Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BK4634

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
03-09-2007
Datum publicatie
27-11-2009
Zaaknummer
07/407
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/407

Uitspraakdatum: 3 september 2007

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Apeldoorn, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De in één geschrift vervatte uitspraken van de inspecteur van 22 december 2006 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (MRB) voor het tijdvak 22 mei 2006 tot en met 28 september 2006 (aanslagnummer [aanslagnummer]) (hierna: de naheffingsaanslag), almede de daarbij bij beschikking opgelegde boete.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2007 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde, mr. [gemachtigde], verbonden aan Advocatenkantoor [naam] te Breda, alsmede namens de inspecteur, [gemachtigde].

1.Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond voor zover het de boete betreft;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar tegen de boete;

- vernietigt de boetebeschikking;

- verklaart het beroep ongegrond voor zover het de naheffingsaanslag betreft;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 644, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 38 aan deze vergoedt.

2.Gronden

2.1. Belanghebbende was volgens het kentekenregister van 19 mei 2006 tot en met 28 september 2006 houder van de personenauto, merk Renault, met kenteken [kenteken] (hierna: de auto).

2.2. Vaststaat dat de geldigheid van het kentekenbewijs van de auto, vanaf 22 mei 2006 geschorst was in de zin van Hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de wegenverkeerswet 1994.

2.3. Op 15 augustus 2006 omstreeks 16:10 uur is geconstateerd dat belanghebbende met de auto geparkeerd heeft op het parkeerterrein behorende bij de flat aan de [staat] te [plaats] (hierna: het parkeerterrein), in welke flat belanghebbende op dat moment woonachtig was op nummer 13. Belanghebbende stelt dat het parkeerterrein, nu dat eigendom is van de woningbouwvereniging [naam] te [plaats], geen onderdeel uitmaakt van de openbare weg.

Ten aanzien van de naheffingsaanslag

2.4. Op grond van artikel 1, eerste lid, letter a van de Wet Motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna Wet MRB) is motorrijtuigenbelasting verschuldigd ter zake van het houden van – onder andere – een personenauto.

2.5. Belanghebbendes auto is geschorst. Dit is alleen mogelijk indien met de auto geen gebruik wordt gemaakt van de weg. Onder gebruik maken van de weg wordt mede begrepen het geparkeerd staan op die weg. Niet in geschil is dat de auto geparkeerd stond op het parkeerterrein.

2.6.1. In geschil is de vraag of het parkeerterrein onderdeel uitmaakt van de weg in de zin van artikel 5 van de Wet MRB. In dit artikel wordt het begrip weg als volgt gedefinieerd: “elke voor het openbaar rijverkeer of ander verkeer openstaande weg en elk zodanig pad, de in de weg of het pad liggende bruggen en duikers alsmede de tot de weg behorende paden en bermen of zijkanten”.

2.6.2. Gelet op het bepaalde in artikel 5 van de Wet MRB met betrekking tot het begrip weg kan de stelling van belanghebbende dat het parkeerterrein eigendom is van de woningbouwvereniging hem niet baten. Het private eigendom van het parkeerterrein hoeft immers niet uit te sluiten dat deze feitelijk voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaat.

2.6.3. De inspecteur heeft in zijn rapport d.d. 27 september 2006 naar aanleiding van een waarneming ter plaatse onder meer het volgende gesteld ter zake van de openbare toegankelijkheid van het parkeerterrein: “Ten tijde van het onderzoek (26-09-06) stond de Renault Laguna nog steeds op dezelfde locatie als waar hij eerder werd aangetroffen (d.d. 15-09-06). (…) Voor de inrit naar en op het parkeerterrein zijn geen borden aangebracht met teksten zoals genoemd in artikel 4 van de Wegenwet. Er zijn ook geen fysieke belemmeringen aangebracht. Er staat alleen een bord (zie foto) waaop staat [staat] 1 t/m 71.”. Bij het rapport zijn tevens een zestal foto’s gevoegd. Belanghebbende stelt dat het parkeerterrein niet voor alle verkeer toegankelijk is, doch maakt dit op geen enkele wijze aannemelijk. De rechtbank acht het op basis van de overlegde foto’s en het onderzoeksrapport van de inspecteur voldoende aannemelijk dat het parkeerterrein voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaat, zodat sprake is van gebruik van de openbare weg in de zin van artikel 5 van de Wet MRB.

2.7. Ingevolge artikel 35, eerste lid van de Wet MRB kan de motorrijtuigenbelasting worden nageheven bij constatering van gebruik van de weg van een geschorst motorrijtuig. De na te heffen belasting wordt ingevolge lid 2 berekend over een tijdsduur van vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak dat waarin het gebruik van de weg wordt geconstateerd. Nu vaststaat dat belanghebbende op 15 augustus 2006 gebruik heeft gemaakt van de weg en hij houder was van de auto van 19 mei 2006 tot en met 28 september 2006, terwijl het kenteken was geschorst vanaf 22 mei 2006, is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht en voor een juist tijdvak aan belanghebbende is opgelegd.

Ten aanzien van de boete

2.8. De inspecteur heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag, overeenkomstig de artikelen 33 en 37 van de Wet MRB jo 67c van de AWR en het bepaalde in paragraaf 34, onderdeel 2 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna: BBBB), een boete opgelegd.

2.9. De verzuimboete heeft tot doel een gebod tot nakoming van fiscale verplichtingen in te scherpen. Voor het opleggen van de verzuimboete is voldoende dat aan één of meer van deze verplichtingen niet is voldaan. Bij afwezigheid van alle schuld (hierna te noemen: avas) legt de inspecteur geen verzuimboete op. Indien bij bezwaar blijkt dat sprake is van avas, vernietigt de inspecteur de boete. Belanghebbende dient avas te stellen en te bewijzen.

2.10. Ter zitting heeft belanghebbende gesteld dat sprake is van avas, nu hij voorafgaande aan de schorsing van het kenteken van de auto bij verschillende instanties, zoals de belastingdienst en de gemeente, alsmede op het postkantoor, inlichtingen ingewonnen omtrent het al dan niet aanmerken van het parkeerterrein als onderdeel van de weg in de zin van artikel 5 van de Wet MRB. Nu de inspecteur ter zitting heeft aangegeven de redenering van belanghebbende te onderschrijven en in te kunnen stemmen met het laten vervallen van de boete, acht de rechtbank het beroep gegrond voor zover het de boete betreft.

2.11. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond.

3.Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan op 3 september 2007 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. drs. M.H. van Schaik, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 14 september 2007

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.