Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BI6784

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
01-05-2007
Datum publicatie
05-06-2009
Zaaknummer
AWB 06/2457
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

geen samenvatting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/2457

Uitspraakdatum: 1 mei 2007

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De in één geschrift vervatte uitspraken van de inspecteur van 20 april 2006 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2001 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen en de bij beschikking vastgestelde boete.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2007.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde, alsmede de inspecteur.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond voor zover het de boete betreft;

- vernietigt de uitspraak op het bezwaar tegen de boetebeschikking;

- vermindert de boete tot nihil;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 38 aan deze vergoedt.

2. Gronden

2.1. Aan belanghebbende is in 2001 door zijn werkgever in verband met het verrichten van arbeid een personenauto ter beschikking gesteld. Dit betrof een [auto] met het kenteken [0000] en een cataloguswaarde van € 25.248.

2.2. In de aangifte over het jaar 2001 heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 55.988. Belanghebbende heeft in zijn aangifte een bedrag van € 118 aangegeven ter zake van het privé-gebruik van de door zijn werkgever aan hem ter beschikking gestelde personenauto. Belanghebbende vermeldt in de aangifte dat het aantal privé-kilometers 436 bedraagt.

2.3. Bij de aanslagregeling heeft de inspecteur een bedrag van € 6.194 ter zake van het privé-gebruik van de door de werkgever aan belanghebbende ter beschikking gestelde personen¬auto's bij het inkomen van belanghebbende geteld. Het verzamelinkomen is door de inspecteur aldus vastgesteld op € 62.182. Tevens is aan belanghebbende een vergrijpboete opgelegd ter hoogte van 50% van de correctie.

2.4. In geschil is het antwoord op de vraag of de correctie wegens privé-gebruik van de personenauto’s terecht is toegepast en of de vergrijpboete terecht is opgelegd. Belanghebbende is van mening dat beide vragen ontkennend dienen te worden beantwoord. De inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

2.5. Ingevolge artikel 3.145, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) wordt, indien aan de belastingplichtige ook voor privé-doeleinden een auto ter beschikking is gesteld, het voordeel op jaarbasis gesteld op ten minste 25% van de waarde van de auto. De auto wordt in ieder geval geacht ook voor privé-doeleinden ter beschikking te zijn gesteld tenzij blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt. Indien uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt, wordt het voordeel ingevolge artikel 3.145, tweede lid, van de Wet op nihil gesteld.

2.6. Voor het leveren van bewijs dat minder dan 500 kilometers in privé is gereden geldt de zogenaamde vrije bewijsleer. Het voeren van een kilometeradministratie (ook wel aangeduid als rittenregistratie) is niet de enige vorm van bewijs. Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, dient door middel van feiten en omstandigheden overtuigend aan te tonen dat hij in het onderhavige jaar, de door zijn werkgever aan hem ter beschikking gestelde personenauto voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden heeft gebruikt.

2.7. Belanghebbende heeft aan de inspecteur onder andere een rittenregistratie en declaraties van reiskosten overgelegd. Belanghebbende stelt dat hij, met hetgeen hij heeft overgelegd, voldoende heeft aangetoond dat hij met de door zijn werkgever aan hem ter beschikking gestelde personenauto niet meer dan 500 privé-kilometers heeft gereden. In privé heeft hij, samen met zijn echtgenote, de beschikking over een andere auto.

2.8. De inspecteur verdedigt primair het standpunt dat de door belanghebbende overgelegde rittenregistratie door het ontbreken van essentiële gegevens niet voldoet aan de formele vereisten die aan een rittenregistratie worden gesteld, zodat deze niet als overtuigend bewijs kan dienen. Subsidiair stelt de inspecteur dat de rittenregistratie materieel onbetrouwbaar is.

Volgens de inspecteur is de rittenregistratie niet sluitend en bevat zij een groot aantal onduidelijkheden en tegenstrijdigheden, waarvan onder meer in het verweerschrift een groot aantal voorbeelden wordt gegeven. In dit verband noemt de inspecteur bijvoorbeeld de omstandigheid dat de kilometerstanden volgens de Nationale Auto Pas en de opgaaf van het garagebedrijf afwijken van de rittenregistratie van belanghebbende en dat niet alle ritten afzonderlijk dan wel juist worden geregistreerd. Voorts stelt de inspecteur dat een grillig brandstofverbruik, zoals is geconstateerd op basis van de door belanghebbende overgelegde tankoverzichten, in samenhang met een aanvaardbaar verbruik op jaarbasis in zijn ervaring er op duidt dat er in de rittenregistratie met kilometers is geschoven.

2.9. Naar het oordeel van de rechtbank toont belanghebbende met zijn verweer tegen de stellingen van de inspecteur en hetgeen hij overigens heeft aangevoerd, niet aan dat hij de door zijn werkgever ter beschikking gestelde personenauto voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden heeft gebruikt. De rechtbank overweegt daarbij dat belanghebbende weliswaar verklaringen geeft voor de door de inspecteur gesignaleerde afwijkingen, onduidelijkheden en tegenstrijdigheden, maar dat hij deze verklaringen niet dan wel in onvoldoende mate onderbouwt met bewijskrachtige bescheiden of anderszins.

Belanghebbende heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan.

2.10. De inspecteur heeft aan belanghebbende op grond van artikel 67e van de AWR een vergrijpboete opgelegd van 50% omdat naar zijn mening sprake is van (voorwaardelijk) opzet; subsidiair is de inspecteur van mening dat in ieder geval sprake is van grove schuld. Belanghebbende betwist gemotiveerd dat sprake zou zijn van (voorwaardelijk) opzet of grove schuld. De rechtbank is op grond van hetgeen is aangevoerd en overgelegd van oordeel dat belanghebbende weliswaar verweten kan worden onzorgvuldig tewerk te zijn gegaan bij het bijhouden van zijn rittenregistratie, maar dat daarmee nog niet is komen vast te staan dat het aan zijn opzet of grove schuld is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vast¬gesteld. Het verweer van belanghebbende en met name diens geloofwaardige verklaring ter zitting brengt de rechtbank tot het oordeel dat de inspecteur niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast en het handelen van belanghebbende derhalve het opleggen van een boete als bedoeld in artikel 67e van de AWR niet rechtvaardigt.

2.11. Gelet op het vorenoverwogene verklaart de rechtbank het beroep ongegrond voor zover het gericht is tegen de navorderingsaanslag en gegrond voor zover het gericht is tegen de boete.

2.12. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 1 mei 2007 door mr A.A. den Hartog, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.C.W. Hermus, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.