Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BG6488

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
29-05-2007
Datum publicatie
10-12-2008
Zaaknummer
AWB 06/3581
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

geen samenvatting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/3581

Uitspraakdatum: 29 mei 2007

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te '[woonplaats], eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [woonplaats], verweerder.

Eiser wordt hierna aangeduid als belanghebbende.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 10 juli 2006 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem in rekening gebrachte bouwleges ad € 406,75.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2007.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, tot bijstand vergezeld van zijn echtgenote, alsmede verweerder.

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1. Met betrekking tot belanghebbendes ter zitting ingebrachte grief dat hij alvorens uitspraak op bezwaar is gedaan, in strijd met het bepaalde in artikel 7:2 van de Awb niet is gehoord merkt de rechtbank op dat gelet op artikel 25, vierde lid, van de AWR belanghebbende, in afwijking van artikel 7:2 van de Awb, gehoord wordt op zijn verzoek. Nu gesteld noch gebleken is dat belanghebbende aan de verweerder een dergelijk verzoek heeft gedaan treft deze grief geen doel.

2.2. Op 23 november 2005 is door controlerend ambtenaren van de gemeente [woonplaats] geconstateerd dat er op het perceel [adres] te ’[woonplaats] een aanvang was gemaakt met de bouw van een berging. Voor deze bouw was geen bouwvergunning verleend. Van deze constatering is een controlerapport opgemaakt, waarbij een foto is bijgevoegd waarop de datum 23 november 2005 is vermeld, van het object dat de ambtenaren hebben aangetroffen op voornoemd adres. Bij aangetekend schrijven van 24 november 2005 is vervolgens aan belanghebbende medegedeeld de bouwwerkzaamheden stil te leggen en de benodigde vergunning aan te vragen.

2.3. Belanghebbende heeft vervolgens op 6 maart 2006 een aanvraag ingediend voor een bouwvergunning voor een berging. Hierbij heeft hij een foto overgelegd vrijwel identiek aan de foto van 23 november 2005 voornoemd. Op 28 maart 2006 is de bouwvergunning door de burgemeester en wethouders van de gemeente [woonplaats] verleend, waarbij de reeds verrichte bouwwerkzaamheden werden gelegaliseerd. Ten aanzien van de legalisatie is op grond van artikel 3.2.7. van de Tabel behorende bij de Legesverordening 2006 van de gemeente [woonplaats] (hierna: de Tabel), een bedrag van € 300 in rekening gebracht. Het beroep van belanghebbende richt zich tegen dit bedrag.

2.4. Artikel 3.2.7. van de Tabel luidt als volgt:

“Indien een aanvraag tot het verkrijgen van een bouwvergunning betrekking heeft op een bouwwerk, waarvan de bouw gestart is, dan wel heeft plaatsgevonden, zonder dat een bouwvergunning is verleend, wordt het overeenkomstig 3.2.1, 3.2.2, 3.2.3, 3.2.4 berekende bedrag verhoogd met € 300.”

2.5. Belanghebbende stelt dat de verhoging van de leges zoals omschreven in artikel 3.2.7 van de Tabel het karakter heeft van een boete als bedoeld in artikel 67g AWR en in strijd het vierde lid van dat artikel niet afzonderlijk op het aanslagbiljet is vermeld. Belanghebbendes grief faalt. Hierbij merkt de rechtbank op dat de leges het karakter hebben van een vergoeding van kosten voor een door verweerder jegens belanghebbende verrichte dienst, in casu het in behandeling nemen van de aanvraag voor een bouwvergunning voor de reeds aangevangen bouw van een berging. Verweerder is vrij in het vaststellen van haar tarieven, tenzij er sprake is van in strijd met het bepaalde in artikel 219, tweede lid, van de Gemeentewet heffen naar draagkracht, dan wel dat in strijd met het bepaalde in artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet de tarieven zodanig zijn vastgesteld dat de geraamde baten van de leges uitgaan boven de geraamde lasten. Strijd met de artikelen 219, tweede lid en artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet is de rechtbank niet gebleken.Verweerder heeft voorts gemotiveerd gesteld dat met het in behandeling nemen van een aanvraag voor een bouwvergunning voor een gebouw waarvan de bouw reeds is aangevangen extra kosten gemoeid zijn. Voor zover belanghebbende met hetgeen hij heeft aangevoerd heeft gesteld dat de in rekening gebrachte leges te hoog zijn in relatie met de door de verweerder in casu te maken kosten volgt de rechtbank hem niet. Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 18 september 1991,nr. 27 457, gepubliceerd in BNB 1991/351 heeft overwogen, blijkt uit de geschiedenis van de geldende wettelijke regeling inzake de heffing van leges door gemeenten dat de wetgever geen rechtstreeks verband tussen de hoogte van de leges en de omvang van de ter zake van gemeentewege verstrekte diensten heeft geëist.

2.6. Belanghebbende stelt voorts dat nu andere gemeenten een dergelijke verhoging van leges niet kennen, er sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Hiertoe voert belanghebbende aan dat hij tientallen tarieventabellen van leges van andere gemeenten heeft gedownload waarin een dergelijke verhoging van de leges niet voorkomt. Naar het oordeel van de rechtbank faalt het beroep op het gelijkheidsbeginsel. Hierbij overweegt de rechtbank dat voor de beoordeling in casu van de schending van het gelijkheidsbeginsel niet van belang is, of en de wijze waarop, andere gemeenten een verhoging van leges kennen in gevallen als het onderhavige. Voor het overige heeft belanghebbende op wie de last drukt een begin van bewijs bij te brengen van de schending van het gelijkheidsbeginsel door verweerder, niets aangevoerd.

2.7. Belanghebbendes stelling dat indien de zes palen worden gezien als een bouwwerk, dit bouwwerk valt onder de vergunningsvrije bouwwerken, kan hem niet baten nu in artikel 3.2.7 van het Legesbesluit uitdrukkelijk is opgemerkt dat de verhoging van de leges geldt voor bouwwerken waarvan de bouw gestart is. Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank sprake.

2.8. Tot slot merkt de rechtbank op dat belanghebbende bij zijn aanvraag voor een bouwvergunning een foto heeft overgelegd die sterke gelijkenis vertoont met de foto die is gemaakt door de controlerend ambtenaren. Hieruit leidt de rechtbank af dat belanghebbende in elk geval ten tijde van de aanvraag van de vergunning de intentie had het bouwwerk zoals getoond op de foto van 23 november 2005 te realiseren. Dat uiteindelijk tijdens de bouw aan het bouwwerk wijzigingen zijn aangebracht doet aan voornoemd oordeel niet af.

2.9. Belanghebbendes overige grieven leiden, wat daar verder van zij, niet tot een verlaging van de in geschil zijnde nota leges.

2.10. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

3. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 29 mei 2007 door mr. W. Brouwer, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. L. Abbing-van Kleef, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.