Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BK8555

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
07-12-2007
Datum publicatie
07-01-2010
Zaaknummer
AWB 07/1870
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/1870

Uitspraakdatum: 7 december 2007

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[naam], wonende te [plaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor Tilburg, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 17 april 2007 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2002 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen [aanslagnummer]

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2007 te Tilburg.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [naam], ter bijstand vergezeld van de heer [naam], alsmede namens de inspecteur, [naam].

1.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2.Gronden

2.1. Belanghebbende is eigenaar van een perceel aan de [adres] te [plaats], waarop zich onder meer een woning en een los van de woning staande halfopen voormalige varkensstal bevinden. De woning is bij belanghebbende en zijn gezin in gebruik. In 2002 heeft belanghebbende de voormalige varkensstal gebruikt voor de stalling van caravans en dergelijke van derden. Er is ruimte voor ongeveer 30 caravans. Belanghebbende maakt een schriftelijke overeenkomst op voor personen die hun caravan willen laten stallen. In het jaar 2002 heeft belanghebbende 29 overeenkomsten afgesloten.

2.2. De caravanbezitters kunnen slechts na telefonisch contact en gedurende beperkte tijden na tijdige aankondiging, hun caravan ophalen. Belanghebbende of zijn echtgenote haalt de caravan in dat geval uit de stalling en plaatst deze aan de straatzijde voor de poort die toegang geeft tot het perceel van belanghebbende. Het terugbrengen van de caravan kan op elk gewenst tijdstip, door middel van plaatsing van de caravan voor de gesloten poort. Belanghebbende of zijn echtgenote plaatst de caravan vervolgens in de caravanstalling. Met het in de stalling plaatsen van een caravan is gemiddeld ongeveer 5 minuten per caravan gemoeid. Hetzelfde geldt voor het uit de stalling halen van de caravan.

2.3. Naar aanleiding van een ingesteld boekenonderzoek, is de opbrengst van de caravanstalling vastgesteld op € 4.963. Na aftrek van kosten en afschrijving, groot € 963, resteert een resultaat inclusief omzetbelasting van € 4.000. Het resultaat exclusief omzetbelasting is becijferd op een bedrag van € 3.208. Dit resultaat is blijkens het controlerapport voor 50% toe te rekenen aan belanghebbende, zodat het resultaat uit overige werkzaamheden ten name van belanghebbende is vastgesteld op € 1.604.

2.4. In geschil is of het onder 2.3. genoemde bedrag van € 1.604 kan worden aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden. De hoogte van het resultaat uit overige werkzaamheden ad € 1.604 is als zodanig niet in geschil.

2.5. Nu vaststaat dat (1) belanghebbende tegen betaling caravans en dergelijke stalt voor derden, dat (2) in het onderhavige jaar 29 overeenkomsten tot stalling van caravans en dergelijke zijn afgesloten en dat (3) belanghebbende en zijn echtgenote in verband hiermee arbeid hebben verricht, onder andere bestaande uit het plaatsen van caravans en dergelijke in de stalling en het na telefonisch contact uit de stalling halen van de caravans en dergelijke, zoals vermeld onder 2.2., is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende tegen betaling diensten verricht in het economische verkeer ten behoeve van de personen die hun caravans en dergelijke bij belanghebbende hebben doen stallen. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat sprake is van het rendabel maken van vermogen op een wijze die normaal, actief vermogensbeheer te buiten gaat.

2.6. Belanghebbende stelt dat de caravanstalling onderdeel uitmaakt van de eigen woning en de inkomsten uit de caravanstalling derhalve in het eigenwoningforfait dienen te worden begrepen. Subsidiair stelt belanghebbende dat de caravanstalling behoort tot het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. Omtrent deze stellingen overweegt de rechtbank het volgende.

2.7. Artikel 2.14 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) bepaalt, voor zover van belang, het volgende:

“1. Indien een voordeel op grond van meer dan een hoofdstuk, afdeling of paragraaf als bestanddeel, al dan niet vrijgesteld, van een van de belastbare inkomens zou kunnen worden aangemerkt, wordt het voordeel uitsluitend op grond van het als eerste opgenomen hoofdstuk of de als eerste opgenomen afdeling of paragraaf aangemerkt als bestanddeel van het desbetreffende belastbare inkomen.

2. Voorzover vermogensbestanddelen inkomen, al dan niet vrijgesteld, uit werk en woning of uit aanmerkelijk belang genereren, worden zij niet in aanmerking genomen voor de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen.

3. In afwijking in zoverre van het eerste en tweede lid worden:

d. voor de toepassing van de artikelen 3.91 en 3.92 niet als vermogensbestanddelen aangemerkt, een gedeelte van een woning die voor het overige deel als eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, wordt aangemerkt, dat als werkruimte ter beschikking wordt gesteld, indien de werkruimte fysiek niet als een zelfstandig deel van die woning kan worden aangemerkt en de vloeroppervlakte van de werkruimte niet groter is dan een derde deel van de vloeroppervlakte van de woning.”

2.8. Ook indien juist is dat de voormalige varkensstal als aanhorigheid in de zin van artikel 3.111 van de Wet IB 2001 kan worden aangemerkt, zoals belanghebbende stelt, kan de caravanstalling gelet op artikel 2.14 van de Wet IB 2001 naar het oordeel van de rechtbank niet als onderdeel van de eigen woning in aanmerking worden genomen. De rechtbank neemt hierbij het volgende in overweging. De caravanstalling vormt een fysiek zelfstandig onderdeel van de woning, nu vast staat dat de stalling geheel los staat van de overige bebouwingen op het perceel. De in artikel 2.14, derde lid, aanhef en onder d, van de Wet IB 2001 genoemde uitzondering op, onder meer, het bepaalde in het eerste lid van dat artikel, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook al daarom niet van toepassing. Nu onder 2.5. reeds is geoordeeld dat de caravanstalling wordt gebruikt voor het behalen van resultaat uit overige werkzaamheden in de zin van artikel 3.91 en dit artikel voorafgaat aan het bepaalde in afdeling 3.6 betreffende de belastbare inkomsten uit eigen woning, kan de caravanstalling geen onderdeel uitmaken van de eigen woning en kunnen de inkomsten uit de caravanstalling niet onder het eigenwoningforfait worden begrepen.

2.9. Nu de rechtbank van oordeel is dat met de caravanstalling inkomen uit werk en woning wordt gegenereerd, wordt dit vermogensbestanddeel ingevolge artikel 2.14, tweede lid van de Wet IB 2001 niet in aanmerking genomen voor de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen. De subsidiaire stelling van belanghebbende kan hem derhalve niet baten.

2.10. Belanghebbende heeft verder gesteld dat sprake is van opgewekt vertrouwen. Hij voert daartoe aan dat de inkomsten van de caravanstalling in de aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen tot en met het jaar 1995 zijn aangegeven als inkomsten uit vermogen. Eerst met ingang van het aangiftejaar 1996, worden de inkomsten van de caravanstalling ondergebracht bij het eigenwoningforfait, op basis van een artikel uit het blad ‘Tips en Advies’. Belanghebbende stelt dat dit artikel als bijlage bij de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 1996 is meegezonden.

2.11. De rechtbank overweegt dat belanghebbende alleen dan een geslaagd beroep kan doen op opgewekt vertrouwen indien zich omstandigheden hebben voorgedaan die bij hem de indruk hebben kunnen wekken dat de aanslag berustte op een weloverwogen standpunt van de inspecteur.

2.12. Belanghebbende heeft dergelijke omstandigheden niet aannemelijk gemaakt. Het enkele feit dat de aangiften vanaf 1996 conform de aangifte zijn geregeld is hiervoor niet voldoende, nu niet kan worden gezegd dat belanghebbende door het toevoegen van het onder 2.10. genoemde tijdschriftartikel aan de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 1996, de aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde heeft gesteld.

2.13. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond.

2.14. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 7 december 2007 door mr. A.J. Kromhout, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. drs. M.H. van Schaik, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 21 december 2007

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.