Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BI4273

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
03-08-2007
Datum publicatie
18-05-2009
Zaaknummer
AWB 06/5038
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

geen samenvatting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009, 1349

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/5038

Uitspraakdatum: 3 augustus 2007

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], gevestigd te [woonplaats], eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [woonplaats], verweerder.

Eiser wordt hierna aangeduid als belanghebbende.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 30 augustus 2006 op het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking waarbij de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak), is gewaardeerd krachtens de Wet waardering onroerende zaken.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2007 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, de gemachtigde, alsmede verweerder.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- handhaaft de vastgestelde waarde op € 26.999;

- veroordeelt de verweerder in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 100 en wijst de gemeente [woonplaats] aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

- gelast dat de gemeente [woonplaats] het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 281 aan deze vergoedt.

2. Gronden

2.1. Verweerder heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, per waardepeildatum 1 januari 1999 (hierna: de waardepeildatum), vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 2001 tot 1 januari 2005 op € 37.500. Verweerder heeft op 3 oktober 2003 bij uitspraak op bezwaar de waarde verminderd tot € 26.999. Op 17 november 2005 heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het hof) de uitspraak op bezwaar vernietigd wegens schending van de hoorplicht en de zaak terugverwezen naar verweerder. Verweerder heeft daarop op 30 augustus 2006 opnieuw uitspraak op bezwaar gedaan, waarvan thans beroep, en de waarde vastgesteld op € 31.000.

2.2. Belanghebbende is uit hoofde van huur gebruiker van de onroerende zaak, zijnde een als praktijkruimte ingericht vertrek in de “[flat]”. De eigendom van de onroerende zaak berust bij [stichting].

2.3. De verweerder heeft de wettelijke termijnen voor het nemen van de beschikking of het doen van uitspraak op bezwaar niet overschreden. Voor dit geding mist betekenis of dit wel het geval is met betrekking tot andere, thans niet aan de orde zijnde, beslissingen.

2.4. Voor zover belanghebbende zich beroept op schending van de hoorplicht door verweerder overweegt de rechtbank dat geen omstandigheid aannemelijk is geworden welke leidt tot de conclusie dat het verloop van de hoorzitting onrechtmatig is geweest. Het is voorts niet aannemelijk geworden dat – voor zover belanghebbende dat al heeft willen stellen – de uitspraak op bezwaar krachtens mandaat is gedaan door een ambtenaar die ook de omstreden beschikking heeft genomen of dat de behandeling van het bezwaar (na terugwijzing door het hof) overigens in strijd met de wettelijke bepalingen heeft plaatsgevonden.

2.5. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd omtrent de herhaaldelijke onjuiste adressering van poststukken mist voor dit geding betekenis reeds omdat hij hierdoor niet op enigerlei wijze in zijn procespositie is geschaad.

2.6. Krachtens artikel 17, eerste lid, van de Wet WOZ wordt aan een onroerende zaak een waarde toegekend. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt deze waarde bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer, ofwel de prijs, die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald.

2.7. Nu verweerder feitelijk uitvoering heeft gegeven aan hetgeen in de eerste (door het hof vernietigde) uitspraak op bezwaar is beslist, dat wil zeggen de vastgestelde waarde van de onderhavige onroerende zaak ambtshalve heeft verminderd tot € 26.999, staat het hem niet meer vrij bij de na terugwijzing door het hof opnieuw te nemen uitspraak op bezwaar de waarde op een hoger bedrag dan € 26.999 vast te stellen. De uitspraak op bezwaar kan derhalve reeds hierom niet in stand blijven.

2.8. De bewijslast inzake de juistheid van de aan de onroerende zaak toegekende waarde ligt bij verweerder waarbij, gelet op hetgeen is overwogen onder 2.7., de rechtbank slechts heeft te beoordelen of aannemelijk is gemaakt dat de waarde van € 26.999 niet te hoog is.

2.9. Verweerder heeft de door hem verdedigde waarde onderbouwd met behulp van de huurwaardekapitalisatiemethode. Naar het oordeel van de rechtbank is dit voor objecten als het onderhavige een bruikbare methode. Tot de door verweerder overgelegde stukken behoort een ‘referentiestelsel courante niet-woningen’ met gegevens omtrent onder meer de huurwaarden en kapitalisatiefactoren in de gemeente [woonplaats], onderbouwd aan de hand van gegevens omtrent referentieobjecten. Hiermee heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat een waarde van € 26.999 niet te hoog is.

2.10. Belanghebbende heeft gewezen- zakelijk weergegeven - op de omstandigheid dat gebruikers van vergelijkbare ruimten in een in de gemeente gelegen ziekenhuis niet in de heffing van de onroerende-zaakbelasting worden betrokken. Die omstandigheid kan belanghebbende echter niet baten omdat – wat er ook moge wezen van de vraag of heffing op deze wijze op juiste wijze plaatsvindt – de verweerder onweersproken heeft betoogd dat het ziekenhuis ook voor de desbetreffende praktijkruimten in de heffing is betrokken onder de afspraak de gebruikersheffing door te berekenen aan de feitelijke gebruikers. Ten opzichte van belanghebbende worden de desbetreffende feitelijke gebruikers dan niet bevoordeeld zodat belanghebbendes verwijzing naar de heffing bij die feitelijke gebruikers hem niet kan baten.

2.11. Belanghebbendes verwijzing naar de overige gebruikers van bedrijfsruimte(n) in de “flat” miskent dat voor die ruimte(n) de [stichting] terecht als gebruiker in de heffing betrokken. Het volgtijdig gebruik van de desbetreffende ruimte(n) door verschillende dienstverleners maakt hen niet tot gebruiker voor de heffing van de onroerende-zaakbelasting.

2.12. De enkele omstandigheid dat belanghebbende gedurende een groot aantal jaren niet in de heffing van de onroerende-zaakbelasting is betrokken (en geen waardebeschikking heeft ontvangen) brengt niet mee dat de verweerder gehouden zou zijn zulks ook thans achterwege te laten. Belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt derhalve evenmin.

2.13. Hetgeen belanghebbende aanvoert omtrent in rekening te brengen of te betalen invorderingsrente is voor dit geding – dat geen betrekking heeft op een beschikking inzake de invorderingsrente – niet van betekenis.

2.14. Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.7. dient de uitspraak op bezwaar te worden vernietigd en de vastgestelde waarde te worden gehandhaafd op het bedrag van € 26.999 waartoe die waarde reeds ambtshalve was verminderd.

2.15. Het beroep is derhalve gegrond verklaard.

2.16. De rechtbank vindt aanleiding de verweerder te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht in goede justitie begroot op € 100 aan reis- en verletkosten waarbij de rechtbank in aanmerking heeft genomen dat als verletkosten uitsluitend de kosten voor het bijwonen van de zitting in aanmerking kunnen worden genomen.

Deze uitspraak is gedaan op 3 augustus 2007 door mr. drs. F.J.P.M. Haas, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.M. Dondorp-Loopstra, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.