Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BB9768

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
06-12-2007
Datum publicatie
10-12-2007
Zaaknummer
462238 az 07-406
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsgeschil. Een door de werknemer gedaan verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen, omdat niet voldoende aannemelijk is geworden dat niet (op termijn) zou kunnen worden gekomen tot een de-escalatie van de tussen partijen ontstane situatie, desgewenst met behulp van een mediator

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector kanton

Locatie Bergen op Zoom

zaak/rolnr.: 462238 AZ 07-406

beschikking d.d. 6 december 2007

inzake

[verzoeker],

wonende te [adres],

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. H.M.S. Tigchelaar,

tegen

de besloten vennootschap VARKENSBEDRIJF [M] B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Etten-Leur,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. W.A.A. van Kuijk.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als “[verzoeker]” en “[M]”.

1. Het verloop van het geding

Dit blijkt uit de volgende stukken:

1.1 het op 17 oktober 2007 ter griffie ontvangen verzoekschrift, met producties;

1.2 het daarop ontvangen verweerschrift, met producties;

1.3 het faxbericht van mr. Tigchelaar, met aanvullende producties;

1.4 de aantekeningen van de griffier met betrekking tot de mondelinge behandeling ter zitting van donderdag 22 november 2007.

De inhoud van genoemde stukken en de daarbij behorende producties geldt als hier ingelast.

2. Het geschil

[verzoeker] verzoekt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden met toekenning aan hem van een vergoeding van € 47.664,-- bruto, althans met een naar billijkheid vast te stellen vergoeding en met veroordeling van [M] in de kosten van dit geding.

[M] voert gemotiveerd verweer.

3. De beoordeling

3.1 Tussen partijen staat in rechte het volgende vast:

- De thans 42-jarige [verzoeker] is sedert 1 mei 2000 in dienst van familiebedrijf [M], een varkensbedrijf waar fokzeugen en mestvarkens worden gehouden.

- [verzoeker] is binnen dit bedrijf als enig werknemer werkzaam en wel als varkensverzorger tegen een salaris van laatstelijk € 2.751,52 bruto per maand, te vermeerderen met 8,25% vakantie-toeslag.

- Feitelijk ondernemer is de heer [vR] (nader “[vR]”).

- Zijn houdstermaatschappij, Holding [vR] B.V., is enig aandeelhouder en bestuurder van [M]; deze holding houdt tevens de aandelen van Porkhoeve B.V., Varkensbedrijf Banken B.V. en Varkensbedrijf Brede Molen B.V..

- Thans vinden enkel nog in [M] en Varkensbedrijf Banken B.V. activiteiten plaats; de activiteiten van Porkhoeve zijn inmiddels volledig opgegaan in [M] en Varkensbedrijf Brede Molen is per 28 december 2006 verkocht aan een derde.

- Medio juni 2007 heeft de gemeente Etten-Leur aan [M], althans [vR], aangezegd voornemens te zijn een dwangsom op te leggen, omdat [M] kort gezegd niet in werking zou zijn overeenkomstig de vereiste, thans geldende, milieuvergunningen.

- Op 28 juni 2007 heeft [M] aan [verzoeker] kenbaar gemaakt uit oogpunt van kort gezegd kostenreductie te willen streven naar een einde van het dienstverband met [verzoeker].

- Op 4 juli 2007 is aan [verzoeker] een beëindigingsvoorstel gedaan.

- Op of omstreeks gelijke datum heeft [M] aan een daartoe gespecialiseerd bedrijf, Bestra Consultancy, opdracht gegeven een bedrijfsscan te maken.

- Het aan [verzoeker] op 4 juli 2007 gedane beëindigingsvoorstel is kort nadien door [M] gewijzigd en op 10 juli 2007 opnieuw aan [verzoeker] voorgelegd.

- [verzoeker] heeft het -gewijzigde- voorstel niet geaccepteerd.

- Op 12 juli 2007 is [verzoeker] voor 3 weken met vakantie gegaan.

- Nadien, op 10 augustus 2007, heeft [verzoeker] zich ziek gemeld wegens rugklachten.

- Op 15 augustus 2007 heeft [verzoeker] een tegenvoorstel gedaan, welk voorstel door [M] is afgewezen.

- Op 22 augustus 2007 heeft de bedrijfsarts, naar aanleiding van het werkhervattingsgesprek dat die dag met [verzoeker] heeft plaatsgevonden, geconstateerd, dat naast de arbeidongeschiktheid van [verzoeker], sprake is van een arbeidsconflict.

- Op advies van de bedrijfsarts is vervolgens een mediationtraject in gang gezet.

- Het doorlopen traject, dat zich om bij [verzoeker] gelegen redenen van psychische aard heeft beperkt tot één enkele bespreking tussen partijen en de mediator op 12 september 2007, heeft niet geleid tot een door beide partijen gewenst resultaat.

- Bestra Consultancy heeft haar bevindingen, conclusies en aanbevelingen gerapporteerd in een “bedrijfsplan varkenshouderij” van 5 september 2007 (prod.2 verweerschrift).

3.2 [verzoeker] baseert zijn ontbindingsverzoek op de stelling dat de arbeidsrelatie met [M] door toedoen van [M] onherstelbaar verstoord is geraakt. In zijn visie heeft [M] hem voortdurend onder druk gezet en heeft zij getracht hem op ongepaste wijze tot medewerking aan het door haar voorgenomen ontslag te dwingen. Het ernstig verwijtbaar handelen van [M] dient zich volgens [verzoeker] te vertalen in een -op C=2 gebaseerde- ontbindingsvergoeding van € 47.664,--.

3.3 [M] meent primair dat er geen (gewichtige) redenen zijn om te komen tot een ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Mocht die arbeidsovereenkomst niettemin worden ontbonden dan meent zij dat daaraan geen vergoeding dient te worden verbonden, nu de oorzaak van de ontstane situatie in haar visie ligt bij, althans in de persoon van [verzoeker].

3.4 Niet ter discussie staat dat de functie van [verzoeker] (veel) meer omvatte dan de enkele verzorging van varkens. Evenmin staat ter discussie dat [verzoeker] zijn functie steeds naar behoren heeft uitgeoefend en dat hij zich daartoe ook heeft ingespannen. Begrijpelijk is dat de mededeling van [M] medio juni 2007, dat zij niettemin voornemens was het dienstverband met [verzoeker] te beëindigen, bij [verzoeker] hard aankwam en dat hij een nadere toelichting en onderbouwing wenste van de bedrijfseconomische omstandigheden waarop dit voornemen was gestoeld. Die toelichting is door [M] op 16 juli 2007

schriftelijk -zij het beperkt- gegeven. Voldoende is gebleken dat de -niet weersproken- (externe) ontwikkelingen in en omstreeks het eerste halfjaar van 2007 (verval activiteiten Brede Molen, lagere opbrengst per varken, stijgende voederkosten en dreigende dwangsommen), van welke ontwikkelingen [M] in haar toelichting ook gewag maakt, [M] noopten haar bedrijfsvoering tenminste kritisch te bezien. Dat [M] daarbij aanvankelijk, uit een oogpunt van kostenreductie, heeft gedacht aan een personele inkrimping is niet onbegrijpelijk en kan haar in redelijkheid niet worden verweten, althans niet in die mate als [verzoeker] thans doet. Dat laat overigens onverlet dat die door [M] in de richting van [verzoeker] uitgesproken en in een beëindigingsvoorstel uitgewerkte gedachte van ontslag, door [verzoeker] -om bij hem gelegen redenen- kennelijk als zeer dwingend is ervaren en bij hem tot (aanzienlijke) spanningen heeft geleid. Zonder de ernst van die spanningen, de door [verzoeker] ervaren druk en zijn daaruit voortvloeiende klachten te willen bagatelliseren, is niet voldoende aannemelijk geworden, dat niet (op termijn) zou kunnen worden gekomen tot een de-escalatie van de ontstane situatie.

3.5 Aan een de-escalatie staat de bedrijfseconomische situatie van [M] niet in de weg. Zoals beide partijen terecht hebben opgemerkt, heeft Bestra Consultancy in haar rapportage van 5 september 2007 aangegeven, dat het rendement van [M] juist door de inzet van arbeid moet worden verbeterd. [M] heeft voldoende kenbaar gemaakt, zich dat inmiddels te hebben gerealiseerd en zij heeft zich uitdrukkelijk bereid verklaard het dienstverband met [verzoeker] te continueren. Hoewel van de zijde van [verzoeker] is gesteld, dat bij [verzoeker] de wil daartoe ontbreekt, valt geenszins uit te sluiten dat die stellingname verband houdt met de geestelijke toestand (hoge stress-, depressieve- en angstklachten) waarin [verzoeker] thans verkeert en waarvoor hij (zware) medicatie krijgt toegediend. Het lijkt veeleer in het belang van [verzoeker] vanuit de bestaande arbeidsovereenkomst te kunnen werken aan zijn eigen herstel en aan een mogelijk herstel van de arbeidsrelatie tussen partijen, zo nodig op langere termijn en desgewenst met behulp van een mediator.

3.6 Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat er thans onvoldoende grond is te komen tot een ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen. Het daartoe strekkende verzoek van [verzoeker] zal derhalve worden afgewezen.

3.7 In de aard van de procedure en de omstandigheden van het geval wordt aanleiding gezien te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

4. De beslissing

De kantonrechter:

- wijst het ontbindingsverzoek af;

- bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 6 december 2007 door mr. W.E.M. Verjans, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.