Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BC4473

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
17-01-2008
Datum publicatie
15-02-2008
Zaaknummer
AWB 07/2326
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vergoeding voor know how in maatschapsovereenkomst is goodwill

Belanghebbende ontvangt van X gedurende tien jaar een jaarlijkse vergoeding voor de bij belanghebbende, op het moment van het aangaan van de maatschap tussen hen beiden, aanwezige know how. Naar het oordeel van de rechtbank kwalificeren de afgesproken vergoedingen als goodwill, conform de definitie van goodwill van de Hoge Raad in het arrest van 20 mei 1953, nr. 11 301, BNB 1953/190.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-0400
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/2326

Uitspraakdatum: 17 januari 2008

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [woonplaats], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiseres en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 24 april 2007 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar voor het jaar 2001 opgelegde navorderingsaanslag vennootschapsbelasting naar een belastbaar bedrag van € 195.340, aanslagnummer.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 januari 2008 [woonplaats]. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende de directeur, alsmede de inspecteur.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de navorderingsaanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van € 189.234;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 483, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 285 aan deze vergoedt.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende is opgericht op 31 maart 1998. De activiteiten bestaan uit het voeren van een advocatenpraktijk. Alle aandelen zijn in het bezit van [directeur]. Op 31 december 2001 heeft belanghebbende met [advocate] een overeenkomst gesloten tot aangaan van een maatschap per 1 januari 2002. Mevrouw [advocate] is advocate, evenals [directeur], en was tot 1 januari 2002 als advocaat-stagiaire in loondienst bij belanghebbende.

2.2. Belanghebbende, in de overeenkomst partij A genoemd, en [advocate], in de overeenkomst partij B genoemd, zijn ter zake van het aangaan van de maatschap overeengekomen in te brengen hun beider arbeid en vlijt, hetgeen is vastgelegd in artikel 4 van de maatschapsovereenkomst. In dit artikel is daarnaast onder meer bepaald:

“Ten aanzien van de, op het moment van aangaan van de maatschap, in het beroep/bedrijf van partij A aanwezige know how hebben partijen een aparte overeenkomst gesloten, welke overeenkomst aan deze maatschapsovereenkomst is gehecht.”

In de aparte overeenkomst, aangeduid als “Overeenkomst betrekkelijk tot de inbreng van know how” is vastgelegd dat belanghebbende en [advocate], het navolgende zijn overeengekomen:

“Ter vergoeding van de inbreng van deze know how betaalt partij B gedurende 39 kwartalen een bedrag van € 907,56 per kwartaal, achteraf te voldoen, voor het eerst per 30 juni 2002.”

In de maatschapsovereenkomst is tevens vastgelegd dat met betrekking tot de winst partijen daartoe gerechtigd zijn tot het percentage van de door ieder van hen behaalde omzet. Behoudens voor de vaste kosten, die een verdeling van ieder 50% kent, wordt voor nagenoeg alle overige kosten eveneens het percentage van de door ieder van hen behaalde omzet gehanteerd. De maten zijn ieder voor 50% gerechtigd tot het maatschapsvermogen. In de kwartaalnota’s ter zake van de hiervoor genoemde vergoeding wordt als omschrijving gehanteerd: “managementvergoeding”.

2.3. Tussen partijen is enkel in geschil het antwoord op de vraag of het geheel van betalingen door [advocate] moet worden aangemerkt als goodwill verschuldigd geworden ten tijde van het aangaan van de maatschapsovereenkomst.

2.4. Met betrekking tot de term goodwill heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 20 mei 1953, nr. 11 301, onder meer gepubliceerd in BNB 1953/190, geoordeeld:

“[…], dat de goodwill tot uitdrukking brengt de winstcapaciteit van een bedrijf boven een normaal rendement van het daarin belegde vermogen en boven een normale beloning van den arbeid van den ondernemer en dat deze aldus in het algemeen vertegenwoordigt de meerwaarde, welke boven dat vermogen aan het bedrijf kan worden toegekend.”

2.5. Uit het in 2.2 overwogene en hetgeen belanghebbende ter zitting daaromtrent heeft verklaard is de rechtbank van oordeel dat de vergoeding van € 907,56 per kwartaal een vergoeding voor de in de onderneming aanwezige goodwill in vorenstaande zin is. De rechtbank leidt dit af uit de tekst van de maatschapsovereenkomst en de nadere overeenkomst en hetgeen belanghebbende ter zitting daarover heeft verklaard. De omstandigheid dat [advocate] daardoor een “training-on-the-job” krijgt staat hieraan niet in de weg immers dusdoende profiteert zij van de bij belanghebbende aanwezige know how waarvoor ze de vergoeding verschuldigd is. Dienaangaande acht de rechtbank de redactie van de ter zake van de betalingen opgestelde facturen van ondergeschikt belang.

2.6. De stelling van belanghebbende dat zij en [advocate] bij het aangaan van de maatschap met betrekking tot de inbreng van de know how van [directeur] een andere intentie hadden dan in de maatschapsovereenkomst tot uitdrukking komt wordt door de rechtbank verworpen. Voor [advocate] was nu juist de meerwaarde van belanghebbendes onderneming gelegen in het feit dat [directeur] middels belanghebbende een bestaande en volwaardige advocatenpraktijk exploiteert en [advocate] van dat voordeel meeprofiteert. In welke vorm zij daarvan meeprofiteert is daarbij niet van belang.

2.7. De inspecteur heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat is verzuimd bij de uitspraak op het bezwaar de navorderingsaanslag te verminderen tot een naar een belastbaar bedrag van € 189.234 en dat hij thans aldus concludeert.

2.8. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard.

2.9. De inspecteur heeft in de uitspraak op bezwaar in strijd met artikel 7:15, derde lid, tweede volzin, Awb, geen beslissing op het verzoek om bezwaarkostenvergoeding opgenomen. Op grond van het bepaalde in artikel 6:20, vierde lid, Awb wordt het beroep van belanghebbende geacht mede te zijn gericht tegen het alsnog genomen besluit geen vergoeding van de kosten van de bezwaarfase toe te kennen.

2.10. De rechtbank ziet aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 483 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde van € 161 en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 322 en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan op 17 januari 2008 door mr. C.A.F.M. Stassen, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.M. Dondorp-Loopstra, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.