Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BJ4796

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
28-06-2007
Datum publicatie
07-08-2009
Zaaknummer
06/2929
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/2929

Uitspraakdatum: 28 juni 2007

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[eiser], wonende te [adres], eiser,

en

de inspecteur van de Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 17 mei 2006 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2002 opgelegde naheffingsaanslag fosfaatheffing.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2007 te Breda.

Aldaar is verschenen en gehoord, namens de inspecteur, [gemachtigde].

Belanghebbende noch zijn gemachtigde is verschenen.

Belanghebbendes gemachtigde is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 23 april 2007 aan het adres [adres], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van TPG Post is gebleken dat de brief op 26 april 2007 aan de gemachtigde is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.

1.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2.Gronden

2.1. Belanghebbende heeft op 3 november 2003 het aangifteformulier “Verfijnde aangifte 2002” ingediend naar een verschuldigd bedrag aan fosfaatheffing van nihil en een verschuldigd bedrag aan stikstofheffing van eveneens nihil. Na controle heeft de inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag fosfaatheffing opgelegd van € 11.754, alsmede bij beschikking een verzuimboete. Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar heeft de inspecteur de naheffingsaanslag verminderd tot € 11.376 en de verzuimboete verminderd tot nihil.

2.2. In geschil is het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de inspecteur bevestigend.

2.3. Ingevolge artikel 24 van de Meststoffenwet (hierna: de Wet), wordt de belastbare hoeveelheid bepaald door de hoeveelheid in een kalenderjaar aangevoerde mineralen verminderd met de hoeveelheid in een kalenderjaar afgevoerde mineralen. Op grond van artikel 2 van het Besluit voorraden Meststoffenwet (hierna: het Besluit) kan de belastbare hoeveelheid mineralen, bedoeld in artikel 24 van de Wet, worden vermeerderd met de beginvoorraad en verminderd met de eindvoorraad. Artikel 7 van het Besluit bepaalt dat artikel 2 uitsluitend van toepassing is op voorraden in een tijdig door de heffingsplichtige aangemelde opslag(en).

2.4. Niet in geschil is dat belanghebbende de door hem gehouden voorraad niet tijdig heeft aangemeld, zodat niet is voldaan aan de in het Besluit neergelegde eisen voor wat betreft de aanmelding van de voorraad. Nu de wet niet voorziet in het op andere wijze aannemelijk maken van eventueel aanwezige voorraden en evenmin in het bij de bepaling van de belastbare hoeveelheid op andere wijze rekening houden met dergelijke voorraden, is de rechtbank van oordeel dat bij het vaststellen van de naheffingsaanslag terecht geen rekening is gehouden met de door belanghebbende gehouden voorraad. De rechtbank benadrukt dat belanghebbende zelf verantwoordelijk blijft voor het tijdig aanmelden van de voorraad. In dit kader zij nog vermeld dat de verweerder ter zitting heeft verklaard en de rechtbank hecht hieraan geloof, dat ieder jaar aan bedrijven die een Minas-aangifte indienen - zo ook aan belanghebbende voor het jaar 2002 - een toelichting ten behoeve van het invullen van die aangifte wordt gestuurd waarin vermeld staat dat bij het bepalen van de hoeveelheid alleen de aangemelde voorraad wordt meegenomen en waarin tevens staat vermeld op welke wijze de aanmelding van de voorraad plaats kan vinden.

2.5. Vast staat dat in 2002 op het bedrijf van belanghebbende 6.797 kg fosfaat is aangevoerd en dat 5.533 kg fosfaat is afgevoerd. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag op deze hoeveelheden gebaseerd. De berekening van de inspecteur is niet in geschil. Gelet hierop en het overwogene onder 2.3. en 2.4 heeft de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd.

2.6. Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd kan hem niet baten, nu ingevolge artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk (Stb. 1822, 10 en Stb. 1829, 28) de rechtbank in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen.

2.7. Gelet op al het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

3.Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 28 juni 2007 door mr. W. Brouwer, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. J.M.C. Hendriks, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.