Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BI6798

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
17-08-2007
Datum publicatie
05-06-2009
Zaaknummer
AWB 06/4593
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

geen samenvatting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009, 1412

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/4593

Uitspraakdatum: 17 augustus 2007

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], België, eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiseres en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De in één geschrift vervatte uitspraken van de inspecteur van 11 september 2006 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM), alsmede de daarbij bij beschikking opgelegde vergrijpboete.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2007 te [woonplaats].

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van haar gemachtigde, alsmede de inspecteur.

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1. Vaststaat dat belanghebbende op 10 juni 2005 en 29 juni 2005 als bestuurster gebruik heeft gemaakt van de weg in Nederland, met een niet in Nederland geregistreerde personenauto voorzien van het Belgische kenteken [00000] (de personenauto).

2.2. De inspecteur heeft ter zake van het in 2.1 geconstateerde gebruik van de weg in Nederland met een niet in Nederland geregistreerde personenauto aan belanghebbende de onderhavige naheffingsaanslag BPM opgelegd waarbij het gebruik van de weg op 10 juni 2005 als moment van eerste gebruik is aangemerkt. Deze aanslag is gebaseerd op artikel 1, vijfde lid, juncto artikel 5, tweede lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet BPM). Artikel 1, vijfde lid, van de Wet BPM bepaalt dat ingeval een niet-geregistreerde personenauto feitelijk ter beschikking staat van een in Nederland wonende natuurlijk persoon, de belasting is verschuldigd ter zake van de aanvang van het gebruik met dat motorrijtuig in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994.

2.3. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende in Nederland woonachtig en zo deze vraag bevestigend moet worden beantwoord het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag, alsmede de boetebeschikking terecht en tot de juiste hoogte aan belanghebbende zijn opgelegd.

Ten aanzien van de woonplaats

2.4.1 In artikel 4, eerste lid, van de AWR is - voor zover hier van belang - bepaald dat waar iemand woont, naar de omstandigheden wordt beoordeeld. De fiscale woonplaats van een belastingplichtige dient derhalve vastgesteld te worden aan de hand van de feitelijke omstandigheden.

2.4.2. De inspecteur dient ten aanzien van het door haar ingeroepen artikel 1, vijfde lid, van de Wet BPM feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken dat belanghebbende inwoner van Nederland is. De inspecteur heeft de volgende feiten en omstandigheden gesteld die haar tot de conclusie leiden dat belanghebbende inwoner is van Nederland:

- Uit de gemeentelijke basisadministratie blijkt dat belanghebbende op 10 juni 2005 en 29 juni 2005 stond ingeschreven in de gemeente [woonplaats] (Nederland) op het adres [adres];

- Belanghebbende heeft zich op 7 maart 2006 laten uitschrijven uit de Gemeentelijke basisadministratie van [woonplaats], waarbij zij heeft aangegeven dat haar nieuwe adres [adres] te [woonplaats] (België) is;

- Belanghebbende heeft bij beide controles haar adres in [woonplaats] opgegeven;

- Belanghebbende heeft bij de eerste controle op 10 juni 2005 informatie ontvangen waarin is opgenomen dat zij, indien zij van mening is dat zij niet in Nederland woont, dit kan aangeven. Zij heeft hierop niet gereageerd.

2.4.3. Belanghebbende heeft gesteld ten tijde van de controles woonachtig te zijn in [woonplaats] (België) bij haar partner, de heer [de heer]. Ter onderbouwing van haar stelling voert zij aan dat de woning in Nederland leeg stond en zij deze niet mocht verhuren. Zij heeft de huur van woning niet onmiddellijk willen opgeven omdat zij wat zaken uit de woning, bijvoorbeeld een dure keuken, wilde verkopen. Om die reden heeft zij de inschrijving tot maart 2006 gehandhaafd. De heer [de heer], de partner van belanghebbende, verklaart ter zitting dat belanghebbende vanaf 2003 met hem samenwoonde in België. Belanghebbende heeft voor het overige niets aangevoerd waaruit blijkt dat zij op het tijdstip van de controles woonachtig was in België.

2.4.4. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur, op grond van hetgeen in 2.4.2 is aangevoerd, is geslaagd aannemelijk te maken dat belanghebbende op 10 juni 2005 en 29 juni 2005 inwoner van Nederland was. De in 2.4.3 vermelde betwisting door belanghebbende is door belanghebbende niet met bewijsmiddelen onderbouwd en is door de inspecteur voldoende en gemotiveerd weersproken. De enkele verklaring van de partner van belanghebbende dat zij vanaf 2003 bij hem in België woonachtig was, is van onvoldoende gewicht om anderszins te oordelen.

Ten aanzien van de naheffingsaanslag

2.5. Nu belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank op de controletijdstippen geacht wordt in Nederland woonachtig te zijn is tussen partijen in geschil of de onderhavige naheffingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte aan belanghebbende is opgelegd.

2.5.1. Op grond van artikel 1, vijfde lid, van de Wet BPM is, ingeval een niet-geregistreerde personenauto feitelijk ter beschikking staat van een in Nederland wonende natuurlijk persoon, belasting verschuldigd ter zake van de aanvang van het gebruik in Nederland van de weg met dat motorrijtuig.

2.5.2. Ingevolge artikel 12b van de Wet BPM kan, indien de verschuldigde belasting ter zake van het in artikel 1, vijfde lid, van de Wet BPM genoemde feit niet is betaald, ingeval van constatering van het gebruik van de weg, de belasting worden nageheven van degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft. Daarbij wordt het tijdstip van aanvang van het gebruik van de weg gesteld op het tijdstip van de constatering.

2.5.3. Belanghebbende is op 10 juni 2005 ter zake van het gebruik van de openbare weg in Nederland met een personenauto door ambtenaren van de Belastingdienst Douane gecontroleerd. Daarbij hebben de ambtenaren van de Belastingdienst Douane voor de eerste maal geconstateerd dat belanghebbende, wonende in Nederland, feitelijk gebruik maakte van de openbare weg in Nederland met een niet in Nederland geregistreerde personenauto.

Ter zake van dit gebruik hebben de betrokken ambtenaren belanghebbende, conform het Besluit van de Staatssecretaris van 30 januari 2001, nr. CPP 2002/1547M, zowel mondeling als schriftelijk geïnformeerd over de relevante bepalingen van de Wet BPM door uitreiking van een informatie- en waarschuwingsformulier. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende hiermede in voldoende mate in de gelegenheid is gesteld de personenauto alsnog in Nederland te registeren en de BPM te voldoen dan wel een vrijstellingsvergunning aan te vragen of het voertuig weer buiten Nederland te brengen. Tevens is belanghebbende hiermee in voldoende mate ingelicht omtrent de heffing van BPM. Vervolgens hebben de ambtenaren van de Belastingdienst Douane op 29 juni 2005 voor de tweede maal geconstateerd dat belanghebbende, wonende in Nederland, feitelijk gebruik maakte van de openbare weg in Nederland met een niet in Nederland geregistreerde personenauto.

2.5.4. Naar het oordeel van de rechtbank had belanghebbende op 10 juni 2005 en 29 juni 2005 de feitelijke beschikkingsmacht over de personenauto met het kenteken [00000]. Belanghebbende was zowel op 10 juni 2005 als op 29 juni 2005 bestuurder en had de personenauto met voornoemd kenteken geleend van haar partner. De personenauto stond belanghebbende daarom op voornoemde data feitelijk ter beschikking in de zin van artikel 1, vijfde lid, van de Wet BPM. Derhalve is belanghebbende ter zake van de aanvang van het gebruik van de weg in Nederland voor de personenauto BPM verschuldigd. Nu belanghebbende na de eerste constatering conform het onder 2.5.3 genoemde besluit is gewaarschuwd en in de gelegenheid is gesteld de personenauto alsnog in Nederland te registreren en de BPM te voldoen en voorts gesteld noch aannemelijk is gemaakt dat een vrijstelling ex artikel 14 van de Wet BPM is verleend, is de BPM terecht middels de onderhavige naheffingsaanslag van hem nageheven.

2.5.5. Belanghebbendes stelling dat de onderhavige naheffingsaanslag in strijd is met het verbod van beperkingen op het vrije verkeer van diensten als bedoeld in artikel 49 van het EG-Verdrag, wordt door de rechtbank verworpen. Nu belanghebbende ter onderbouwing van deze stelling niets heeft aangevoerd en de rechtbank voorts niet gebleken is dat sprake is van het verrichten van diensten in de zin van genoemd artikel kan van strijdigheid met dit artikel geen sprake zijn.

2.5.6. Belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt door de rechtbank verworpen. Belanghebbende heeft geen concrete, feitelijk en rechtens vergelijkbare gevallen genoemd waarin de heffing van BPM achterwege is gebleven.

2.5.7. Belanghebbendes stelling dat, kort samengevat, het ontbreken van een teruggaafregeling in de Wet BPM in strijd is met Europees recht, meer in het bijzonder met artikel 29 EG-verdrag in samenhang met artikel 90 EG-verdrag, het proportionaliteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel, wordt door de rechtbank verworpen onder verwijzing naar HR, 5 januari 2007, nr. 39530 ondermeer gepubliceerd in BNB 2007/135 c* waarin de Hoge Raad ondermeer navolgend heeft beslist:

(…)”Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat artikel 90 EG niet eraan in de weg staat dat belemmeringen als de onderhavige, bestaande in het niet kunnen terugkrijgen van BPM, waardoor met name de verhandeling van gebruikte auto's naar andere landen wordt getroffen, getoetst kunnen worden aan artikel 29 EG, leidt dit, naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is, niet tot het oordeel dat belanghebbende zich met vrucht op dat artikel kan beroepen. Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dat artikel 29 EG betrekking heeft op nationale maatregelen die een specifieke beperking van het uitgaande goederenverkeer ten doel of tot gevolg hebben en aldus tot een ongelijke behandeling van de binnenlandse handel en de uitvoerhandel van een lidstaat leiden, waardoor aan de nationale productie of de binnenlandse markt van de betrokken lidstaat een bijzonder voordeel wordt verzekerd (zie de arresten van het Hof van Justitie van 22 juni 1999, ED Srl v. Italo Fenocchio, C-412/97, Jurispr. blz. I-3845 en 8 november 2005, Jersey Produce Marketing Organisation Ltd, C-293/02, Jurispr. blz. I-0943). Van een ongelijke behandeling in voormelde zin is in het onderhavige geval geen sprake, aangezien voor alle auto's die in Nederland worden geregistreerd en waarmee op enig tijdstip in Nederland gebruik van de weg wordt gemaakt, BPM wordt geheven en voor zulke auto's in geen geval teruggaaf van BPM wordt verleend. Hierbij verdient opmerking dat de BPM een eenmalige belasting is die geen verband houdt met de tijdsduur of de intensiteit van het gebruik van de auto in Nederland. De in het middel gehuldigde opvatting dat een door artikel 29 EG verboden ongelijkheid wordt geschapen door het ontbreken van een teruggaafregeling, kan derhalve niet worden gevolgd.”(…)

2.5.8. Ook Belanghebbendes beroep op de artikelen 26 Internationaal verdrag voor de burgerlijke en politieke rechten en 14, van het Europese verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) juncto artikel 1 bij het eerste protocol EVRM, de zogenoemde non-discriminatie artikelen, wordt door de rechtbank verworpen. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van deze stelling niets aangevoerd en evenmin is de rechtbank gebleken dat er in casu sprake is van enige discriminatie op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

Ten aanzien van de boetebeschikking

2.6. Tot slot is tussen partijen in geschil of de vergrijpboete bij de naheffingsaanslag BPM terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende is opgelegd.

2.6.1. Op grond van artikel 67f van de AWR kan de inspecteur een vergrijpboete opleggen indien het aan belanghebbende te wijten is dat belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn is betaald. De boete kan ten hoogste 100 percent bedragen van de in het tweede lid van artikel 67f van de AWR omschreven grondslag. In dit tweede lid is vermeld dat de grondslag voor de boete het bedrag aan belasting is dat niet of niet tijdig is betaald. In paragraaf 25 van het Besluit Bestuurlijke Boete Belastingdienst (BBBB) wordt vermeld dat ten aanzien van vergrijpboeten, onder het begrip opzet dient te worden verstaan het willens en wetens handelen of nalaten, leidend tot het niet of niet binnen de daarvoor gestelde termijn heffen of betalen van belasting. Tevens is in deze paragraaf bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijk opzet valt en dat hieronder wordt verstaan het willens en wetens aanvaarden van de reële kans dat een handelen of nalaten tot gevolg heeft dat te weinig belasting geheven is of kan worden dan wel niet of niet tijdig betaald is.

In het derde lid van paragraaf 25 van het BBBB is bepaald dat indien sprake is van opzet de inspecteur een vergrijpboete kan opleggen van 50%.

2.6.2. De bewijslast ten aanzien van de aanwezigheid van opzet of grove schuld berust bij de inspecteur. Gelet op het overwogene in 2.5.3 is belanghebbende naar aanleiding van het eerste gebruik op 10 juni 2005 van de openbare weg in Nederland met de personenauto door ambtenaren van de Belastingdienst Douane zowel mondeling als schriftelijk geïnformeerd over de relevante bepalingen van de Wet BPM door uitreiking van een informatie- en waarschuwingsformulier. Gezien de uitreiking van de “waarschuwingsbrief” en de in 2.4.2 vermelde feiten, kon belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, redelijkerwijs niet tot de conclusie komen dat zij geen inwoner van Nederland was en de personenauto niet feitelijk ter beschikking had. Zo belanghebbende wel mocht menen dat zij geen inwoner van Nederland was dan had zij dat na de eerste controle aan moeten geven. Nu zij dit heeft nagelaten acht de rechtbank bewezen dat belanghebbende welbewust de verschuldigde BPM niet heeft voldaan en dat het aan haar opzet is te wijten dat te weinig belasting is betaald. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de inspecteur terecht een vergrijpboete aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank acht de opgelegde boete van € 3.331 in overeenstemming met de ernst van het vergrijp en is van oordeel dat de boete zowel absoluut als relatief passend en geboden is.

2.7. Gelet op al het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslag en de vergrijpboete terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende zijn opgelegd, zodat het beroep ongegrond is verklaard.

3. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 17 augustus 2007 door mr. W. Brouwer, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. L. Abbing-van Kleef, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.