Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BC0266

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
14-12-2007
Datum publicatie
14-12-2007
Zaaknummer
07 / 3930 WET
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ingevolge artikel 10 van de Wor kan een vergunning uitsluitend worden verleend indien, kort gezegd, redelijkerwijs is voldaan aan de voorschriften die worden gesteld aan de exploitatie van een kampeerterrein. Hieruit volgt dat de vergunning pas kan worden verleend wanneer aan bepaalde minimumeisen wordt voldaan. De beoordeling of aan die minimumeisen wordt voldaan, is een bevoegdheid van verweerder. Verweerder stelt zich op het standpunt dat redelijkerwijs niet wordt voldaan aan de gestelde wettelijke eisen. Uit het brandveiligheidsadvies d.d. 28 december 2006 van de brandweer Bergen op Zoom blijkt dat camping De Heidepol op dat moment niet voldeed aan de daaraan te stellen brandveiligheidseisen. De juistheid van dit standpunt wordt naar het oordeel van de rechtbank bevestigd door het brandveiligheidsrapport d.d. 11 mei 2007 van Seval b.v.b.a., dat in opdracht van eiseres is opgesteld. Volgens dit rapport zijn er substantiële maatregelen nodig om te komen tot een acceptabel brandveiligheidsniveau. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder reeds op deze grond mogen aannemen dat redelijkerwijs niet is voldaan aan de minimaal aan een kampeerterrein te stellen eisen. Niet is gebleken dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit de brandveiligheidssituatie op de camping inmiddels substantieel was verbeterd. Verweerder stelt geen vergunning onder voorwaarden te hebben willen verlenen vanwege de combinatie van brandveiligheidsgebreken op de camping. Deze weigeringsgrond acht de rechtbank in het onderhavige geval niet onredelijk. Derhalve heeft verweerder de verlening van de gevraagde kampeerexploitatievergunning op goede gronden geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 07 / 3930 WET

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van

de besloten vennootschap Camping Heidepol B.V.,

gevestigd te Bergen op Zoom,

eiseres,

gemachtigde ing. J.A.L. van Engelen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom,

verweerder.

1. Procesverloop

Namens eiseres is, onder de naam Camping De Heidepol B.V., beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van

2 augustus 2007 met kenmerk U07-012568 (bestreden besluit), inzake de weigering tot verlening van een kampeerexploitatievergunning aan eiseres.

Het beroep is behandeld ter zitting van 11 december 2007. Daarbij werd eiseres vertegenwoordigd door haar bestuurder mevrouw [naam bestuurder], bijgestaan door ing. J.A.L. van Engelen en mr. J.M. de Heer. Namens verweerder is [medewerker verweerder] verschenen met [naam medewerker brandweer] en [naam medewerker brandweer], beide van de brandweer Bergen op Zoom en Roosendaal.

2. Beoordeling

2.1Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres exploiteert een kampeerterrein onder de naam “De Heidepol” op het perceel aan de [straatnaam] te Bergen op Zoom (perceel). Dit kampeerterrein met voorzieningen wordt hierna ook wel aangeduid als “de camping”.

Op 14 september 2006, aangevuld bij brief van 22 september 2006, heeft eiseres een aanvraag om toekenning van een kampeerexploitatievergunning als bedoeld in de Wet op de openluchtrecreatie (Wor) bij verweerder ingediend.

Bij primair besluit van 6 april 2007 heeft verweerder de gevraagde vergunning geweigerd, stellende dat de aanvraag niet was voorzien van alle gevraagde stukken en dat de camping niet voldoet aan alle te stellen brandveiligheidseisen, het nachtregister niet adequaat wordt bijgehouden en een deugdelijk plan van aanpak ontbreekt. Daartegen is namens eiseres bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit onverkort gehandhaafd.

2.2 Eiseres heeft in beroep, samengevat, aangevoerd dat verweerder in strijd met gemaakte afspraken niet eerst een ontwerp van het weigeringsbesluit heeft opgesteld ter beoordeling door eiseres, dat over de weigering van de vergunning vooraf geen overleg met eiseres heeft plaatsgevonden, dat het advies van de brandweer niet met eiseres is overlegd, dat eiseres tijdig alle gevraagde stukken heeft aangeleverd, dat op basis van het advies van de brandweer een vergunning onder voorwaarden had moeten worden verleend, dat er sprake is van een adequate nachtregistratiesysteem en dat bij de aanvraag ook een plan van aanpak was gevoegd, dat de weigering voorbij gaat aan het jarenlange bestaan van de camping, dat eiseres steeds heeft aangegeven binnen een redelijke termijn aan de wettelijke eisen te willen voldoen, dat eiseres sinds 2006 bezig is om maatregelen op de camping te treffen, dat in de bezwaarfase onvoldoende is gereageerd op de bezwaren van eiseres en dat alleen eiseres door verweerder wordt aangepakt, hetgeen in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.

2.3 Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wor is het verboden zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders een kampeerterrein te houden.

Artikel 10, eerste lid, van de Wor luidt:

1. Een vergunning als bedoeld in artikel 8, eerste lid, kan slechts worden verleend indien:

a. is voldaan of op redelijke wijze zal worden voldaan aan de regelen gesteld bij of krachtens deze wet en

b. de aanvraag betrekking heeft op een terrein dat bij bestemmingsplan uitsluitend of mede als kampeerterrein is aangewezen.

2.4 Bij de beoordeling van het geschil stelt de rechtbank voorop dat de bestuursrechter alleen het bestreden besluit toetst. In deze zaak ligt uitsluitend het besluit tot weigering van een kampeerexploitatievergunning ter beoordeling voor. Deze vergunning is door eiseres aangevraagd, zodat verweerder op deze aanvraag een beslissing moest nemen. Hetgeen van de zijde van eiseres wordt aangevoerd met betrekking tot met name het handhavend optreden van verweerder tegen de camping, valt dan ook buiten de grenzen van dit geschil.

Partijen verschillen in de eerste plaats van mening over de vraag of de aanvraag van eiseres compleet was. De wettelijke vereisten die kunnen worden gesteld aan een ontvankelijke aanvraag om kampeerexploitatievergunning blijken uit artikel 9 van de Wor en artikel 2 van het Besluit op de openluchtrecreatie voor de gemeente Bergen op Zoom (Bor). Bij brief van

6 november 2006 heeft verweerder eiseres medegedeeld welke stukken zijns inziens bij de aanvraag ontbreken. Het gaat hier om stukken zoals genoemd in artikel 2 van de Bor. Uit de gedingstukken kan niet blijken dat eiseres deze stukken voorafgaande aan het nemen van het primaire besluit door verweerder alsnog heeft ingezonden, zodat verweerder in beginsel de gevraagde vergunning op deze grondslag had mogen weigeren. Ter zitting is echter gebleken dat verweerder van deze mogelijkheid geen gebruik heeft willen maken en de vergunning op inhoudelijke gronden heeft beoogd te weigeren. Om deze reden zal de rechtbank dit formele punt verder buiten beschouwing laten en het bestreden besluit toetsen op de inhoudelijke weigeringsgrond.

Ingevolge artikel 10 van de Wor kan een vergunning uitsluitend worden verleend indien, kort gezegd, redelijkerwijs is voldaan aan de voorschriften die worden gesteld aan de exploitatie van een kampeerterrein. Hieruit volgt dat de vergunning pas kan worden verleend wanneer aan bepaalde minimumeisen wordt voldaan. De beoordeling of aan die minimumeisen wordt voldaan, is een bevoegdheid van verweerder. Bij het hanteren van deze bevoegdheid beschikt verweerder over beleidsvrijheid. De wijze waarop door verweerder van deze beleidsvrijheid gebruik wordt gemaakt kan de bestuursrechter slechts terughoudend toetsen. Dat wil zeggen dat de vergunningweigering op inhoudelijke gronden alleen dàn geen stand kan houden, indien verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid niet tot deze weigering heeft kunnen komen. Met inachtneming van dit uitgangspunt overweegt de rechtbank het volgende.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat redelijkerwijs niet wordt voldaan aan de gestelde wettelijke eisen. Om te beginnen blijkt uit het brandveiligheidsadvies d.d. 28 december 2006 van de brandweer Bergen op Zoom en Roosendaal, dat volgens verweerder is gebaseerd op de door eiseres ingediende vergunningaanvraag, dat camping De Heidepol op dat moment niet voldeed aan de daaraan te stellen brandveiligheidseisen. De juistheid van dit standpunt wordt naar het oordeel van de rechtbank bevestigd door het brandveiligheidsrapport d.d. 11 mei 2007 van Seval b.v.b.a., dat in opdracht van eiseres is opgesteld. Volgens dit rapport zijn er substantiële maatregelen nodig om te komen tot een acceptabel brandveiligheidsniveau. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder reeds op deze grond mogen aannemen dat redelijkerwijs niet is voldaan aan de minimaal aan een kampeerterrein te stellen eisen. Niet is gebleken dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit de brandveiligheidssituatie op de camping inmiddels substantieel was verbeterd. Het al dan niet verlenen van een vergunning onder voorwaarden is eveneens een discretionaire bevoegdheid van verweerder. Verweerder stelt geen vergunning onder voorwaarden te hebben willen verlenen vanwege de combinatie van brandveiligheidsgebreken op de camping. Deze weigeringsgrond acht de rechtbank in het onderhavige geval niet onredelijk.

Ten onrechte stelt eiseres zich op het standpunt dat zij over het negatieve brandweeradvies en verweerders voornemen tot weigering van de vergunning voorafgaande aan het nemen van het primaire besluit had moeten worden gehoord. Voor wat betreft het brandweeradvies is immers niet voldaan aan de eisen als genoemd in artikel 4:8 van de Awb en voor wat betreft het voornemen tot weigering van de vergunning is niet voldaan aan het gestelde in artikel 4:7, eerste lid, van de Awb. Overigens had eiseres in bezwaar alsnog alle negatieve informatie kunnen weerleggen, maar van die gelegenheid heeft zij geen gebruik gemaakt. Dat met verweerder zou zijn afgesproken dat eiseres een ontwerpbesluit ter beoordeling zou ontvangen, is door verweerder reeds voorafgaande aan het nemen van het primaire besluit, te weten bij e-mailbericht d.d. 28 maart 2007 aan de gemachtigde van eiseres, gemotiveerd betwist.

2.5 Uit voorgaande overwegingen volgt dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit de door eiseres geëxploiteerde camping De Heidepol niet voldeed aan de minimaal daaraan te stellen brandveiligheidseisen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de door eiseres aangevraagde kampeerexploitatievergunning dan ook op goede gronden geweigerd. Het beroep van eiseres zal daarom ongegrond worden verklaard.

2.6 Nu het beroep ongegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Th. Peters, rechter, en in aanwezigheid van mr. M.A.M. de Baar, griffier, in het openbaar uitgesproken op

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: