten aanzien van hem is toegepast, geldt voor de toepassing van hoofdstuk 3 als tijdstip waarop de ingekomen werknemer door de inhoudingsplichtige is tewerkgesteld, de datum van 1 januari 2001, blijven toegepaste kortingen op de looptijd van toepassing en wordt op dat moment geacht te zijn voldaan aan de voorwaarde van specifieke deskundigheid en schaarste op de arbeidsmarkt.”

Nu tevens is bepaald dat toegepaste kortingen op de looptijd van toepassing blijven, moet vraag 2.5.2 eveneens ontkennend worden beantwoord.

2.11. Gelet op het vorenoverwogene is het gelijk aan de zijde van de inspecteur en is het beroep ongegrond verklaard.

2.12. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 17 januari 2008 door mr. C.A.F.M. Stassen, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.M. Dondorp-Loopstra, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.