Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BJ9432

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
28-06-2007
Datum publicatie
07-10-2009
Zaaknummer
06/4261
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/4261

Uitspraakdatum: 28 juni 2007

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[eiser], wonende te [plaatsnaam], eiser,

en

de inspecteur van de Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de inspecteur van 9 augustus 2006 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende over het jaar 2002 opgelegde naheffingsaanslagen fosfaat- en stikstofheffing.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2007 te Breda.

Aldaar is verschenen en gehoord, namens de inspecteur, [naam inspecteur].

Belanghebbende is niet verschenen.

Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 23 april 2007 aan het adres [adres] te [plaatsnaam], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van TPG Post is gebleken dat de brief op 24 april 2007 is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Gronden

2.1. Belanghebbende is op 27 november 2002 uitgenodigd tot het doen van de “Verfijnde aangifte Minas 2002”. Belanghebbende heeft het aangiftebiljet ingediend, maar niet ingevuld. Na controle heeft de inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag fosfaatheffing opgelegd van € 10.494, alsmede een naheffingsaanslag stikstofheffing van

€ 5.030. Bij de uitspraken op bezwaar zijn de naheffingsaanslagen gehandhaafd.

2.2. In geschil is het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de inspecteur bevestigend.

2.3. Belanghebbende heeft in de van hem afkomstige stukken gesteld dat de Minas wet- en regelgeving waarvan de fosfaat- en stikstofheffing onderdeel uitmaken onjuist is. Hij vindt Minas een rekenkundige blunder.

2.4. Belanghebbendes grieven komen er samengevat alle op neer dat hij de Minas wet- en regelgeving waarop de fosfaat- en stikstofheffing zijn gebaseerd verwerpt als zijnde ondeugdelijk, onlogisch, onbillijk en onredelijk. Deze grieven kunnen hem evenwel niet baten. Het staat de rechter op grond van artikel 120 van de Grondwet en artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk (Stb. 1822, 10 en Stb. 1829, 28) immers niet vrij om formele wetgeving te toetsen op haar grondwettigheid, respectievelijk de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen. De Meststoffenwet (hierna: de Wet) mag evenmin worden getoetst aan algemene ongeschreven rechtsbeginselen. Van strijdigheid van de Wet met een ieder verbindende verdragsbepalingen is niet gebleken.

2.5. Ingevolge artikel 24 en 25 van de Wet, wordt de belastbare hoeveelheid bepaald door de hoeveelheid in een kalenderjaar aangevoerde mineralen verminderd met de hoeveelheid in een kalenderjaar afgevoerde mineralen. De inspecteur heeft in de van hem afkomstige stukken uiteengezet hoe hij de onderhavige naheffingsaanslagen heeft berekend. Ter zitting heeft hij hieromtrent verklaard, welke verklaring de rechtbank geloofwaardig acht, dat hij voor de hoeveelheid aangevoerde mineralen is uitgegaan van de hoeveelheid aangevoerde mineralen die volgt uit de voor het bedrijf van belanghebbende afgegeven afleveringsbewijzen bij aanvoer. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat de naheffingsaanslagen in zoverre terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd. Bij de naheffingsaanslagen heeft de inspecteur geen rekening gehouden met de afvoer van mineralen omdat hij niet over gegevens betreffende deze afvoer beschikt. Belanghebbende heeft ter zake van de afvoer van mineralen in de bezwaarfase noch in beroep gegevens verschaft. Gelet hierop heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat in 2002 sprake is geweest van afvoer van mineralen en heeft de inspecteur bij het vaststellen van de naheffingsaanslagen terecht geen rekening heeft gehouden met een dergelijke afvoer.

2.6. Gelet op al het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

De rechtbank vermeldt ten overvloede dat de inspecteur ter zitting heeft verklaard dat, indien belanghebbende aan hem alsnog gegevens over de afvoer verstrekt, hij bereid is de naheffingsaanslagen, zo deze gegevens daartoe aanleiding geven, ambtshalve te verminderen.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 28 juni 2007 door mr. W. Brouwer, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. J.M.C. Hendriks, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 3 juli 2007

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.