Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BC4896

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
18-04-2007
Datum publicatie
22-02-2008
Zaaknummer
157614 HA ZA 06-404
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eisers stellen dat Stichting Bureau Jeugdzorg de rechtbank, de Raad voor de Kinderbescherming en het hof bewust van foutieve en onjuiste informatie heeft voorzien, waardoor de rechtbank en het hof tot wijziging van het gezag over hun kleindochter zijn gekomen en zij het contact met haar zijn kwijtgeraakt. De algemene opmerking dat Stichting Bureau Jeugdzorg de door hen geleden schade dient te vergoeden is onvoldoende voor verwijzing naar de schadestaat procedure of directe begroting van de schade. Derhalve hebben eisers ook geen belang bij het geven van een verklaring voor recht. Het vinden van enige genoegdoening of het kunnen verwerken van het verlies van het contact met hun kleindochter is ook onvoldoende. Immers, een zuiver emotioneel belang kan niet worden aangemerkt als een voor de ontvankelijkheid van de vordering genoegzaam belang zoals bedoeld in artikel 3:303 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK BREDA

Sector civiel recht

Team handelsrecht

zaaknummer / rolnummer: 157614 / HA ZA 06-404

Vonnis van 18 april 2007

in de zaak van

1. [de vrouw],

2. [de man],

beiden wonende te Sleeuwijk,

eisers,

procureur mr. N.Th. ter Haar Romeny,

advocaat mr. M.T.N. Whiterod te Utrecht,

tegen

de stichting

STICHTING BUREAU JEUGDZORG NOORD-BRABANT,

gevestigd te Breda,

gedaagde,

procureur mr. N.A. Boelhouwer.

Partijen zullen hierna [eisers] en Stichting Bureau Jeugdzorg genoemd worden.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met 35 producties

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

2.Het geschil

[eisers] vorderen:

1. verklaring voor recht dat Stichting Bureau Jeugdzorg onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld;

2. veroordeling van Stichting Bureau Jeugdzorg tot vergoeding van de schade die [eisers] ten gevolge van dat onrechtmatig handelen hebben geleden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

3. veroordeling van Stichting Bureau Jeugdzorg in de proceskosten.

3. De beoordeling

3.1. Tussen partijen staat, voor zover van belang, als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken en/of op grond van de onbestreden inhoud van de overgelegde producties het volgende vast:

- Op 21 december 19[K.]e Gorinchem geboren [K.] [L.]: [K.]) uit de moeder [L.] (hierna: [L.]).

- [eisers] zijn de ouders van [L.] en grootouders van [K.].

- [L.] was 16 jaar oud toen zij beviel van [K.]. Eiseres sub 1 is door de kantonrechter benoemd tot voogd van [K.] en [eisers] hebben de zorg voor [K.] op zich genomen.

- Het contact tussen [L.] en [eisers] is op dat moment slecht en het gaat in de periode volgend op de geboorte van [K.] niet goed met [L.].

- In november 2001 heeft [L.] de kantonrechter verzocht haar met het gezag over [K.] te belasten.

- De kantonrechter heeft bij beschikking van 3 april 2002 de Raad voor de Kinderbescherming opdracht gegeven onderzoek te doen naar de vraag of bij inwilliging van voornoemd verzoek de gegronde vrees bestaat dat de belangen van [K.] zouden worden verwaarloosd en te bemiddelen bij het tot stand brengen van een omgangsregeling tussen [L.] en [K.].

- In juli 2002 gaat [L.] samen met haar nieuwe partner in België wonen. De verstandhouding tussen [L.] en thans ook haar partner enerzijds en [eisers] anderzijds blijft slecht.

- De Raad voor de Kinderbescherming heeft begin 2003 aan de kantonrechter geadviseerd om het verzoek van [L.] toe te wijzen, met dien verstande dat gelijktijdig [K.] onder toezicht diende te worden gesteld teneinde [L.] te ondersteunen. De Raad voor de Kinderbescherming heeft de kinderrechter gelijktijdig verzocht een ondertoezichtstelling uit te spreken.

- De kinderrechter heeft [K.] met ingang van 29 april 2003 onder toezicht gesteld van de Stichting Bureau Jeugdzorg. De kantonrechter heeft de beslissing op het verzoek van [L.] aangehouden voor de duur van een jaar, opdat op grond van de dan ontstane situatie zal kunnen worden beslist.

- De Stichting Bureau Jeugdzorg heeft in het kader van de ondertoezichtstelling zich onder meer tot taak gesteld te proberen de verstandhouding tussen [eisers] enerzijds en [L.] en haar partner anderzijds te verbeteren en een omgangsregeling tot stand te brengen tussen [K.] en [L.].

- De Stichting Bureau Jeugdzorg heeft op 21 januari 2004 de Raad voor de Kinderbescherming verzocht om de gezagswijziging met spoed onder de aandacht te brengen van de rechtbank.

- De Raad voor de Kinderbescherming heeft op 10 februari 2004 de kantonrechter verzocht het verzoek van [L.] tot wijziging van het gezag vervroegd ter zitting te behandelen en haar verzoek toe te wijzen omdat een stapsgewijze overgang van [K.] van [eisers] naar [L.] naar mening van de Raad voor de Kinderbescherming onmogelijk is gebleken.

- De kantonrechter heeft bij beschikking van 4 mei 2004 het verzoek van [L.] tot wijziging van het gezag toegewezen.

- Stichting Bureau Jeugdzorg heeft op 10 mei 2004, teneinde een geleidelijke overgang van [K.] te bewerkstelligen, een omgangsregeling vastgesteld tussen [L.] en [K.].

- [L.] en haar partner hebben [K.] na het omgangsweekend van 20 tot en met 23 mei 2004 niet teruggebracht naar [eisers] en geweigerd haar mee te geven aan [eisers].

- Vanaf 26 mei tot en met 28 mei 2004 heeft [K.] weer bij [eisers] verbleven. De partner van [L.] heeft bij de Belgische politie aangifte gedaan van kinderontvoering door [eisers].

- Stichting Bureau Jeugdzorg heeft niet ingegrepen om er zorg voor te dragen dat [K.] alsnog zou worden teruggebracht naar [eisers] teneinde een geleidelijke overgang van [K.] mogelijk te maken.

- Er heeft sindsdien geen omgang plaatsgevonden tussen [K.] en [eisers].

- [eisers] hebben beroep ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter bij het hof. Het hof heeft de beschikking van de kantonrechter op 16 november 2004 bekrachtigd.

- In februari 2005 hebben [eisers] een klacht ingediend bij de klachtencommissie van de Stichting Bureau Jeugdzorg.

- De klachtencommissie heeft op 28 mei 2005 uitspraak gedaan. De klacht “het nalaten de Belgische autoriteiten te informeren en te activeren, waardoor de overgangsregeling onuitvoerbaar was” acht zij gedeeltelijk gegrond, in die zin dat Stichting Bureau Jeugdzorg onvoldoende helder is geweest over de verantwoordelijkheden van alle betrokkenen. De klacht “het nalaten de kanton- en kinderrechter te informeren over de onuitvoerbaarheid van de ondertoezichtstelling in België” acht de commissie ongegrond.

- De algemeen directeur van Stichting Bureau Jeugdzorg heeft bij brief van 22 juli 2005 aan [eisers] medegedeeld, anders dan de klachtencommissie, de beide klachten ongegrond te achten.

3.2. [eisers] gronden hun vordering op onrechtmatig handelen door Stichting Bureau Jeugdzorg. Zij stellen daartoe dat Stichting Bureau Jeugdzorg de rechtbank, de Raad voor de Kinderbescherming en het hof bewust van foutieve en onjuiste informatie heeft voorzien, waardoor de rechtbank en het hof tot wijziging van het gezag over [K.] zijn gekomen. Bij herhaling is door Stichting Bureau Jeugdzorg een negatief beeld geschetst van [eisers] dat geen recht deed aan de feitelijke situatie. De Stichting Bureau Jeugdzorg heeft de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming zonder meer overgenomen, ondanks de door [eisers] daartegen geuite bezwaren. De zorgen van [eisers] omtrent de situatie van [L.] zijn door Stichting Bureau Jeugdzorg niet serieus genomen. Door toedoen van Stichting Bureau Jeugdzorg zijn [eisers] het contact met hun kleindochter kwijtgeraakt en worden zij door de Belgische overheid vervolgd wegens kinderontvoering. Op Stichting Bureau Jeugdzorg rust volgens [eisers] een zware zorgvuldigheidsplicht bij haar advisering, nu zij een professionele organisatie is waarvan de adviezen als leidraad gelden voor de rechter.

3.3. Stichting Bureau Jeugdzorg voert het verweer dat zij altijd neutraal en onafhankelijk heeft geadviseerd in het belang van [K.] en steeds zorgvuldig heeft gehandeld. Zij betwist bewust een verkeerd beeld te hebben geschetst van de situatie. Haar advies stemde overeen met de visie van de Raad voor de Kinderbescherming. [eisers] hebben steeds verweer kunnen voeren bij de rechtbank en het hof, die dit verweer hebben verworpen. Stichting Bureau Jeugdzorg betwist dat haar een verwijt kan worden gemaakt. De rechter heeft zelfstandig beslissingen genomen en de beslissingen en adviezen van Stichting Bureau Jeugdzorg getoetst. Er is dan ook geen sprake van onrechtmatig handelen, aldus Stichting Bureau Jeugdzorg.

3.4. De rechtbank zal eerst de vordering sub 2 van [eisers] bespreken. [eisers] vorderen verwijzing naar de schadestaat procedure teneinde de hoogte van de door Stichting Bureau Jeugdzorg te vergoeden schade vast te laten stellen. Hiervoor is vereist dat [eisers] feiten stellen waardoor aannemelijk wordt dat er schade is geleden dan wel dat er daartoe een kans bestaat en waaruit blijkt dat Stichting Bureau Jeugdzorg deze zal moeten vergoeden. [eisers] hebben echter volstaan met in algemene bewoordingen op te merken bij de grondslag van hun vordering dat Stichting Bureau Jeugdzorg dient te worden veroordeeld tot het vergoeden van de schade die [eisers] hebben geleden. De rechtbank acht deze algemene opmerking zonder nadere onderbouwing onvoldoende om aannemelijk te achten dat er sprake is van enige door [eisers] geleden materiële dan wel immateriële schade die op grond van de wet voor vergoeding in aanmerking komt. Ook uit de door [eisers] gestelde feiten op zichzelf blijkt hiervan niet. Voor verwijzing naar de schadestaat procedure dan wel directe begroting van schade door de rechtbank, ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding.

3.5. Ten aanzien van de door [eisers] gevorderde verklaring van recht dat Stichting Bureau Jeugdzorg jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld, overweegt de rechtbank het volgende. Bij de beoordeling van de vraag of [eisers] in deze vordering kunnen worden ontvangen is de vraag aan de orde of zij bij hun vordering een rechtens zodanig relevant belang hebben dat het instellen van de vordering daarmee gerechtvaardigd is. Gelet op het feit dat de rechtbank hiervoor heeft overwogen dat voor vergoeding van schade geen plaats is, kan hierin ook geen belang zijn gelegen voor het geven van een verklaring van recht. Daarnaast ziet de rechtbank geen ruimte voor het aannemen van een gerechtvaardigd belang bij de vordering in het vinden van enige genoegdoening of in het kunnen verwerken van het verlies van het contact met hun kleindochter. Immers, een zuiver emotioneel belang kan niet worden aangemerkt als een voor de ontvankelijkheid van de vordering genoegzaam belang zoals bedoeld in artikel 3:303 BW. [eisers] zullen derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.

3.6. [eisers] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Stichting Bureau Jeugdzorg worden begroot op:

- vast recht € 248,00

- salaris procureur € 768,00 (2,0 punten × tarief € 384,00)

Totaal € 1.016,00

4. De beslissing

De rechtbank

verklaart van Tilborg niet-ontvankelijk in hun vorderingen,

veroordeelt van Tilborg in de proceskosten, aan de zijde van Stichting Bureau Jeugdzorg tot op heden begroot op € 1.016,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. Nollen, mr. Van Hooff en mr. Meyboom en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2007.?