Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BC8144

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
19-12-2007
Datum publicatie
31-03-2008
Zaaknummer
387559 cv 06-1267 en 404642 cv 06-4550 en 404769 cv 06-4568
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

produktaansprakelijkheid. arbeidsongeval. naamverbinder. artt.6:173; 6:181lid 2 ;6:187 BW ;formele rechtskracht beschikking Arbeidsinspectie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0241
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector kanton

Locatie Tilburg

zaak/rolnr.: 387559-CV-06/1267, 404642-CV-06/4550 en 404769-CV-06/4568

vonnis d.d. 19 december 2007

inzake

de besloten vennootschap S.V.E.N. TRANSPORT B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Heusden,

eisende partij in de hoofdzaak bij exploot van dagvaarding d.d. 13 februari 2006,

gemachtigde: mr. A.C. van Schaick, advocaat te Tilburg,

tegen:

1. de besloten vennootschap ALBERT HEIJN B.V.,

gevestigd te Zaandam, mede gevestigd en kantoorhoudende te 5041 GB Tilburg, Jan Heijnsstraat 10,

gemachtigde: mr. M.B. Esseling, advocaat te Rotterdam,

2. de besloten vennootschap T.I.P. TRAILER RENTAL B.V.,

gevestigd te Amsterdam, Amsteldijk 166,

gemachtigde: mr. T. Cieremans, advocaat te Rotterdam,

rolgemachtigde: J.H.L. God, deurwaarder te Tilburg

gedaagden bij voormeld exploot.

en

de besloten vennootschap T.I.P. TRAILER RENTAL B.V.,

gevestigd te Amsterdam, Amsteldijk 166,

eiseres in vrijwaring,

gemachtigde: mr. T. Cieremans, advocaat te Rotterdam,

rolgemachtigde: J.H.L. God, deurwaarder te Tilburg

t e g e n

de besloten vennootschap ALBERT HEIJN B.V.,

gevestigd te Zaandam, mede gevestigd en kantoorhoudende te 5041 GB Tilburg, Jan Heijnsstraat 10,

gedaagde in vrijwaring,

gemachtigde: mr. M.B. Esseling, advocaat te Rotterdam,

alsmede

de besloten vennootschap ALBERT HEIJN B.V.,

gevestigd te Zaandam, mede gevestigd en kantoorhoudende te 5041 GB Tilburg, Jan Heijnsstraat 10,

eiseres in vrijwaring,

gemachtigde: mr. M.B. Esseling, advocaat te Rotterdam,

t e g e n

de besloten vennootschap T.I.P. TRAILER RENTAL B.V.,

gevestigd te Amsterdam, Amsteldijk 166,

gedaagde in vrijwaring,

gemachtigde: mr. T. Cieremans, advocaat te Rotterdam,

rolgemachtigde: J.H.L. God, deurwaarder te Tilburg

Het verloop van het geding

Dit blijkt uit de navolgende stukken:

a. het tussenvonnis d.d. 9 mei 2007 met alle daarin genoemde stukken,

b. de conclusie na tussenvonnis en

c. de antwoordconclusies na tussenvonnis.

De inhoud van deze stukken, met inbegrip van de daarbij over¬gelegde bescheiden, wordt als hier ingevoegd beschouwd.

De verdere beoordeling van het geschil

In de hoofdzaak

Partijen zullen in dit vonnis worden aangeduid met repectievelijk SVEN, Albert Heijn en TIP.

1. Bij voormeld tussenvonnis is samengevat vastgesteld dat nadere inlichtingen van de kant van SVEN moesten komen omtrent het gebrek, namelijk in hoeverre de arbeidsinspectie van een onjuiste en premature uitleg van de machinerichtlijn is uitgegaan. Voorts moest in het kader van de productenaansprakelijkheid nader worden aangeduid in hoeverre sprake is van normaal te verwachten gebruik, waarbij er in dit geval van uitgegaan moet worden dat aan de lussen werd getrokken vanaf de buitenzijde terwijl de deur slecht een meter open was. Het gewicht van de deur en het gedrag daarvan zonder druk is voorts van belang; in hoeverre zou er een mogelijkheid zijn geweest om de deur met armkracht op te vangen dan wel om tijdig de armen onder de deur uit te halen. Er dient aandacht voor te zijn dat de verwachtingen die in de relatie tot werknemer-werkgever niet gelijk kunnen zijn als in de verhouding tussen producent en consument. De laatste feitelijke vraagstelling kan voorts aan de orde komen in het kader van de beoordeling van de aansprakelijkheid voor onrechtmatige daad en wordt om praktische redenen reeds thans aan de orde gesteld.

Voorts werd van belang geacht dat enerzijds producentenaansprakelijkheid wordt gepretendeerd in welk verband TIP als aansprakelijke zou zijn aan te merken en waarmee aansprakelijkheid ex artikel 173 BW zou vervallen terwijl de aansprakelijkheid op grond van 6:181 lid 2 BW volgens TIP hoofdelijke aansprakelijkheid uitsluit zodat alleen Albert Heijn aansprakelijk zou zijn.

2. SVEN heeft zakelijk weergegeven als volgt gereageerd.

De arbeidsinspectie heeft geweigerd om op de zaak in te gaan. Uit de brief van Albert Heijn van 29 juni 2004 blijkt dat zij bekend is met de resultaten van het onderzoek van de arbeidsinspectie en dat zij daarin aanleiding ziet om SVEN te verwijzen naar TIP; Albert Heijn sluit haar brief af met de mededeling dat zij de claim van SVEN heeft doorgestuurd naar TIP. TIP heeft daarop gereageerd en Albert Heijn geantwoord bij brief van 26 augustus 2004. Daaruit blijkt dat TIP de bevindingen van de arbeidsinspectie onderschrijft en slechts met Albert Heijn van mening verschilde over het juiste antwoord op de vraag wie van hen twee voor deze schade verantwoordelijk was. Daarom heeft niemand destijds het standpunt ingenomen dat tegen de beschikking van de Arbeidsinspectie bezwaar gemaakt moest worden. In deze procedure moet dan ook niet alleen worden uitgegaan van de formele rechtskracht van de beschikking ten laste van SVEN maar ook ten aanzien van Albert Heijn en TIP. Pas op 22 mei 2006, dus meer dan drie maanden nadat de dagvaarding aan haar was uitgebracht, heeft TIP het standpunt ingenomen dat de beschikking van de inspectie onjuist was. Het standpunt is daarom ook tardief.

SVEN betwist dat de Arbeidsinspectie is uitgegaan van het onjuiste uitgangspunt dat de roldeur onder het toepassingsgebied van de Machinerichtlijn zou vallen. In 2004 onderschreef TIP de bevindingen van de Arbeidsinspectie en heeft in de loop van deze procedure het standpunt van de Arbeidsinspectie nooit eerder met de Machinerichtlijn in verband gebracht. Uit geen enkele brief van de Arbeidsinspectie is af te leiden dat de boete die aan SVEN is opgelegd met een (interpretatie van) die Machinerichtlijn verband houdt. De arbeidsinspectie heeft geweigerd nadere informatie te verschaffen. De formele rechtskracht staat eraan in de weg dat de bevindingen van de Arbeidsinspectie nu nog ter discussie gesteld kunnen worden.

Als men de trailers van TIP bekijkt is evident dat de - geslaagde - bedoeling van de tenaamstelling op de trailers juist is dat de derden de bewuste trailers identificeren als trailers van TIP. Artikel 6: 187 BW is niet tot grootwinkel-of postorderbedrijven beperkt. De redenen waarom een naam- of merkverbinder met de producent wordt gelijkgesteld is dat de gelaedeerde consument op gemakkelijke wijze de (of een) producent van het schadebrengend product moet kunnen vinden.

SVEN kan de vragen over de roldeuren, hun werking en hun beveiliging niet uit eigen wetenschap beantwoorden. Volgens informatie van Truckdoorservice zijn er met roldeuren van trailers meer ongelukken gebeurd, sommige vergelijkbaar met het ongeluk dat [slachtoffer] is overkomen. Daarom is momenteel een “dodemansbediening” verplicht gesteld waardoor een roldeur alleen maar in beweging kan zijn als er een knop ingedrukt wordt gehouden.

[slachtoffer] heeft aan de lus getrokken omdat de roldeur was vastgelopen. Deze beslissing is, in het licht van de omstandigheden, begrijpelijk; hij kon niet vertrekken als de deur van de trailer niet dicht was. Hij heeft gedacht dat hij de deur los zou kunnen krijgen door met behulp van de lus aan de deur te wrikken. De lus is ook bedoeld voor een handmatige bediening van de roldeur. [slachtoffer] heeft er geen rekening mee gehouden - en blijkens de bevindingen van de Arbeidsinspectie geen rekening mee hoeven houden - dat de roldeur zou neerslaan nadat zij zou zijn losgekomen. Het is juist het “neerslaan”van de deur dat de schade heeft veroorzaakt. Als de deur, die een gewicht heeft van 70 tot 130 kilo, normaal naar beneden zou zijn gerold zou [slachtoffer] op tijd zijn armen hebben kunnen terugtrekken of de deur hebben kunnen opvangen met zijn handen of armen. Voorzienbaar verkeerd gebruik ontheft de producent niet van zijn aansprakelijkheid voor de volledige schade.

Ten aanzien van TIP en Albert Heijn moet uitgegaan worden van de formele rechtskracht van de beschikking van de Arbeidsinspectie. Een nader onderzoek naar de gebrekkigheid van de roldeur is in de hoofd procedure niet nodig. SVEN heeft haar vordering alternatief ingesteld.

3. Albert Heijn heeft verkort weergegeven als volgt gereageerd.

Albert Heijn en SVEN zijn het er over eens dat de trailer niet de veiligheid bood die men daarvan mag verwachten, alle omstandigheden in aanmerking genomen en in het bijzonder de presentatie van het product, het redelijkerwijs te verwachten gebruik van het product en het tijdstip waarop het product in het verkeer werd gebracht. De beweerdelijke aansprakelijkheid van Albert Heijn kan niet aan de orde zijn zolang de aansprakelijkheid van TIP ex artikel 6:185 BW ontbreekt.

Voorts zou eerst beoordeeld dienen te worden of TIP jegens SVEN aansprakelijk is op grond van de subsidiaire grondslag van artikel 6: 162 BW die SVEN heeft aangevoerd. Kennelijk heeft SVEN haar vordering thans gewijzigd en wenst zij een veroordeling van Albert Heijn danwel TIP en niet langer van beiden. Aangezien TIP de eigenaar van de trailer is en de schade van [slachtoffer] blijkens het rapport van de Arbeidsinspectie is veroorzaakt door de drukopbouw in de cilinder in de trailer, valt deze schade eerder binnen de risicosfeer van TIP dan van Albert Heijn.

De regelgeving waarnaar de Arbeidsinspectie verwijst zegt niets over het gevaar waar het hier om gaat. In de genoemde artikelen wordt slechts bepaald dat de werkgever verplicht is de voorschriften van het Arbeidsomstandighedenbesluit na te leven dat een arbeidsmiddel van een deugdelijke constructie dient te zijn, dat het gevaar bekneld te raken dient te worden voorkomen dan wel zoveel mogelijk dient te worden beperkt en dat overtreding van deze bepalingen beboetbare feiten oplevert. Het gaat in deze procedure om de vraag of in de kring waartoe Albert Heijn behoort bekend is dat een roldeur met extra kracht naar beneden kan komen indien de roldeur geen overdrukbeveiliging heeft en vastloopt. Dat is niet het geval.

De Arbeidsinspectie heeft in haar rapport geconstateerd dat de roldeur niet CE gekeurd was en is in dat verband kennelijk (met recht) uitgegaan van de toepasselijkheid van de Machinerichtlijn.

Aangenomen kan worden dat de schade niet zou zijn ontstaan als er een overdrukbeveiliging zou zijn geweest. [slachtoffer] heeft het roldeursysteem door vanaf de buitenzijde aan de lus te trekken, niet gebruikt op een naar objectieve maatstaven te beoordelen, apert onjuiste of onvoorzichtige wijze, zodat dit gebruik redelijkerwijs te verwachten was.

4. TIP heeft zakelijk weergegeven als volgt gereageerd.

TIP was wel op de hoogte van het bestaan van de boetebeschikking maar er was geen reden om inhoudelijk op de beschikking in te gaan omdat TIP geen belanghebbende is bij de beschikking. Pas tijdens de civielrechtelijke procedure ontstond een reden voor TIP om inhoudelijk op de beschikking in te gaan.

TIP ontkent uitdrukkelijk dat zij het eens zou zijn (geweest) met de conclusie van de Arbeidsinspectie en heeft in haar brief van 26 augustus 2004 slechts gesteld dat zij tot de conclusie kwam dat er sprake was van een mankement aan de roldeur en dat de roldeur derhalve op dat moment niet deugdelijk was om mee te werken, hetgeen in de gegeven omstandigheden niet kan worden ontkend. Dat betekent niet dat TIP het eens is met de algehele conclusie van de Arbeidsinspectie. TIP was niet gehouden om SVEN van munitie te voorzien om te kunnen ageren tegen de beschikking van de Arbeidsinspectie.

TIP betwist dat de beschikking van de Arbeidsinspectie ook ten aanzien van haar en Albert Heijn formele rechtskracht heeft. Deze ziet op het geval dat de partij die de geldigheid betwist, het rechtens vereiste belang had de beschikking in een bestuurlijke rechtsgang ter toetsing voor te leggen. Voor het bestaan van formele rechtskracht jegens TIP is minstens vereist dat TIP is aan te merken als rechtstreekse belanghebbende; een afgeleid belang is onvoldoende. Een boetebeschikking heeft een zodanig karakter dat er geen andere belanghebbenden zijn dan de geadresseerde. De weg naar de civiele rechter voor toetsing van de rechtmatigheid van het besluit staat derhalve open voor TIP en zij kan de bevindingen van de Arbeidsinspectie in de onderhavige procedure derhalve ter discussie stellen. TIP wil aantonen dat het rapport van de Arbeidsinspectie niet tot enig bewijs van de stellingen van SVEN kan dienen omdat het rapport op verkeerde uitgangspunten gebaseerd is.

SVEN heeft niet voldoende onderbouwd betwist dat een gegeven is dat ook vandaag de dag geen overdrukbeveiliging is aangebracht op (alle) trailers als de onderhavige.

De erkenning van SVEN dat hoofdelijkheid niet mogelijk is dient onomstotelijk te leiden tot de conclusie dat van aansprakelijkheid van TIP jegens SVEN geen sprake kan zijn.

TIP is niet de producent van de onderhavige roldeur c.q. trailer en kan op basis van naamgevers aansprakelijkheid niet als producent worden aangemerkt. TIP profileert zich met haar naam op de trailers als eigenaar en verhuurder van de trailer, niet als producent. SVEN is een professioneel transportbedrijf en geen consument.

5. De kantonrechter overweegt als volgt.

5.1 Onbetwist is dat TIP niet de producent van de trailer of de roldeur is. SVEN heeft zich in dat verband beroepen op de naam die TIP op de trailer heeft aangebracht. Als men de trailers van TIP bekijkt is volgens SVENs nadere stellingen evident dat de - geslaagde - bedoeling van de tenaamstelling op de trailers juist is dat de derden de bewuste trailers identificeren als trailers van TIP. Daarmee is echter niet voldaan aan het zich als producent presenteren door zijn naam op het product aan te brengen als bedoeld in artikel 6 :187 tweede lid BW. Terecht stelt SVEN dat artikel 6: 187 BW niet tot grootwinkel-of postorderbedrijven beperkt is maar de presentatie als producent - die bij dat soort bedrijven nogal eens voorkomt - daarbij blijft van belang. SVEN heeft niet afgedaan aan de overweging in het tussenvonnis dat de naamsvermelding van TIP op de trailer in het kader van reclame is gedaan.

SVEN wijst er nog op dat de reden waarom een naam- of merkverbinder met de producent wordt gelijkgesteld is dat de gelaedeerde consument op gemakkelijke wijze de (of een) producent van het schadebrengend product moet kunnen vinden. Daarop is terecht het verweer gekomen dat SVEN niet als consument kan gelden en dat TIP zijn naam niet aan het product heeft verbonden als producent maar bij wijze van reclame. Het is voldoende duidelijk dat TIP geen trailers maakt of laat maken en dat zij met de vermelding van haar naam op trailers alleen aangeeft dat bij haar trailers te huur zijn.

Op de grondslag van productaansprakelijkheid kan de vordering daarom niet tegen TIP worden toegewezen.

5.2 Bij haar laatste conclusie heeft SVEN aangegeven dat geen hoofdelijke aansprakelijkheid in de vordering is vervat maar een alternatieve. Daarin is echter geen verandering van eis te lezen zoals Albert Heijn voorstaat in die zin dat haar aansprakelijkheid eerst aan de orde komt indien aansprakelijkheid van TIP jegens SVEN ontbreekt. De vordering gaat immers primair uit van risicoaansprakelijkheid van eerstens Albert Heijn en vervolgens TIP.

In voormeld tussenvonnis is aangeroerd dat Albert Heijn als aansprakelijk zou gelden op grond van artikel 6:181 BW, nu de trailer heeft te gelden als gebruikt in de uitoefening van haar bedrijf en uitgegaan moet worden van bekendheid in de kring van gebruikers.

Albert Heijn heeft een en andermaal een beroep gedaan op de uitzondering als opgenomen in het tweede lid van artikel 6:173 BW. Deze houdt in dat indien het een gebrek betreft als bedoeld in afdeling 3 van titel 3 van boek 6 BW, geen aansprakelijkheid bestaat op grond van artikel 6:173 BW, dat in dit geval de basis is voor aansprakelijkheid op grond van artikel 6:181 BW.

Daarvan is sprake, immers het gebrek zoals het door SVEN wordt gepresenteerd betreft een product dat niet de veiligheid biedt die men daarvan mag verwachten, alle omstandigheden in aanmerking genomen en in het bijzonder de presentatie van het product, het redelijkerwijs te verwachten gebruik van het product en het tijdstip waarop het in het verkeer werd gebracht. Alle stellingen van SVEN wijzen op deze kenmerken en ook het rapport van de Arbeidsinspectie, waarop SVEN haar vordering baseert en dat zij als bewijsstuk naar voren brengt, versterkt die conclusie. Daarmee is echter de aansprakelijkheid van Albert Heijn jegens SVEN uit hoofde van artikel 6:181 BW komen te vervallen. SVEN stelt weliswaar dat op Albert Heijn de bewijslast drukt om haar stelling, die een uitzondering bevat op de hoofdregel, te bewijzen maar heeft de stelling onvoldoende gemotiveerd bestreden. Waar SVEN nog aanvoert dat zij niet uitsluit dat de roldeur beveiligd was tegen het met hoge snelheid neerslaan toen TIP de oplegger aan Albert Heijn ter beschikking stelde maar toch van een constructiefout sprake is in zoverre dat maatregelen getroffen hadden moeten worden om te voorkomen dat deze beveiliging tijdens gebruik ondeugdelijk kan raken of om andere redenen niet werkt, gaat zij uit van een geheel ander feitelijk gezichtpunt, dat geen enkele grondslag vindt in eerdere stukken of stellingen. Het gaat ook juist in tegen het kernverwijt van ontbreken van een beveiliging zoals in het rapport van de Arbeidsinspectie omschreven. Voor zover SVEN het slechts bij het opperen van een mogelijkheid heeft gelaten kan wegens het speculatieve karakter ervan bewijslevering door SVEN achterwege blijven.

Dit houdt in - waar er geen andere grondslag is aangevoerd en er ook geen directe contractuele band met Albert Heijn is - dat de vordering jegens Albert Heijn niet voor toewijzing in aanmerking komt. De achtergrond van de uitzondering is dat de schade naar de producent toe gekanaliseerd wordt, onder meer omdat deze de mogelijkheid heeft om invloed uit te oefenen op de kwaliteit van de zaak (vgl. HvJ 10 januari 2006, NJ 2006,286) en voorts dient een reeks van regresvorderingen voorkomen te worden. Tegen deze achtergrond is het ook verklaarbaar en gerechtvaardigd dat de producent rechtstreeks aangesproken dient te worden in dit geval.

Voor zover in dit verband is verwezen naar de uitspraak van de Rechtbank Haarlem van 1 augustus 2000 (Prg.2001,5659) moet worden vastgesteld dat in dat geval de aansprakelijkheid mede werd bepaald door de wijze waarop de bezitter van de zaak gebruik heeft gemaakt terwijl dat in het voorliggend geval geen – doorslaggevende - rol speelt, immers het betrof uitvoering van het reguliere werk door een chauffeur die daarvoor geschikt was c.q. moest zijn.

5.3 Ten aanzien van TIP heeft SVEN als subsidiaire grondslag artikel 6:162 BW aan de orde gesteld. Ingevolge voormeld arrest kan die grondslag aan de orde komen.

5.3.1. TIP heeft betwist dat door SVEN aannemelijk is gemaakt dat TIP onzorgvuldig gehandeld heeft. Tip stelt met Albert Heijn overeengekomen onderhoudsbeurten uit te voeren en daarbij de roldeur te controleren. Er is een stuwbalk aangebracht die voorkomt dat lading tijdens het rijden verschuift. Het stuwen van de lading is de verantwoordelijkheid van de chauffeur. Bovendien heeft TIP als extra service een hulpdienst. Nu TIP ruimschoots aan haar onderhoudsverplichtingen en zorgvuldigheidsverplichtingen voldaan heeft door afdoende zorg te betrachten en afdoende maatregelen te nemen om schade te voorkomen heeft zij niet onrechtmatig jegens SVEN gehandeld.

De onrechtmatigheid bestaat er naar het oordeel van de kantonrechter in dat TIP een potentieel gevaarlijk althans onveilig product heeft aangebracht in de door SVEN te gebruiken trailer. Voor zover een keuring vereist was en deze ontbrak, waarbij bij ontbreken sprake was van een onveilige situatie, berust aansprakelijkheid op TIP ten aanzien van de gebruiker die daardoor schade heeft ondervonden. Dat geldt ook voor het geval een zichtbare waarschuwing ter afwending van het eventuele gevaar geboden was en nagelaten is deze aan te brengen.

Als uitgegaan wordt van de conclusie van de Arbeidsinspectie moet dat worden aangenomen. Deze constateert immers onder meer dat de roldeur van de trailer waarmee het ongeval is gebeurd niet deugdelijk geconstrueerd was omdat een beveiliging tegen het ineens dichtvallen van de roldeur ontbrak (brief 25 april 2003) c.q. de automatische deuren en hekken niet zodanig functioneerden dat deze geen gevaar opleverden; zij waren niet uitgerust met gemakkelijk herkenbare beveiligingen die voorkwamen dat werknemers gewond raakten.

5.3.2 TIP bestrijdt die conclusie. SVEN beroept zich op de formele rechtskracht van die beslissing voor TIP. Formele rechtskracht – voor zover die in dit geval verder kan strekken dan tot een boete aan SVEN - geldt niet voor TIP. Zij is niet als belanghebbende bij die beschikking aan te merken noch aangemerkt en heeft althans daarbij onvoldoende belang gehad om daartegen op te (kunnen) komen.

Zowel voor de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad als voor de gevorderde boete van de Arbeidsinspectie dient aldus vast te komen staan dat er in dit opzicht sprake is van onrechtmatig handelen van TIP jegens SVEN.

TIP heeft zich onweersproken eerder in briefwisseling uitgelaten over de deugdelijkheid van de roldeur ten tijde van het evenement maar dat is op voorhand niet als een buitengerechtelijke erkentenis van aansprakelijkheid op te vatten.

5.3.3 SVEN heeft bewijs ter zake expliciet aangeboden en zal daartoe in de gelegenheid gesteld worden als na te melden. Aan de hand van de nadere conclusie van SVEN blijkt dat nadere duidelijkheid over de insteek die de Arbeidsinspectie gekozen heeft niet rechtstreeks van die instantie te verkrijgen is. Waar SVEN ter zake bewijs aanbiedt zal daarop ingegaan dienen te worden. Dit gaat vooraf aan de strikt juridische beoordeling c.q. waardering die TIP voorstaat.

Een deskundigenrapport wordt op voorhand niet als adequaat middel gezien om ter zake het beslissende antwoord te kunnen geven.

5.3.4. TIP heeft nog aangevoerd dat een overdrukbeveiliging het ongeval niet had kunnen voorkomen omdat deze pas in werking treedt bij een zekere mate van overdruk; niet is na te gaan of een overdrukbeveiliging wel in werking getreden zou zijn en er is daarmee geen causaal verband.

Deze kwestie kan naar het oordeel van de kantonrechter ook in het kader van de bewijslast aan de orde komen. Er is eerder ter sprake gebracht of een deskundigenbericht uitkomst zou kunnen bieden, maar ook op dit punt wordt eerst de uitkomst van de bewijsopdracht afgewacht.

5.3.5 TIP stelt dat er sprake is van eigen schuld aan de kant van SVEN omdat het ongeval is veroorzaakt door onjuist gebruik van de roldeur en de lus aan de binnenzijde van de trailer. SVEN behoort instructies te geven en op juist gebruik toe te zien. [slachtoffer] hadden volgens TIP het probleem met de roldeur volgens de standaardprocedure direct aan de planning van Albert Heijn moeten melden.

Het door TIP gehanteerde protocol is mede bedoeld om te voorkomen dat chauffeurs bij storingen het heft in eigen hand nemen en zodoende gevaarlijke situaties creëren.

In voormeld tussenvonnis is deze kwestie aan de orde gesteld.

Inderdaad dient – met de nadere stellingname van SVEN - rekening gehouden te worden met onvoorzichtigheid van een gebruiker/chauffeur. Dat het protocol aldus niet geheel gevolgd is althans eerst is getracht de roldeur te sluiten met gebruikmaking van de lus alvorens de servicelijn te bellen, kan in de positie van de chauffeur gebillijkt worden. Daarbij speelt een rol dat onvoldoende weersproken is dat de chauffeur qua (val)gewicht – hoewel kennelijk inmiddels een lichter exemplaar is aangebracht – en qua te verwachten tijd/snelheid er geen rekening mee hoefde te houden dat het tot letsel zou komen.

Waar TIP de nadruk legt op de verkeerde wijze van belading die ervoor heeft gezorgd dat de roldeur is komen vast te zitten in de geleider en sprake is van eigen schuld van de chauffeur, dient enerzijds opgemerkt te worden dat daarvan uit niets blijkt en anderzijds dat ook in dat geval - nu sprake is een te verwachten gebeurtenis in het kader van het uitvoering van de gebruikelijke werkzaamheden – het ontstaan van een gevaarlijke situatie vermeden had moeten worden. Deze omstandigheid kan daarom niet aan aansprakelijkheid van TIP in de weg staan.

In deze procedure dient er echter tevens rekening mee gehouden te worden dat de gelaedeerde in feite SVEN is. TIP heeft er daarom niet ten onrechte op gewezen dat een eigen (van SVEN) schuldcomponent dient te zijn in hoeverre SVEN de chauffeur had moeten instrueren over het gebruik van (de lus van de roldeur) van de trailer. De kantonrechter wijst er nog op dat uit de brief van de Arbeidsinspectie van 25 april 2003, waarop SVEN zich beroept, ook blijkt van een gebrek aan kennis bij de chauffeur van de werking van de lus. SVEN is niet expliciet ingegaan op de vragen die aldus rijzen en zal daartoe alsnog in de gelegenheid zijn.

5.3.6 TIP betwist de gestelde schade.

a. Ten aanzien van de boete van de Arbeidsinspectie ontbreekt volgens TIP het rechtens vereiste sine qua non-verband tussen boete en ongeval; de opgelegde boete zou ook aan SVEN zijn opgelegd indien de Arbeidsinspectie controle had uitgevoerd zonder dat er sprake was van een ongeval.

Bovendien wordt niet voldaan aan het relativiteitsvereiste. Het moeten zorgen voor een overdrukbeveiliging is geen norm ter bescherming van SVEN of de ontstane schade, meer in het bijzonder de boete. Het zou in strijd met de goede zeden en de openbare orde zijn indien voor persoonsgebonden boetes verhaal openstond bij een derde.

In het onderhavige geval is naar het oordeel van de kantonrechter niet zozeer sprake van een persoonsgebonden boete voor zover het (de staat van de) roldeur betreft. Slechts indien sprake zou zijn van eigen schuld, als hiervoor besproken - van SVEN is in dit opzicht aan volledige aansprakelijkheid te ontkomen.

b. De gevorderde kosten van de bedrijfsjas van € 29,96 komen volgens TIP niet in aanmerking voor vergoeding omdat ieder bewijs voor deze schade ontbreekt en de norm strekt niet tot bescherming van de schade waardoor ook aan het relativiteitsvereiste niet is voldaan.

De kantonrechter acht, gelet op de vaststaande omstandigheden van het geval, aannemelijk dat schade is ontstaan aan de bedrijfskleding van [slachtoffer]. Tot nader bewijs van de schade acht de kantonrechter geen noodzaak aanwezig nu TIP slechts in algemene termen verweer voert tegen deze post. Aan de relativiteitstoets is voldoende voldaan voor zover de aansprakelijkheid van TIP komt vast te staan voor een ondeugdelijke en gevaarlijke roldeur in een van haar trailers.

c. Ten aanzien van de loonschade stelt TIP dat artikel 6:107a BW in beginsel een zelfstandig recht is maar afgeleid van de gewonde werknemer in die zin dat voor uitoefening van artikel 6:107a BW vereist is dat [slachtoffer] recht heeft op schadevergoeding jegens TIP. SVEN heeft niet, althans onvoldoende onderbouwd gesteld of bewezen dat voor TIP een schadevergoedingsverplichting jegens [slachtoffer] bestaat en TIP ontkent iedere aansprakelijkheid jegens [slachtoffer].

Tevens wordt causaal verband tussen de tweede ziekmelding van [slachtoffer] en het ongeval betwist.

De kantonrechter zal SVEN in de gelegenheid stellen om na afloop van het getuigenverhoor op deze stellingen – gedocumenteerd - in te gaan, die door SVEN nog niet becommentarieerd zijn kunnen worden.

In de vrijwaring met nummer 404642 CV 06-4550

6.1 TIP vordert samengevat dat Albert Heijn zal worden veroordeeld om gelijktijdig met het vonnis in de hoofdzaak om aan TIP te betalen al hetgene waartoe TIP mocht worden veroordeeld ten gunste van SVEN.

Zij legt daaraan het volgende ten grondslag.

Zij verhuurt opleggers c.q. trailers aan onder andere transportbedrijven en grootwinkelbedrijven. Reeds sinds 1993 verhuurt TIP opleggers aan Albert Heijn; tussen hen geldt een huurovereenkomst uit 1994 voor de verhuur van opleggers. De opleggers worden getrokken door een truck van een door Albert Heijn ingeschakelde transportonderneming waarvan Penske er een is. Deze heeft in dit geval gebruik gemaakt van een ander transportbedrijf SVEN.

6.2 Ingevolge artikel 6 sub b van de huurovereenkomst is Albert Heijn gehouden TIP als verhuurder te vrijwaren. De oorzaak van het ongeval van [slachtoffer] is niet gelegen in gebrekkig onderhoud of de technische staat van de oplegger, maar in ondeskundig en onzorgvuldig gebruik door Albert Heijn en/of de door of namens Albert Heijn te werk gestelde chauffeurs/medewerkers die de oplegger gebruikten en bedienden.

De expert van Crawford &Company, de heer [T], komt in het rapport van 13 mei 2004 na gedegen onderzoek tot de volgende conclusie: “Op grond van onze bevindingen is er geen sprake van letsel als gevolg van de technische staat dan wel gebrekkig onderhoud van de trailer. Ons inziens is de directe oorzaak van de letselschade het gevolg van de keuze van de wederpartij zelf om niet de hulpservice te bellen, maar om zelf te trachten de blokkade van de roldeur op te heffen, waarbij hij zo onvoorzichtig is geweest om lichaamsdelen in het deurbereik te houden, terwijl hij aan de roldeur trok”.

De heer [R] van RTR Mobiele Trailer Service B.V. heeft tegen de Arbeidsinspectie het volgende verklaard.

“Het is voor TIP een bekend probleem dat door schuivende lading een roldeur ontwricht kan raken. Het is dan ook om die reden dat er in elke trailer een stuwbalk aanwezig is. Het stuwen van de lading behoort tot de verantwoordelijkheid van de chauffeur. Laat hij dit na dan handelt hij niet als een goed huisvader betaamt en derhalve in strijd met artikel 4 sub c van de huurovereenkomst”.

Er is geen CE-markering verplicht. De CE-keuring is niet van toepassing c.q. verplicht ten aanzien van de roldeuren als de onderhavige. Een verplichting tot het plaatsen van een overdrukbeveiliging bestaat niet.

Die had het ongeval van [slachtoffer] niet kunnen voorkomen. Welke overdruk aanwezig was op het moment dat [slachtoffer] op onverantwoorde wijze de roldeur trachtte te sluiten is thans niet meer te achterhalen. Het onverantwoord en ondeskundig handelen van [slachtoffer] is de directe aanleiding voor het ongeval geweest, althans heeft in belangrijke mate bijgedragen aan de verwezenlijking ervan. Een overdrukbeveiliging had het ongeval niet kunnen voorkomen. Daarvoor draagt Albert Heijn als (materieel) werkgever de verantwoordelijkheid.

Naast de periodieke onderhoudsbeurten heeft TIP als extra service, voor pech onderweg, een overeenkomst met een hulpservicedienst in Almelo. In de regel is een aangesloten bedrijf binnen een half uur op afroep ter plaatse om assistentie te verlenen. Feit is dat [slachtoffer] bij constatering van de storing niet het voorgeschreven protocol heeft gevolgd. Had hij dit wel gedaan en zich aldus als een goed huisvader gedragen (artikel 4 sub c van de huurovereenkomst) dan had hij geen schade geleden. Bij gebrek aan wetenschap stelt TIP zich op het standpunt dat Albert Heijn SVEN en/of haar werknemer in de persoon van [slachtoffer] niet naar behoren heeft ingelicht en dus in strijd met de op haar rustende verplichtingen ingevolge de huurovereenkomst heeft gehandeld. Albert Heijn dient dan ook TIP te vrijwaren.

Albert Heijn heeft verweer gevoerd.

6.3 De kantonrechter overweegt als volgt.

TIP heeft bij laatste akte zelf erkend dat er iets misgegaan is. Weliswaar had [slachtoffer] achteraf beter de servicedienst kunnen bellen, maar dat hij ervoor heeft gekozen om eerst te proberen met het – op het oog daarvoor kennelijk bedoelde – handvat de deur naar beneden te krijgen kan hem niet euvel geduid worden. Eerst als dat niet lukte zou voor de hand gelegen hebben om een storingsdienst in te schakelen. Er is onvoldoende aanleiding [slachtoffer] er op dit punt van de betichten zich niet als een goed huisvader als bedoeld inde huurovereenkomst gehandeld te hebben. Hij had er geenszins het oog op om de trailer te beschadigen. Integendeel hij had een manier gevonden die op eenvoudige en kennelijk daarvoor bedoelde wijze de deur naar beneden kon trekken. Uit niets is gebleken – ook niet uit de later verstrekte informatie, dat [slachtoffer] kon weten dat er overdruk zou kunnen ontstaan en dat daardoor de deur niet gewoon naar beneden zou komen/vallen maar naar beneden zou schieten door de overdruk.

De kantonrechter oordeelt voorts dat eerst moet komen vast te staan dat SVEN terecht een vordering op TIP pretendeert alvorens ervan uitgegaan kan worden dat Albert Heijn tot enige vrijwaring verplicht kan zijn. De uitkomst in de hoofdzaak is daarvoor van belang en dient te worden afgewacht.

In de vrijwaring met nummer 404769 CV 06-4568

7.1 Albert Heijn vordert samengevat dat voor recht verklaard zal worden dat TIP aansprakelijk is jegens Albert Heijn voor de schadelijke gevolgen voor Albert Heijn van het ongeval dat [slachtoffer] is overkomen alsmede dat TIP zal worden veroordeeld tot betaling van al hetgeen waartoe Albert Heijn zal worden veroordeeld jegens SVEN.

TIP heeft deze vordering betwist.

7.2 Waar deze vorderingen afhankelijk zijn van het verloop van het geding in de hoofdzaak wordt hier thans volstaan met de overweging dat alle beslissingen vooralsnog worden aangehouden. Ten aanzien van Albert Heijn is weliswaar overwogen dat de vordering van SVEN afgewezen moet worden maar Albert Heijn heeft ook een verklaring voor recht gevorderd. Deze zal nader aan de orde komen als in de hoofdzaak is beslist.

In de hoofdzaak en in de vrijwaringen

Nu vaststellingen zijn gedaan ten aanzien van de primaire vorderingen van SVEN oordeelt de kantonrechter het opportuun om hoger beroep tegen dit vonnis toe te laten.

De beslissing

De kantonrechter:

In de hoofdzaak:

A. laat SVEN toe en beveelt deze partij voor zoveel nodig ambtshal¬ve om door alle middelen rechtens en speciaal door middel van getuigen te bewijzen:

- dat er een verplichting bestond de roldeur te hebben voorzien van beveiliging in de vorm van een druk- of valbeveiliging;

- dat de roldeur van de trailer waarmee het ongeval is gebeurd niet deugdelijk geconstrueerd was omdat een beveiliging tegen het ineens dichtvallen van de roldeur ontbrak;

- dat een overdrukbeveiliging – als toegepast - in het onderhavige geval in werking getreden zou zijn;

- dat de automatische deuren en hekken niet zodanig functioneerden dat deze geen gevaar opleverden; zij waren niet uitgerust met gemakkelijk herkenbare beveiligingen die voorkwamen dat werknemers gewond raakten;

bepaalt dat deze zaak weer zal worden uitgeroepen ter terechtzitting van woensdag 16 januari 2008 te 11.00 uur om deze partij gelegenheid te geven zich erover uit te laten op welke wijze zij gemeld bewijs wil leveren en, indien zij dit wenst door middel van getuigen, op die terechtzitting de namen en woonplaatsen van die getuigen op te geven, waarna een dag voor het verhoor van die getuigen zal worden bepaald; deze partij dient tevens haar verhinderdata (en zo mogelijk die van de wederpartij) tot 6 weken na voormelde zittingdatum op te geven;

voor het geval eerstgenoemde partij het bewijs door het over leggen van bescheiden wenst te leveren kan dat plaatsvinden op voormelde terechtzitting;

B: verwijst de zaak naar de nader te bepalen civiele terechtzitting voor conclusie na enquête om SVEN in de gelegenheid te stellen een nadere conclusie te nemen als in de rechtsoverwegingen en 5.3.5. 5.3.6.c bedoeld;

verstaat dat de wederpartij vervolgens in staat zal worden gesteld desgewenst een antwoordconclusie te nemen;

In de hoofdzaak en in de vrijwaringen:

houdt iedere verdere beslissing aan.

Staat partijen toe desgewenst hoger beroep in te stellen van dit vonnis.

Aldus gewezen door mr. J.M.J. Godrie, kantonrechter te Tilburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 december 2007, in tegenwoordigheid van de griffier.