Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BC3083

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
11-07-2007
Datum publicatie
04-02-2008
Zaaknummer
428892 cv 07-312
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurrecht

Hennepkwekerij in illegaal opgerichte berging op woonwagencentrum.

Gezien de stellingen van eiseres, is aan haar bij tussenvonnis het bewijs opgedragen van de stelling dat de bewuste berging waarin de hennepkwekerij is aangetroffen, onderdeel van het gehuurde uitmaakt.

Na bewijsvoering wordt geoordeeld dat eiseres niet geslaagd is in dat bewijs.

Aan de hand van de getuigenverklaringen, in samenhang met de inhoud van de overige stukken in het geding, is wel vast komen te staan dat de huurder tekort geschoten is in zijn verplichting zich als goed huurder te gedragen. Deze zorgplicht strekt zich immers niet alleen uit tot het gehuurde zelf, maar houdt ook een zorgplicht jegens de woonomgeving in. Door de huurder is een gevaarzettende situatie in het leven geroepen, welke tekortkoming een ontbinding van de huurovereenkomst van de standplaats, en ontruiming daarvan, rechtvaardigt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JHV 2008/73

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector kanton

Locatie Bergen op Zoom

zaak/rolnr.: 428892 CV 07-312

vonnis d.d. 11 juli 2007

inzake

de publiekrechtelijke rechtspersoon de gemeente Etten-Leur,

kantoorhoudende te Etten-Leur,

eiseres,

gemachtigde: mr. S.E. Schilder Spel, advocaat te Etten-Leur,

tegen:

[gedaagde],

wonende te [adres],

gedaagde,

gemachtigde: mr. J.P.M.M. Heijkant, advocaat te Dongen.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘de gemeente’ en ‘[gedaagde]’.

1. Het verloop van het geding

Dit blijkt uit de volgende processtukken:

1.1 de dagvaarding d.d. 5 januari 2007, met producties;

1.2 de conclusie van antwoord, met een productie;

1.3 de conclusie van repliek, met producties;

1.4 de conclusie van dupliek, met producties;

1.5 de akte uitlaten producties, tevens inhoudende vermindering van eis.

De inhoud van deze stukken geldt als hier ingelast.

2. Het geschil

De gemeente vordert, samengevat, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en na vermindering van eis:

1. de tussen partijen gesloten huurovereenkomst betreffende de standplaats voor een woonwagen gelegen aan de [adres] te ontbinden c.q. ontbonden te verklaren;

2. [gedaagde] te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, de voornoemde standplaats c.a., met alle daarop aanwezige personen en goederen, voor zover deze laatste niet het eigendom zijn van de gemeente, te verlaten, te ontruimen en ontruimd te houden en met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking aan de gemeente te stellen, zulks met machtiging aan de gemeente om indien [gedaagde] aan het in casu gegeven ontruimingsbevel niet voldoet, die ontruiming zelf te doen uitvoeren, desnoods met behulp van de sterke arm;

3. voor recht te verklaren dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade aan het gehuurde, voorlopig geschat op € 1.220,00, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente en [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.220,00, als voorschot op deze schadevergoeding;

4. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de achterstallige huurpenningen vanaf mei 2007, zijnde een maandelijks bedrag van € 101,53 per eerste van de maand verschuldigd, te vermeerderen met de wettelijke rente;

5. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding, alsmede de kosten van betekening en executie van dit vonnis.

[gedaagde] heeft zich gemotiveerd tegen de vordering verweerd.

3. De beoordeling

3.1

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist, dan wel blijkens de niet betwiste inhoud van de producties, wordt van het volgende uitgegaan:

a. [gedaagde] heeft van de gemeente, bij huurovereenkomst voor onbepaalde tijd gehuurd de woonwagenstandplaats met voorzieningengebouw, gelegen aan de [adres] (hierna: de huurovereenkomst);

b. in de avond en nacht van 29 juli op 30 juli 2006 heeft de politie in een berging op de [adres] een hennepkwekerij aangetroffen, bestaande uit 248 hennepplanten, assimilatiebelichting, en verdere toebehoren;

c. bij brief van 26 oktober 2006 heeft de gemeente [gedaagde] in de gelegenheid gesteld vrijwillig de huurovereenkomst te beëindigen, van welke mogelijkheid [gedaagde] geen gebruik heeft gemaakt;

d. in voornoemde brief heeft de gemeente tevens de ontbindingsprocedure aangekondigd.

3.2

De gemeente baseert haar vordering bij dagvaarding op de tussen [gedaagde] en haar gesloten huurovereenkomst. Zij stelt daartoe dat door de politie in de nacht van 29 juli op 30 juli 2006 in een berging op het gehuurde, voornoemde hennepkwekerij is aangetroffen. Voorts stelt zij dat [gedaagde] -door het inrichten en exploiteren van de hennepkwekerij in het gehuurde- toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen ingevolge die huurovereenkomst en dat die tekortkoming dermate ernstig is dat deze de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt. Volgens de gemeente heeft [gedaagde] zich -door in het gehuurde een hennepkwekerij te exploiteren- niet als goed huurder gedragen. [gedaagde] heeft het gehuurde -gezien de ingerichte hennepkwekerij- ook niet overeenkomstig de daaraan gegeven woonbestemming gebruikt en de kwekerij leverde -mede gezien het illegaal aanleggen en aftappen van een elektriciteitsvoorziening- een reële kans op voor overlast, (brand)gevaar of beschadiging. Verder zijn de huurders, namens de gemeente, er herhaaldelijk op gewezen dat het hebben van een hennepkwekerij in het gehuurde door de gemeente niet zal worden geaccepteerd en zal leiden tot een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. De gemeente stelt tevens dat er schade aan het gehuurde is toegebracht. Zij begroot die schade voorlopig op een bedrag van € 1.220,00, welk bedrag zij van [gedaagde] vordert. Tot slot vordert zij bij dagvaarding nakoming van de huurovereenkomst wat betreft de betaling van (achterstallige) huur vanaf juli 2006, zijnde een maandelijks bedrag van € 101,53.

3.3

[gedaagde] erkent bij conclusie van antwoord dat hem bekend is, dat de politie in een berging staande op een aan de gemeente toebehorend stuk grond, ultimo juli 2006 een hennepkwekerij heeft aangetroffen. Hij voert aan dat dit niet in zijn woonwagen is geweest, noch in het voorzieningengebouw. De berging waarin de kwekerij is aangetroffen betreft volgens [gedaagde] niet een locatie op het gehuurde, zoals de gemeente stelt. [gedaagde] stelt voorts met de hennepkwekerij niets van doen te hebben. Nu [gedaagde] niet tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen, dienen de vorderingen van de gemeente te worden afgewezen. Wat de gevorderde (achterstallige) huurpenningen betreft, beroept [gedaagde] zich op het opschortingsrecht. Volgens [gedaagde] heeft de gemeente in deze zaak andere doeleinden dan door haar opgegeven, namelijk de herinrichting van het kamp.

Subsidiair voert [gedaagde] aan dat de gemeente doet alsof er een gewone huurverhouding tussen partijen bestaat, terwijl er naar de mening van [gedaagde] sprake is van huurkoop.

Meer Subsidiair is [gedaagde] van mening dat het huren van een vak niet klakkeloos gelijk kan worden gesteld aan het huren van een woning.

Ook is [gedaagde] gelet op het gelijkheids- c.q. vertrouwensbeginsel van mening dat de vorderingen van de gemeente afgewezen behoren te worden.

3.4

Bij conclusie van repliek stelt de gemeente zich primair op het standpunt dat de vraag of de schu(u)r(en) (hierna te noemen: ‘de berging’) onderdeel uitmaakt van het gehuurde, niet relevant is.

Subsidiair is de gemeente van mening dat de berging wordt geacht onderdeel uit te maken van het gehuurde, nu deze sinds jaar en dag op de standplaats aanwezig is en derhalve de woonbestemming van het gehuurde volgt.

Meer subsidiair stelt de gemeente zich op het standpunt dat ook al zou geoordeeld worden dat de berging geen onderdeel uitmaakt van het gehuurde, er sprake is van een evidente schending van de verplichting om zich als goed huurder te gedragen.

Voorts geeft de gemeente aan dat de gevorderde huurpenningen zien op de huurovereenkomst met betrekking tot de standplaats en niet op de door [gedaagde] aangehaalde huurkoopovereenkomst met betrekking tot de op de standplaats aanwezige woonwagen. De gemeente is van mening dat de huurachterstand over de periode juli 2006 tot en met maart 2007, zijnde in totaal een bedrag van € 913,77, op zich is te kwalificeren als een tekortkoming die een ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.

Het is voor de gemeente onduidelijk waarop [gedaagde] het beroep op het vertrouwensbeginsel baseert. De gemeente stelt ook dat er geen sprake is van een oneigenlijk gebruik van de procedure met het oog op de mogelijke herinrichting van het kamp.

Het komt de gemeente niet aannemelijk voor dat [gedaagde] niets met de hennepkwekerij van doen zou hebben.

3.5

Bij conclusie van dupliek herhaalt [gedaagde] dat de hennepkwekerij, waar het in de onderhavige zaak over gaat, niet op het door hem gehuurde lag. Ook bij de politierechter heeft [gedaagde] niet bekend en is de zaak aangehouden voor nader onderzoek. Volgens [gedaagde] is hij niet tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst. Hij overlegt nog betalingsbewijzen van door hem op 1 en 7 mei 2007 gedane betalingen ter zake de huurpenningen.

3.6

Bij akte geeft de gemeente -voor zover van belang- aan dat zij na dagvaarding van [gedaagde] de betaling van de achterstallige huurpenningen voor de standplaats heeft ontvangen over de maanden juli 2006 tot en met april 2007, ten bedrage van € 1.015,30, met welk bedrag de gemeente haar vordering vermindert en waarbij zij haar vordering handhaaft voor het overige.

3.7

Bij conclusie van repliek stelt de gemeente zich primair op het standpunt dat de vraag, of voornoemde berging waarin de hennepkwekerij is aangetroffen onderdeel uitmaakt van het gehuurde, niet relevant is, doch hierin kan zij niet worden gevolgd. Zoals blijkt uit de dagvaarding vormt de tussen partijen gesloten huurovereenkomst immers de grondslag van haar vordering, waarbij de gemeente zich (in de dagvaarding) op het standpunt stelt dat de hennepkwekerij is aangetroffen in een berging op het gehuurde.

3.8

Het subsidiaire standpunt van de gemeente, dat de berging geacht wordt onderdeel uit te maken van het gehuurde, nu deze sinds jaar en dag op de standplaats aanwezig is, wordt door [gedaagde] betwist. [gedaagde] erkent weliswaar dat bekend is dat de politie in een berging, staande op een aan de gemeente toebehorend stuk grond, ultimo juli 2006 een hennepkwekerij heeft aangetroffen, maar hij betwist dat dit een locatie op de door hem gehuurde standplaats aan de [adres] zou betreffen. Voorts betwist hij betrokkenheid bij de kwekerij. De gemeente heeft zelf aangegeven dat zij niet meer beschikt over een schriftelijk exemplaar van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst betreffende de huur door [gedaagde] van een woonwagenstandplaats met voorzieningengebouw gelegen aan de [adres], zodat hieruit niet is af te leiden wat de precieze inhoud van die overeenkomst is. [gedaagde] heeft echter de stelling van de gemeente, dat de onderhavige hennepkwekerij zich bevond in een door [gedaagde] zelf opgerichte berging (niet zijnde het voorzieningengebouw), niet weersproken. Evenmin heeft [gedaagde] (voldoende gemotiveerd) weersproken dat hij de stroom ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal heeft afgetapt van de elektriciteitsmeter die is gelegen in het op de standplaats aanwezige voorzieningengebouw. Hieruit kan echter niet -zonder meer- de conclusie worden getrokken dat de bewuste berging, waarin de hennepkwekerij is aangetroffen, onderdeel van het gehuurde is gaan uitmaken. De gemeente geeft bij conclusie van repliek aan dat geconstateerd wordt dat de omvang van het gehuurde niet nader is omschreven, zodat het de gemeente niet duidelijk is waarop het standpunt van [gedaagde] is gebaseerd, dat de berging geen onderdeel zou uitmaken van het gehuurde. Nu de gemeente zich echter erop beroept dat de onderhavige berging, waarin de hennepkwekerij is aangetroffen, wel onderdeel uitmaakt van het gehuurde, zal de gemeente, gezien het vooroverwogene en gelet op haar bewijsaanbod, in de gelegenheid worden gesteld om haar stelling -zoals nader gemotiveerd- te bewijzen.

3.9

Wat betreft het meer subsidiaire standpunt van de gemeente, overweegt de kantonrechter reeds thans dat hij de daarbij weergegeven redenering niet kan volgen. De gemeente stelt daarbij dat, ook al zou geoordeeld worden dat de berging geen onderdeel uitmaakt van het gehuurde, er sprake is van een evidente schending (door [gedaagde]) van de verplichting om zich als goed huurder te gedragen. De gemeente geeft daarbij aan dat de verplichting om zich als goed huurder te gedragen niet alleen een zorgplicht tot het gehuurde zelf inhoudt, doch ook een zorgplicht jegens de woonomgeving. Indien echter niet vast komt te staan dat de berging onderdeel uitmaakt van het gehuurde, is de enkele niet weersproken stelling van de gemeente -dat [gedaagde] de stroom ten behoeve van de kwekerij illegaal heeft afgetapt van de elektriciteitsmeter die is gesitueerd in het op de standplaats aanwezige voorzieningengebouw- onvoldoende om daaraan de conclusie te verbinden dat [gedaagde] zich niet als goed huurder heeft gedragen in die zin dat enkel op die grond -[gedaagde] ontkent voorts immers iets met de hennepkwekerij van doen te hebben- een ontbinding van de huurovereenkomst en een ontruiming van het gehuurde gerechtvaardigd is.

3.10

Wat betreft de gevorderde huurachterstand wordt alvast het volgende overwogen.

In de dagvaarding vordert de gemeente achterstallige huurpenningen, waarbij zij aangeeft dat zij op dit punt nakoming van de huurovereenkomst vordert. Derhalve is de huurachterstand in de dagvaarding niet aan de vordering tot ontbinding en ontruiming ten grondslag gelegd. Bij conclusie van repliek geeft de gemeente weliswaar aan dat de betalingsachterstand op zich al te kwalificeren is als een tekortkoming die ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt, doch de gemeente heeft haar eis niet dienovereenkomstig gewijzigd. Derhalve kan de huurachterstand geen grondslag vormen voor de gevorderde ontbinding van de huurvereenkomst.

Nu de gemeente bij akte haar vordering ter zake de huurachterstand met een bedrag ad € 1.015,30 heeft verminderd, betreffende een betaling van de huurpenningen voor de standplaats over de maanden juli 2006 tot en met april 2007, is nog toewijsbaar de gevorderde achterstallige huur vanaf mei 2007, zijnde een maandelijks bedrag ad € 101,53 per eerste van de maand verschuldigd, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.11

In afwachting van de bewijsvoering wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

4. De beslissing

De kantonrechter:

- laat de gemeente toe te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit blijkt:

“ dat de berging -waarin in de avond en nacht van 29 juli 2006 op 30 juli 2006 een hennepkwekerij is aangetroffen, bestaande uit (onder meer) 248 hennepplanten- onderdeel uitmaakt van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst betreffende de woonwagenstandplaats met voorzieningengebouw, gelegen aan de [adres] ” ;

- bepaalt dat de gemeente zich uiterlijk op de rolzitting van: 8 augustus 2007 te 11.00 uur schriftelijk uitlaat of en hoe dat bewijs zal worden geleverd;

- bepaalt dat, voor het geval dat bewijs zal worden bijgebracht door getuigen, de gemeente dan tevens de namen en adressen van de getuigen zal opgeven;

- bepaalt dat partijen uiterlijk op die rolzitting ieder schriftelijk opgaven doen van de eigen verhinderdata voor de periode van vier maanden vanaf die rolzitting waarna zo nodig een dag voor het getuigenverhoor zal worden bepaald;

- bepaalt dat, voor het geval bewijs zal worden bijgebracht door schriftelijke stukken, de gemeente dan tevens die bescheiden in het geding zal brengen;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.E.M. Verjans, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op woensdag 11 juli 2007.