Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BG6472

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
12-04-2007
Datum publicatie
10-12-2008
Zaaknummer
AWB 06/2703
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

geen samenvatting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009/104

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/2703

Uitspraakdatum: 12 april 2007

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst.

Eiseres en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De in één geschrift vervatte uitspraken van de inspecteur van 11 april 2006 op de bezwaren van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2002 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking heffingsrente.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2007 te Roermond. De zaken met procedurekenmerken 06/2703 tot en met 06/2706 zijn daar tegelijk behandeld. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van haar echtgenoot, alsmede de inspecteur.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep voor zover het betreft de beschikking heffingsrente gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar inzake de heffingsrente alsmede de beschikking heffingsrente;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 42,50, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 38 aan deze vergoedt.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende was over het onderhavige jaar in het geheel geen inkomstenbelasting verschuldigd en haar echtgenoot was over het onderhavige jaar € 139 inkomstenbelasting verschuldigd.

2.2. Op grond van het bepaalde in de artikelen 8.8 en 8.9 van de Wet IB 2001 en het in 2.1 weergegeven feit kwam belanghebbende in het onderhavige jaar in aanmerking voor een bedrag aan heffingskorting van € 139. De definitieve aanslag 2002, waarbij het op grond van de voorlopige teruggaaf van 15 januari 2002 teveel uitbetaalde gedeelte van de heffingskorting werd teruggevorderd, is derhalve terecht opgelegd.

2.3. De rechtbank is van oordeel dat geen in rechte te beschermen vertrouwen kan worden ontleend aan het conform een verzoek verlenen van een teruggaaf bij voorlopige aanslag. Immers ten tijde van het verlenen van die voorlopige teruggaaf, namelijk in het begin van het tijdvak waarvoor die teruggaaf geldt, kan geen sprake zijn geweest van een bewuste standpuntbepaling van de inspecteur nu deze op dat moment nog niet over alle feiten en omstandigheden die dat belastingtijdvak betreffen heeft kunnen beschikken.

2.4. Voor zover belanghebbende zich er over beklaagt dat de aanslag pas bijna vier jaar na de voorlopige teruggave is opgelegd, faalt deze klacht nu de aanslag is opgelegd binnen de aanslagtermijn van artikel 11, derde lid van de AWR, en voor een geval als het onderhavige voor de inspecteur niet de plicht geldt dit eerder te doen.

2.5. Er bestaat voor de belastingdienst geen verplichting om inwoners die in het buitenland werken en/of hun partners als aparte groep te administreren en de voorlichting aan deze specifieke groep aan te passen. De grief dat de belastingdienst dit heeft nagelaten kan derhalve niet leiden tot een lagere aanslag zodat de rechtbank daar verder aan voorbij gaat.

2.6. Vaststaat dat het verzoek om teruggaaf spreekt over het “toetsingsinkomen” van de partner terwijl de door die partner daadwerkelijk betaalde inkomstenbelasting voor de toepassing van de heffingskorting van belang is. Eerst in de toelichting op het formulier wordt hiernaar verwezen. Bovendien staat vast dat de belastingdienst actief bijdraagt aan het in een zo vroeg mogelijk stadium uitkeren van de heffingskorting.

2.7. Met betrekking tot de heffingskorting is de rechtbank van oordeel dat de in een jaar te verlenen heffingskorting wordt bepaald door het in de Wet IB 2001 daaromtrent gestelde en niet door een formulier. De omstandigheid dat het formulier en de toelichting daarop bij een belastingplichtige de indruk wekken dat recht op de heffingskorting bestaat, terwijl dit naar die wet niet het geval is, moet worden aangemerkt als een aan die belastingplichtige verstrekte inlichting. Nu gesteld noch gebleken is dat belanghebbende schade heeft geleden doordat zij, afgaande op de tekst van genoemde stukken, enige handeling heeft verricht of nagelaten, kan zij niet het in rechte te beschermen vertrouwen aan deze stukken ontlenen dat zij recht had op uitbetaling van de volledige heffingskorting.

2.8. De rechtbank is echter van oordeel dat in een geval als in 2.6 genoemd, waarbij het niet aanstonds duidelijk is dat de betaalde belasting de toetssteen is, het formulier waarbij het verzoek wordt gedaan dit niet vermeldt en welk formulier op zich zelf voldoende duidelijk is, voor het in rekening brengen van heffingsrente geen plaats is in een geval dat er weliswaar inkomen is maar geen belasting is verschuldigd, waardoor tot een te hoog bedrag heffingskorting is uitgekeerd bij de voorlopige teruggaaf. Immers bij de toetsing vooraf door belastingplichtige zelf, wordt deze naar het oordeel van de rechtbank namelijk door het door de belastingdienst ontworpen en verplicht gestelde formulier op het verkeerde been gezet, nu niet het inkomen van de partner van belang is maar de door die partner betaalde belasting en premies. In dat geval is voor het in rekening brengen van heffingsrente over ten onrechte verleende teruggaven naar het oordeel van de rechtbank geen plaats. De uitspraak op bezwaar betreffende de heffingsrente en de beschikking heffingsrente worden derhalve vernietigd.

2.9. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard.

3. Proceskosten

3.1. Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van de kosten van de bezwaarfase en van de beroepsfase. Tot de gedingstukken behoort een overzicht van de kosten van de beroepsfase. In dit overzicht zijn als kosten opgenomen het betaalde griffierecht, reiskosten en verletkosten.

3.2. Nu pas in de beroepsfase voor het eerst om vergoeding van de kosten van de bezwaarfase is verzocht, komen deze kosten op grond van het bepaalde in artikel 7:15, derde lid, van de Awb niet voor vergoeding in aanmerking.

3.3. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank stelt deze kosten op de reis- en verletkosten voor het bijwonen van de zitting. De maximale vergoeding voor verletkosten bedraagt, ingevolge artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit), € 53,09 per uur. De rechtbank stelt de verletkosten van de eisende partij op de verletkosten van belanghebbendes echtgenoot, uitgaande van drie verleturen, in goede justitie vast op € 150. De reiskosten voor het bijwonen van de zitting worden voor belanghebbende en haar echtgenoot aangemerkt als reiskosten van de eisende partij en becijferd op basis van het openbaar vervoer tweede klasse op een bedrag van € 10,02, maal twee, ofwel afgerond € 20, zodat in totaal voor vergoeding in aanmerking komt € 170.

3.4. Met betrekking tot de zaken met procedurekenmerken 06/2703 tot en met 06/2706 gaat de rechtbank ervan uit dat het vier samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit zijn en zal de rechtbank in ieder van deze zaken een proceskostenvergoeding toekennen van € 42,50 (€ 170 gedeeld door vier zaken).

Deze uitspraak is gedaan op 12 april 2007 door mr. C.A.F.M. Stassen, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I. van Wijk, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.