Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2008:BC2008

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
21-01-2008
Zaaknummer
456031 cv 07-4920
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incidentele vordering tot vrijwaring afgewezen. Dat de beslissing in de hoofdzaak gevolgen zal hebben voor de rechtsverhouding tussen gedaagde en een derde, leidt niet tot toewijzing van de incidentele vordering tot vrijwaring. Dat een waarborg na toegestane vrijwaring kan bewerkstelligen dat hij alsnog (mede)partij wordt in de hoofdzaak, leidt niet tot het toestaan van de verlangde vrijwaring als zodanig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector kanton

Locatie Bergen op Zoom

zaak/rolnr.: 456031 CV EXPL 07-4920

vonnis d.d. 16 januari 2008

inzake

[G. V.],

wonende te [adres],

eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident,

gemachtigde: mr. P.C.M. Dirven, advocaat te [adres],

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Pierre de Jonge Horeca Exploitatie B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Breda, aan het adres Ettensebaan 17B,

gedaagde in de hoofdzaak / eiseres in het incident,

gemachtigde: mr. R.H.B. Wortel, advocaat te ‘s-Hertogenbosch.

Partijen worden aangeduid als “De Jonge BV” en “[G. V.]”.

1. Het verloop van het geding

In de hoofdzaak en in het incident:

Dit blijkt uit de volgende processtukken:

1.1 De inleidende dagvaarding d.d. 21 augustus 2007;

1.2 De conclusie van antwoord tevens incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring met producties,

1.3 De conclusie van antwoord in het vrijwaringsincident met een productie.

2. Het geschil

In het incident:

De Jonge BV vordert bij incidentele conclusie, samengevat, dat de kantonrechter zal toelaten dat [P.] in vrijwaring wordt gedagvaard, met veroordeling van [G. V.] in de proceskosten in het incident.

[G. V.] weerspreekt de incidentele vordering.

3. De beoordeling

In het incident:

3.1 Nu de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring is genomen vóór alle weren op de voor het nemen van de conclusie van antwoord bepaalde datum, kan De Jonge BV in zoverre in de incidentele vordering worden ontvangen.

3.2 [G. V.] vordert in de hoofdzaak, samengevat, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, vaststelling van het tijdstip waarop de huurovereenkomst tussen partijen zal eindigen, vaststelling van het tijdstip waarop de gehuurde bedrijfsruimte zal zijn ontruimd, veroordeling van De Jonge BV om de gehuurde bedrijfsruimte met de zijnen te verlaten en ontruimen, met veroordeling van De Jonge BV in de proceskosten in de hoofdzaak, althans tot wijziging van de huurovereenkomst. [G. V.] legt daaraan, samengevat en voor zover hier van belang, ten grondslag dat partijen in 1992 een huurovereenkomst sloten waarbij [G. V.] zich verbond het horecapand Lange Brugstraat 19 te Etten-Leur in gebruik te verstrekken tegen een door De Jonge BV verschuldigde huurprijs, welke huurovereenkomst met ingang van 1 januari 2009 werd opgezegd. Voor zover [G. V.] zich bij dagvaarding beroept op overgelegde producties, waren deze overigens bij de ter griffie overgelegde dagvaarding niet gevoegd en bevinden deze zich niet in het griffiedossier.

3.3 De Jonge BV legt aan de incidentele vordering tot vrijwaring, samengevat, ten grondslag dat zij in 1996 met [P.] een (onder)huurovereenkomst sloot waarbij De Jonge BV zich verbond de met ingang van 1 januari 1993 van eigenaar [G. V.] gehuurde bedrijfsruimte met ingang van 15 februari 1996 in gebruik te verstrekken tegen een door [P.] aan haar verschuldigde huurprijs. De Jonge BV stelt, samengevat en voor zover hier van belang, dat [P.] als onderhuurder in de hoofdzaak dient te worden betrokken omdat aanpassingen of beëindiging van de tussen partijen gesloten (hoofd)huurovereenkomst ook in aanzienlijke mate het belang van [P.] als onderhuurder treft en de rechtsverhouding tussen De Jonge BV en [P.] beïnvloedt.

3.4 [G. V.] verweert zich in het incident door, samengevat, te ontkennen dat De Jonge BV belang heeft bij de gewenste oproeping in vrijwaring, dat De Jonge BV met haar handelen in strijd met de tussen partijen gesloten (hoofd)huurovereenkomst zelf het risico heeft aanvaard dat de door haar met [P.] gesloten (onder)huurovereenkomst zou worden beïnvloed, en dat [P.] bovendien inmiddels de exploitatie van het bewuste café heeft gestaakt.

3.5 De kantonrechter overweegt dat voor toewijzing van de incidentele vordering tot vrijwaring is vereist dat de gewaarborgde zich beroept op een rechtsverhouding met een derde (hierna: waarborg) die meebrengt dat de waarborg verplicht is om de nadelige gevolgen van de beslissing in de hoofdzaak tegen de gewaarborgde te dragen. Daarbij behoeft het bestaan van die rechtsverhouding in het vrijwaringsincident als zodanig nog niet komen vast te staan. Of die rechtsverhouding tussen de gewaarborgde en de waarborg daadwerkelijk bestaat, is een onderwerp dat eventueel in de afzonderlijke vrijwaring-procedure tussen de gewaarborgde en de waarborg dan aan de orde kan worden gesteld.

3.6 De Jonge BV legt aan de incidentele vordering tot vrijwaring echter niet echt ten grondslag dat zij een eventuele veroordeling in de hoofdzaak kan afwentelen op [P.]. De daartoe met name slechts gestelde omstandigheid dat de beslissing in de hoofdzaak gevolgen zal hebben voor de rechtsverhouding die tussen De Jonge BV en [P.] bestaat, leidt niet tot toewijzing van de incidentele vordering tot vrijwaring. Een toewijzing van de incidentele vordering zou trouwens ook slechts leiden tot een afzonderlijke vrijwaring-procedure tussen De Jonge BV en [P.], die De Jonge BV blijkens haar stellingen nu juist niet beoogt. Blijkens haar stellingen beoogt De Jonge BV met haar incidentele vordering namelijk te bewerkstelligen dat [P.] rechtstreeks wordt betrokken in de hoofdzaak. Dat kan met de incidentele vordering tot vrijwaring als zodanig echter niet worden bereikt. De rechtens bestaande en door De Jonge BV mogelijk gewenste omstandigheid dat een waarborg na toegestane vrijwaring bij conclusie van antwoord in de afzonderlijke vrijwaring-procedure desgewenst kan bewerkstelligen dat hij alsnog (mede)partij wordt in de hoofdzaak, leidt niet tot het toestaan van de thans verlangde vrijwaring als zodanig.

3.7 Op grond van het voorgaande zal de de incidentele vordering tot vrijwaring worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal De Jonge BV in de proceskosten in het incident worden veroordeeld.

3.8 Gelet op het voorgaande behoeven de overige geschilpunten geen bespreking meer en wordt als volgt beslist.

4. De beslissing

De kantonrechter:

in het incident:

wijst de incidentele vordering van De Jonge BV af;

veroordeelt De Jonge BV in de kosten van het geding in het incident, deze voor zover aan de zijde van [G. V.] gevallen tot op heden begroot op € 150,00, aan gemachtigdensalaris;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rolzitting van:

woensdag 13 februari 2008 te 11.00 uur,

voor conclusie van repliek;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.G.W.M. Stienissen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op woensdag 16 januari 2008, in tegenwoordigheid van de griffier.