Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BR0416

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
09-08-2007
Datum publicatie
06-07-2011
Zaaknummer
811729-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft een wapen gepakt, hij heeft het slachtoffer op staan wachten en heeft hem vervolgens in koelen bloede vermoord door veel kogels op het slachtoffer af te vuren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 811729-06

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 augustus 2007

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in het huis van bewaring De Boschpoort te Breda

raadsman mr. Van Dijk, advocaat te ‘s-Hertogenbosch.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 juli 2007, waarbij de officier van justitie, mr. Van Damme, en de verdediging hun standpunten hebben kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair

[slachtoffer] heeft vermoord door met een vuurwapen kogels op zijn lichaam af te vuren.

subsidiair

[slachtoffer] opzettelijk heeft gedood door met een vuurwapen kogels op zijn lichaam af te vuren.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 De bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis wordt gehecht.

4.2 De bewijsoverwegingen

4.3 De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.

De rechtbank is, op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, van oordeel dat zich in de nacht van 16 op 17 september 2006 in Waalwijk het volgende heeft afgespeeld.

Terwijl verdachte zich op het feest in een naburig gelegen café bevond, is hij omstreeks 23.15 uur gebeld door zijn neef, [naam neef van verdachte], met de mededeling dat [slachtoffer], het latere slachtoffer, hem wilde mishandelen. Verdachte is daarop teruggereden naar het kamp. Aldaar aangekomen, bleek dat het slachtoffer weg was; deze was, kort daarvoor, naar Waalwijk gereden om cocaïne te halen. Verdachte heeft vervolgens het slachtoffer opgewacht en, terwijl deze laatste zijn auto op het kamp parkeerde, heeft verdachte hem met een vuurwapen beschoten. Verdachte stond toen op de dijk en kwam, terwijl hij schoot in de richting van het slachtoffer, de dijk aflopen. Het slachtoffer heeft waarschijnlijk dekking gezocht. Op dat moment was verdachte het slachtoffer zeer dicht genaderd en heeft hij verdachte meerdere malen op korte afstand beschoten.

De vriendin van het slachtoffer, [naam vriendin slachtoffer], was inmiddels naar buiten gekomen en heeft een deel van de schietpartij gezien. Verdachte heeft haar toen bedreigd met de mededeling dat, als zij iets zou vertellen, haar ook iets zou overkomen.

De, op het kamp aanwezige familieleden van verdachte, waren inmiddels ook uit hun woonwagens gekomen. [naam vriendin slachtoffer] is vervolgens door [naam neef van verdachte] mishandeld.

[naam vriendin slachtoffer] heeft de schietpartij gemeld bij 112, nadat zij eerst een aantal vrienden telefonisch heeft benaderd. Toen de politie ter plekke kwam, was geen van de familieleden van verdachte meer buiten aanwezig; enkel [naam vriendin slachtoffer] en [getuige] waren ter plekke.

De rechtbank is er zich van bewust dat [naam vriendin slachtoffer] als enige heeft gezien dat verdachte heeft geschoten en dat bij [naam vriendin slachtoffer] zogenaamde schiethanden zijn vastgesteld. De verklaring van [naam vriendin slachtoffer] acht de rechtbank echter betrouwbaar omdat deze op verschillende onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen.

Zo verklaart [naam neef van verdachte] dat hij die avond verdachte telefonisch heeft geïnformeerd over het feit dat het slachtoffer hem zou gaan mishandelen. Verdachte heeft bij de politie ontkend [neef] toen telefonisch te hebben gesproken, doch ter zitting bekende verdachte dit alsnog hoewel het gesprek ergens anders over ging, aldus verdachte.

Voorts blijkt uit de opgevraagde printlijsten van de telefoon van verdachte, zulks gelet op de aanstraling van verschillende zendmasten, dat verdachte omstreeks 23.15 uur vermoedelijk rijdende was naar het woonwagenkamp.

De verklaring van [naam vriendin slachtoffer] wordt tevens bevestigd door [getuige] die aangeeft dat het slachtoffer die avond naar hem is gekomen om cocaïne te halen, en het feit dat de politie later in de auto van het slachtoffer cocaïne heeft aangetroffen.

Het resultaat van het onderzoek naar de schootsafstanden en het aantreffen van hulzen van hetzelfde kaliber bieden eveneens ondersteuning aan voormelde verklaring op het punt van de plaatsen waarvandaan op de auto en het slachtoffer is geschoten.

Belangrijk acht de rechtbank voorts de ondersteunende verklaringen van de familieleden van verdachte. Zo zien [naam neef van verdach[naam schoonzus]n [naam] (schoonzus van verdachte) verdachte kort nadat zij schoten hebben gehoord, met een wapen in zijn handen.

Ten aanzien van het gebeuren na de schietpartij ondersteunt de gevonden haarklem en het daarbij behorende onderzoek, eveneens de verklaring van [naam vriendin slachtoffer], terwijl [naam neef van verdachte] heeft bekend [naam vriendin slachtoffer] te hebben mishandeld.

Tot slot neemt de rechtbank als steunbewijs mee dat verdachte ter zitting heeft verklaard die avond een wapen in handen te hebben gehad.

Verdachte heeft ter zitting voor het eerst aangegeven wat zijn betrokkenheid die avond/nacht is geweest; daarvoor heeft hij meerdere malen een beroep gedaan op zijn zwijgrecht. Ten aanzien van de beoordeling van deze verklaring stelt de rechtbank voorop dat er, gelet op het tijdstip waarop deze is afgelegd, grote vraagtekens moeten worden geplaatst bij de betrouwbaarheid daarvan. Verdachte kende immers de inhoud van alle voor hem belastende bewijsmiddelen en was dus in de gelegenheid zijn verklaring daarop af te stemmen. Voorts blijkt geenszins dat verdachte niet eerder in de gelegenheid is geweest een verklaring af te leggen. Niet is gebleken dat de politie verdachte onheus heeft benaderd dan wel heeft behandeld. Bovendien heeft verdachte ook bij de rechter-commissaris en de raadkamer van de rechtbank de mogelijkheid gehad om zijn visie op het gebeuren te geven. Ook daarvan heeft hij geen gebruik gemaakt.

Verdachte verklaart dat hij buiten bij café het Snoekske hoorde dat er op zijn woonwagenkamp iets was gebeurd, waarbij hij direct dacht aan zijn broer [naam broer van verdachte], toen zijn vrouw geroepen heeft en dat ze meteen zijn gaan kijken. Op het kamp aangekomen zag verdachte zijn neef [neef] en schoonzus [naam schoonzus] staan. Hij zag dat ze stonden te duwen, te trekken en te gillen. Ze vertelden dat er was geschoten en wezen naar de plaats delict. Daar zag hij [naam vriendin slachtoffer] tussen de auto’s doorlopen en zag hij dat zij een wapen weggooide bij de coniferen. Vervolgens vroeg hij wat ze aan het doen was, heeft hij het wapen opgepakt en aan [naam vriendin slachtoffer] teruggegeven. Daarna is hij naar zijn vrouw gelopen en terug gereden naar het feest in café ’t Snoekske. Daar heeft hij nog wat staan praten met de eigenaresse en is vervolgens net voordat het feest (rond 1.00 uur) was afgelopen, weggegaan. Hij en zijn vrouw zijn via Heusden en Drunen naar een shoarmatent in het centrum van Waalwijk gereden, omdat hij daar met ‘[naam vriendin] (vriendin van zijn zwager [naam zwager]) had afgesproken om zijn telefoon op te halen die hij eerder op de avond aan haar had uitgeleend.

De verklaring van verdachte stemt niet overeen met de verklaringen van degenen die op het kamp aanwezig waren toen de schoten vielen. Zij allen verklaren dat zij direct nadat zij schoten hadden gehoord naar buiten zijn gelopen; [naam vriendin slachtoffer] heeft verdachte nog zien schieten, terwijl de neef en schoonzus van verdachte, onmiddellijk nadat zij naar buiten kwamen, verdachte met het wapen zagen. Verdachte daarentegen verklaart eerst bij het café te zijn weggereden nadat hij van een schietpartij heeft gehoord. Bij aankomst op het kamp heeft hij ook geen schoten gehoord. Zijn verklaring wordt derhalve op cruciale punten niet ondersteund door ander bewijsmateriaal.

De rechtbank concludeert dat de verklaring van verdachte onaannemelijk en onbetrouwbaar is.

De verdediging heeft tot slot nog gesteld dat de verklaring van [naam vriendin slachtoffer] onbetrouwbaar is gelet op haar handelwijze na afloop van de schietpartij. Gedoeld wordt dan op het bellen van vrienden voordat zij 112 belt en de inhoud van de melding zelf. De rechtbank is van oordeel dat deze handelwijze kan passen bij een persoon wiens vriend voor haar ogen is geliquideerd en die vervolgens door de dader is bedreigd – zij mocht niets zeggen anders zou haar iets overkomen - en door een familielid is mishandeld.

De rechtbank overweegt voorts dat er bij verdachte [verdachte] sprake is van voorbedachten rade nu hij, nadat hij een gerucht had gehoord dat het slachtoffer hem wilde gaan mishandelen, naar zijn woonwagen is gegaan, het slachtoffer heeft opgewacht tot deze in zijn auto het woonwagenkamp kwam oprijden om hem vervolgens dood te schieten.

De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat verdachte schuldig is aan de moord op [slachtoffer] in de nacht van 16 september 2007 op 17 september 2007.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

primair

hij in de periode van 16 september 2006 tot en met 17 september

2006 te Waalwijk opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het

leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en

rustig overleg, met een vuurwapen, meerdere, kogels afgevuurd

in het bovenlichaam en/of het hoofd van voornoemde

[slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 15 jaren wegens de moord op [slachtoffer].

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit nu de getuigenverklaring van S. [naam vriendin slachtoffer] onbetrouwbaar is en verder niemand zijn cliënt heeft zien schieten. Bovendien ontkent zijn cliënt ook maar iets met de dood van [slachtoffer] te maken te hebben.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Moord wordt in ons strafrechtstelsel beschouwd als een van de ernstigste misdrijven. Het spreekt voor zich dat dit misdrijf een enorme schok teweeg heeft gebracht bij de nabestaanden. Voor de nabestaanden moet het bijzonder moeilijk zijn een dergelijk zwaar verlies te dragen. Een dergelijke moord schokt de rechtsorde zeer en brengt ook buiten de directe omgeving van het slachtoffer angst en gevoelens van onveiligheid teweeg.

Het nemen van een leven van een ander is een zo ernstig strafbaar feit dat alleen een langdurige gevangenisstraf in aanmerking komt. Verdachte heeft door iemand dood te schieten geen enkel respect voor andermans leven getoond. De wijze waarop verdachte in dit geval de moord heeft gepleegd, acht de rechtbank zeer verwerpelijk, nu hij koelbloedig het slachtoffer heeft geliquideerd. Hij heeft, na kalm beraad en rustig overleg, besloten dat hij [slachtoffer] ging doden. Hij heeft een wapen gepakt, hij heeft het slachtoffer op staan wachten en heeft hem vervolgens in koelen bloede vermoord door veel kogels op het slachtoffer af te vuren. Hiermee houdt de rechtbank dan ook ten nadele van verdachte rekening bij de bepaling van de straf.

Diverse getuigen verklaren over een mogelijk motief voor de daad van verdachte. Dit zou gelegen zijn in het feit het slachtoffer zich diverse malen had gestoord aan de vrouwonvriendelijke benadering van zijn vriendin door verdachte. Enkele weken voor de moord zou had het slachtoffer, verdachte hierover aangesproken waarbij verdachte enkele klappen zou hebben gekregen Verdachte is hierover meermalen bevraagd, maar heeft helaas geen openheid van zaken willen geven. Ook de overige partijen in het dossier hebben hierover geen openheid van zaken willen geven. Wat er overigens ook zij van het achterliggende motief voor de afschuwelijke daad van verdachte, de rechtbank zal hiermee geen rekening houden bij de bepaling van de strafmaat.

Verdachte is eerder met politie en justitie in aanraking gekomen, maar nooit voor soortgelijke feiten. De rechtbank zal dit ten voordele van verdachte meewegen in de bepaling van de strafmaat.

Alles afwegende is de rechtbank, net als de officier van justitie, van oordeel dat een gevangenisstraf noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel zal zij de straf enigszins matigen en aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren opleggen.

7 De benadeelde partijen.

De benadeelde partij [vrouw slachtoffer] vordert schadevergoeding tot een bedrag van

€ 11.697,43 terzake van het primair tenlastegelegde feit.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht de verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde acht zij voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

De benadeelde partij S. [naam vriendin slachtoffer] vordert schadevergoeding tot een bedrag van

€ 11.019,10 terzake van het primair tenlastegelegde feit.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 1.119,10 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, terzake van materiële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering omdat zij de vordering niet van zo eenvoudige aard acht dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de hiervoor toegekende vorderingen benadeelde partijen zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8 Het beslag

8.1 De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat de voorwerpen bij het onderzoek naar het tenlastegelegde feit, zijn aangetroffen, terwijl die voorwerpen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten.

De voorwerpen behoren aan verdachte toe en zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

8.2 De teruggave

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan de erfgenamen van het slachtoffer, omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende kunnen worden aangemerkt.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 24c, 27, 36b, 36c, 36f en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Primair:

Moord;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twaalf (12) jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd: 20, 23, 25, 29, 32, 33, 34, 35, 42 en 44;

- gelast de teruggave aan de wettelijke erfgenamen van het slachtoffer van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 9 en 11;

Benadeelde partijen

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [vrouw slachtoffer], [adres en woonplaats] van de som van € 11.697,43 terzake van materiële schade, te vermeerderen met de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak, tot op heden begroot op nihil;

- veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij S. [naam vriendin slachtoffer] van de som van € 1.119,10, terzake van materiële schade;

- veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- bepaalt dat de verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen kosten draagt;

- bepaalt dat de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk is en dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;(BP.09)

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het hierna te noemen slachtoffers het daarbij vermelde bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door het daarbij vermelde aantal dagen hechtenis:

- benadeelde partij [vrouw slachtoffer], € 11.697,43, 88 dagen hechtenis,

- benadeelde partij S. [naam vriendin slachtoffer], € 1.119,10, 22 dagen hechtenis,

met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverlichting niet opheft;

- bepaalt dat voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij doet vervallen en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Alferink, voorzitter, mr. Schoenmakers en mr. Dijkstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Kersten, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 9 augustus 2007.

Primair

hij in of omstreeks de periode van 16 september 2006 tot en met 17 september

2006 te [woonplaats] opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het

leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en

rustig overleg, met een (vuur)wapen, meerdere, althans een kogel(s) afgevuurd

op/in het bovenlichaam en/of het hoofd, althans het lichaam van voornoemde

[slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 16 september 2006 tot en met 17 september

2006 te Waalwijk opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers

heeft verdachte met dat opzet met een (vuur)wapen, meerdere, althans een

kogel(s) afgevuurd op/in het bovenlichaam en/of het hoofd, althans het lichaam

van voornoemde [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht