Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BB9699

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
01-08-2007
Datum publicatie
10-12-2007
Zaaknummer
161718 HAZA 06-1041
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot nakoming van aanvullende vaststellingsovereenkomst ter zake de afkoop van alimentatie en pensioen. Partijen, anders dan bij de echtscheidingsbemiddeling, hebben voorafgaand aan hun onderhandelingen geen VFAS-bemiddelingsovereenkomst getekend. Feitelijk heeft geen bemiddeling plaatsgevonden maar partijen hebben zelf onderhandeld, de bemiddelaar is nog slechts verzocht om een (concept)overeenkomst op te stellen. Aan de hand van artikel 6:217 BW, dat bepaalt dat een overeenkomst tot stand komt door een aanbod en de aanvaarding daarvan, en waarin niet de schriftelijkheidseis van artikel 3.1 van de VFAS-bemiddelingsovereenkomst wordt gesteld, wordt vastgesteld dat partijen blijkens de emailcorrespondentie tot overeenstemming zijn gekomen. Indien moet worden aangenomen dat partijen wel een VFAS-bemiddelingsovereenkomst hebben gesloten, is het in de gegeven omstandigheden, waarin feitelijk geen bemiddeling heeft plaatsgevonden maar partijen zelf hebben onderhandeld, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om partijen aan deze bepalingen gebonden te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK BREDA

Sector civiel recht

Team handelsrecht

zaaknummer / rolnummer: 161718 / HA ZA 06-1041

Vonnis van 1 augustus 2007

in de zaak van:

[eiser],

wonende te Bloemendaal,

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

procureur: mr. drs. E.C.M. Wagemakers,

advocaat: mr. I.J.A. Tax,

tegen

[gedaagde],

wonende te Teteringen,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

procureur: mr. M.F.IJ.J. Kramer,

advocaat: mr. W.C.G. Verlegh.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis in het incident van 8 november 2006 en de daarin genoemde stukken;

- de conclusie van repliek tevens houdende wijziging van eis, met 3 producties genummerd 10 tot en met 12;

- de conclusie van dupliek, met 4 producties genummerd 10 tot en met 13;

- de akte overlegging producties van [gedaagde], met 1 productie genummerd 14;

- de antwoordakte van [eiser].

2. De feiten

2.1. Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weer-sproken en/of op grond van de onbestreden inhoud van overgelegde producties het volgende vast:

a. Partijen zijn op 25 mei 1991 op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. Het huwelijk is op 9 mei 1996 door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand ontbonden. Partijen hebben de gevolgen van de scheiding bij echtscheidingsconvenant geregeld.

b. Op 16 oktober 2004 is de vader van [gedaagde] overleden. [gedaagde] heeft meer dan EUR 500.000,00 geërfd.

c. Nadien hebben partijen onderhandeld over, voor zover voor deze procedure van belang, afkoop door [eiser] van de partneralimentatie en het weduwepensioen.

d. Mr. C.A.R.M. van [L] is overeenkomstig artikel 9 van het echtscheidingsconvenant aangezocht om te bemiddelen. Hij trad tijdens de echtscheiding eveneens voor partijen als bemiddelaar op.

e. Artikel 3.1 van de VFAS-bemiddelingsovereenkomst luidt als volgt:

"Een overeenkomst tussen de partners komt pas tot stand door de ondertekening van het (scheidings)convenant door de beide partners. Voorstellen, toezeggingen e.d. in het ka-der van de bemiddeling binden de partners niet."

f. Na een emotioneel verlopen bespreking op 7 februari 2005 tussen partijen in aanwezig-heid van mr. Van [L] heeft [gedaagde] haar neef mr. M.L.M. de [B] naar voren ge-schoven om namens haar het overleg met [eiser] te voeren.

g. De e-mail van De [B] van 4 juli 2005 bevat, voor zover van belang, de volgende inhoud:

"a) afkoop alimentatie [S],;

(…) afrekening huis is bekend ,rest is nog onzeker. ik stel voor dat de afkoop geschiedt conform jou berekening, dwz de helft van het haar volgens het convenant toekomende, onder de voorwaarde dat dit weer ter discussie komt, indien aantoonbaar vast komt te staan ,dat [S] uit huis, Zitserse foundation en rekening in Tilburg minder ontvangt dan de aanname,euro 500k. niets staat mijns inziens in de weg om de afkoop aan [S] nu te fixeren op het door jou berekende bedrag"

h. De reactie hierop van [eiser] van 14 juli 2005 luidt, voor zover van belang, als volgt:

"2. mijn voorstel is een compromis: ik neem genoegen met halvering van de alimentatie en ik hoef verder geen inzage in de stukken. Met de voorwaarde nu toegevoegd krijgt [S] de upside (geen verdere vermindering van de alimentatie als er veel meer blijkt te zijn) en ik de downside (vermindering van de vermindering als er minder blijkt te zijn). Maar ik lig er niet wakker van, m.a.w. akkoord."

i. De [B] mailt aan [eiser] op 5 oktober 2005, voor zover van belang:

"Na overleg met [S] bericht ik je als volgt, met de bedoeling dat e.e.a. spoedig zal worden afgewerkt: (…)

2. Alimentatie [S]

Jij zou nog een exacte berekening maken over de afkoop. De afkoop zou voor de helft nu gebeuren, en de andere helft in januari 2006."

j. [eiser] reageert hierop bij e-mail van 10 oktober 2005, voor zover van belang, als volgt:

"2. Alimentatie [S]

De alimentatie bedroeg € 4.725 per maand. Vanaf 15 oktober 2004 was er nog 3 jaar en 8,5 maand te gaan, d.w.z. 44,5 maand = euro 210.263. De helft daarvan is euor 105.132. De alimentatie van euro 4.725 (verminderd met de door [S] verschuldigde hypotheekrente) is doorbetaald tot eind april 2005, d.w.z. 6,5 maand = euro 30.713. Verder is er over de maanden mei tot en met december euro 2.375 per maand betaald = euro 11.875. Verder is de hypotheek op 7 september afgelost. Er was nog rente verschuldigd over de periode van 1 mei t/m 6 september: euro 3.354. Op de euro 105.132 wordt dus in mindering gebracht deze bedragen van euro 30.713, euro 11.875 en euro 3.354: resteert te betalen euro 59.190.

3. Weduwepensioen

Ik heb een berekening laten maken van de contante waarde van de euro 30.287, maar dan zonder winstopslag van de verzekeringsmaatschappij, op actuariele basis, met de huidi-ge sterftetafels en leeftijdscorrecties en met een rekenrente van 3,7%, de in oktober 2005 door Zwitserleven gehanteerde rente. Deze berekening gaat hierbij. Hij bedraagt euro 132.737. De helft daarvan is euro 66.368."

k. De reactie van De [B] hierop van 17 oktober 2005 luidt, voor zover van belang, als volgt:

" Je laatste mail met [S] doorgesproken. Enkele op-en aanmerkingen:

1) Volgens [S] klopt het bedrag in jouw punt 2 regel 4,t.w euro 30.173 niet. Dit bedraagt volgens haar euro 27.559, ,svp nazien.

2) [S] orienteert zich nog op onderbrengen van de afkoopsom bij een verzekerings-mij of uit laten betalen. Daarover bericht ik nog deze week ,uiterlijk in het weekend.

3) [S] vindt de afkoopsom ad 66.368 te laag en houdt vast aan 80.000. Ik heb haar er wel van overtuigd dat 66.368 de helft is van een op reeele basis berekende afkoopsom, maar zij vindt dus eigenlijk de helft te laag (…)

Voor het overige akkoord. Graag nog je reactie op punt 1 en 3 , dan kunnen we afsluiten met instructie aan van [L],"

l. [gedaagde] mailt vervolgens op 22 oktober 2005 aan [eiser], voor zover van belang:

"1. Het verschil in mijn berekening van de bedragen die ik vanaf 16 oktober 2004(sterfdatum pappie) van jou heb ontvangen met de berekening van jou zit. wellicht in de hypotheekrente die jij maandelijks automatisch inhoudt. Ik had dat niet mee berekend. Dus dat verschil is uit de weg.

2. Wat betreft het weduwepensioen. Ik wil je er graag aan herinneren dat ik je al een heel eind tegemoet kom. De volledige afkoopsom bedraagt, volgens jouw berekening, 132.737 Euro. Dus lijkt mij 80.000 Euro heel schappelijk. Ik zie dan al af van 52.737 Euro. Zo je niet akkoord gaat met het bedrag van 80.000 Euro, wordt er niet afgekocht en blijft de voorziening van het weduwepensioen gehandhaafd zoals het in het echt-scheidingsconvenant vermeld staat."

m. [eiser] reageert op 25 oktober 2005, voor zover van belang, als volgt:

"Uit het feit dat Marc deze dit bericht niet stuurt maak ik op dat hij, jouw vertegen-woordiger in de besprekingen, het hiermee niet eens is. Het zou me ook verbaasd hebben. Sterker nog, hij was het al eens met de 50% van € 132.737 en ik had het zelfs al doorgegeven aan Cees. Maar jij wilt meer....

Cees, bij deze deel ik je mee dat ik akkoord ga met de € 80.000 euro van punt 2 van [S]'s e-mail van 22 oktober. E.e.a. betekent dus dat er nu wilsovereenstemming is bereikt. Mag ik jou vragen dit in een overeenkomst te verwoorden?"

n. [gedaagde] bericht [eiser] per e-mail van 26 oktober 2005 als volgt:

"10 november a.s. heb ik een afspraak met een vermogensadviseur van ABNAMRO. Na die afspraak laat ik je weten waar het geld naar toe moet."

o. Op 1 november 2005 mailt [gedaagde] aan [eiser], voor zover van belang:

"Let wel dat ik nog helemaal niet akkoord gegaan ben met de door jou gewijzigde hoogte van alimentatie. (…) Ik denk dan ook dat halveren geen optie is, maar dat 70 % reëler is. Je komt dan uit op een bedrag van 147.189 Euro. De reeds door jou aan mij betaalde bedragen vanaf 15 oktober 2004 plus nog een stukje hypotheek eraf getrokken resulteert in een bedrag van 101.247 Euro. (…)

Het afkoopbedrag van het weduwe pensioen is akkoord bevonden op een bedrag van 80.000 Euro. (…)

(…) maar niettemin, om tot een definitieve oplossing te komen, ga ik akkoord met bovenstaande, als package in zijn geheel."

p. Op 3 november 2005 volgt de reactie van [eiser]:

"(…) Maar veel meer wekt het verbazing dat je er überhaupt mee komt in dit stadium. (…) Omdat de besprekingen toen moeilijk verliepen heb je neef Marc de [B] naar voren geschoven als jouw vertegenwoordiger. (…) Besprekingen zijn verder altijd door Marc gevoerd, waarbij Marc uitdrukkelijk niet als bemiddelaar optrad, maar als de vertegenwoordiger van jouw belangen. (…) Marc en ik zijn na bijna vijf maanden praten tot een regeling gekomen en die staat nu, d.w.z. die is bindend voor beide partijen. Dat ik daarna nog akkoord ben gegaan met nog weer een hogere eis van jouw kant is voor sommigen (waaronder Marc de [B]) al verwonderlijk. Maar dat ik nu nog bereid zou zijn de onderhandelingen te heropenen is uitgesloten. (…)

Er is op zorgvuldige wijze een overeenkomst tot stand gekomen. (…) Het beste is om de wilsovereenstemming in een convenant op papier te zetten. Strikt juridisch is dat zelfs niet eens nodig want hij blijkt al uit de e-mail correspondentie. Ik heb Cees van [L] al gevraagd om een concept te maken."

q. Mr. Van [L] heeft een conceptovereenkomst opgesteld, gedateerd 15 november 2005.

r. [gedaagde] stuurt aan [eiser] op 5 december 2005 een e-mail met, voor zover van belang, de volgende inhoud:

"Naar aanleiding van het opgestelde convenant dd. 15 november jl. door de heer Cees van [L] heb ik de volgende opmerkingen. (…)

1.1 Naar aanleiding van de e-mailwisseling die in de afgelopen maanden is gevoerd over het afkopen van zowel de partneralimentatie en het nabestaandenpensioen en de inhoud van het conceptconvenant heb ik juridisch advies ingewonnen bij Koert Bos-houwers Van AKD Prinsen Van Wijmen in Eindhoven.

1.2 Ik constateer - anders dan Egbert-Jan - dat er nog geen definitieve regeling tot stand is gekomen over het afkopen van zijn bijdrage in mijn kosten van levensonderhoud. Er is en tussen Egbert-Jan en Marc de Bruin gesproken over het treffen van een regeling, maar Marc heeft hierbij een belangrijk voorbehoud gemaakt ten aanzien van het door mij verkrijgen van mijn aandeel in de nalatenschap van mijn vader. In zijn e-mail van 4 juli 2005 maakt hij duidelijk een voorbehoud van het afkopen van de partneralimentatie in verband met de hoogte van het bedrag dat ik uit de nalatenschap krijg.

1.3 (…) Mijn bezwaren tegen de voorstellen die tot dusverre zijn gedaan zal ik hieron-der weergeven. (…)

2.1 Egbert-Jan is er in zijn opstellingen telkens van uit gegaan, dat ik de volledige be-schikking hebben gekregen over mijn aandeel in de nalatenschap van mijn vader op diens sterfdag. Dit is niet het geval. (…)

4.2 Mijn bezwaar richt zich op de door Egbert-Jan berekende ingangsdatum van de wij-ziging van omstandigheden die tot het wijzigen van zijn bijdrage in mijn kosten van le-vensonderhoud zou leiden. Op de sterfdag van mijn vader had ik natuurlijk nog niet de beschikking over mijn aandeel in zijn nalatenschap, zodat zich op dat moment nog geen relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan. Deze datum kan feitelijk al-leen worden beschouwd als het moment die heeft geleid tot de wijziging van omstan-digheden. (…)

4.3 In het kader van het treffen van een definitieve regeling stel ik dan ook voor om de afkoopsom van de alimentatie te bepalen op 1 oktober 2005. Tot die tijd dient de volle-dige bijdrage in mijn kosten van levensonderhoud dan nog te worden voldaan."

3. Het geschil

[eiser] vordert, na wijziging van eis, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voor-raad:

primair:

A. [gedaagde] te gebieden om al haar contractuele verplichtingen voortvloeiend uit de met [eiser] gesloten overeenkomst onverkort na te komen door ondertekening, uiterlijk binnen twee dagen na de datum waarop het door de rechtbank te wijzen vonnis aan [gedaagde] zal zijn betekend, van het als productie 9 bij de dagvaarding aangehechte document waarin de tussen partijen getroffen minnelijke regeling staat verwoord, en retourzending van het ondertekende exemplaar aan [eiser], uiterlijk binnen één dag na ondertekening;

B. meer in het bijzonder om [gedaagde] te gebieden mee te werken aan:

1. de afkoop ineens door [eiser] van het weduwepensioen waarop [gedaagde] ingevolge het echtscheidingsconvenant aanspraak had tegen betaling ineens door [eiser] aan haar van EUR 80.000,00 bruto en;

2. de afkoop ineens door [eiser] van de partneralimentatie waarop [gedaagde] ingevolge het echtscheidingsconvenant aanspraak had tegen betaling door [eiser] aan [gedaagde] van een bedrag ineens gelijk aan 50% van het uit hoofde van het bepaalde in het echtscheidingsconvenant verschuldigde alimentatiebedrag, waarbij 15 oktober 2004 als peildatum voor de afkoop van deze partneralimentatie dient, derhalve een bedrag van EUR 105.132,00, onder aftrek van de (partner)alimentatie die [eiser] aan [gedaagde] heeft betaald in de periode 15 oktober 2004 tot en met 1 mei 2006 ad EUR 89.213,64. Dit bedrag van EUR 89.213,64 (volgens productie 3) is als volgt samengesteld:

- EUR 30.712,50 (partneralimentatie verminderd met hypotheekrente tot en met april 2005)

- EUR 11.875,00 (partneralimentatie mei tot en met september 2005)

- EUR 3.354,00 (betaalde hypotheekrente over de periode 1 mei tot en met 6 september)

- EUR 7.125,00 (betaalde alimentatie oktober tot en met december 2005)

- EUR 6.940,00 (betaalde alimentatie januari tot en met april 2006)

- EUR 29.207,14 (betaling na sommatie deurwaarder)

alsmede onder aftrek van de na 1 mei 2006 nog nader door [eiser] aan [gedaagde] betaalde en te betalen bedragen aan partneralimentatie;

C [gedaagde] voorts te gebieden aan [eiser] uiterlijk binnen zeven dagen na ontvangst door [gedaagde] van de door [eiser] te betalen bedragen als in dit petitum genoemd, schriftelijk algehele en finale kwijting ter zake (de afkoop van) het weduwepensioen en ter zake de (afkoop van de) partneralimentatie voortvloeiende uit het echtscheidingsconvenant te verlenen;

D. [gedaagde] te veroordelen om het hierboven onder A en C gevorderde na te komen op straffe van een door [gedaagde] aan [eiser] te verbeuren dwangsom van EUR 2.000,00 per dag of gedeelte van een dag, ingaande op de dag van betekening van dit vonnis aan [gedaagde], dat [gedaagde] in gebreke zal blijven met de nakoming van het ter zake hierboven onder A en C gevorderde;

E. [gedaagde] voorts te veroordelen in de kosten van deze procedure en tot betaling aan [eiser] van buitengerechtelijke kosten;

subsidiair:

voor zover de rechtbank zou oordelen dat de erfenis waarop [gedaagde] aanspraak heeft, kleiner is dan EUR 500.000,00 en de rechtbank tevens zou oordelen dat [gedaagde] uit dien hoofde niet onverkort gebonden is aan de overeengekomen afkoopregeling ter zake het partnerpensioen, moge het de rechtbank behage:

A. [gedaagde] te gebieden om al haar contractuele verplichtingen voortvloeiend uit de met [eiser] gesloten overeenkomst ter zake de afkoop van het weduwepensioen onverkort na te komen en meer in het bijzonder om [gedaagde] te gebieden mee te werken aan de afkoop ineens door [eiser] van het weduwepensioen waarop [gedaagde] ingevolge het echtscheidingsconvenant aanspraak had tegen betaling ineens door [eiser] aan haar van EUR 80.000,00 bruto en;

B. [gedaagde] voorts te gebieden aan [eiser], uiterlijk binnen zeven dagen na ontvangst door [gedaagde] van de door [eiser] te betalen bedragen als in dit petitum genoemd, schriftelijk algehele en finale kwijting ter zake (de afkoop van) het weduwepensioen voortvloeiende uit het echtscheidingsconvenant te verlenen;

C. [gedaagde] voorts te gebieden met [eiser] in redelijkheid verder te onderhandelen over de totstandkoming van een overeenkomst ter zake de afkoop van de partneralimentatie, en [gedaagde]

primair te gebieden, indien [gedaagde] in deze procedure genoegzaam zal hebben aangetoond dat zij slechts ten bedrage van EUR 461.419,08 aanspraak heeft op de erfenis als voornoemd, om in te stemmen met een afkoop van de partneralimentatie tegen betaling door [eiser] van het bedrag te berekenen op de wijze zoals hierboven omschreven in het primaire petitum sub B.2, te vermeerderen met het bedrag van EUR 7.615,00 zoals berekend sub 38 in deze conclusie, en

subsidiair te gebieden, indien en voor zover in deze procedure zal worden vastgesteld dat [gedaagde] aanspraak heeft op een erfenis groter dan EUR 461.419,08, doch kleiner dan EUR 500.000,00 om in te stemmen met een afkoop van de partneralimentatie tegen betaling door [eiser] van het bedrag te berekenen op de wijze zoals hierboven omschreven in het primaire petitum sub B.2, te vermeerderen met een zodanig lager bedrag dan EUR 7.615,00 zoals berekend zal worden op de wijze als hierboven uiteengezet sub 38;

D. [gedaagde] te veroordelen om het hierboven onder A, B en C gevorderde na te komen op straffe van een door [gedaagde] aan [eiser] te verbeuren dwangsom van EUR 2.000,00 per dag of gedeelte van een dag, ingaande op de dag van betekening van dit vonnis aan [gedaagde], dat [gedaagde] in gebreke zal blijven met de nakoming van het ter zake hierboven onder A, B en C gevorderde;

E. [gedaagde] voorts te veroordelen in de kosten van deze procedure en tot betaling aan [eiser] van de buitengerechtelijke kosten;

meer subsidiair:

de rechtsmaatregelen te treffen die de rechtbank in goede justitie in dit geval passend acht.

4. De beoordeling

4.1. [eiser] stelt zich op het standpunt dat tussen partijen een schikking ter zake de af-koop van de partneralimentatie en de afkoop van het weduwepensioen tot stand is gekomen. Hij legt primair aan zijn vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] jegens hem toerekenbaar in de nakoming van haar uit deze regeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgekomen. Sub-sidiair handelt [gedaagde] volgens [eiser] jegens hem door de wijze waarop zij zich opstelt in strijd met de redelijkheid en billijkheid en derhalve onrechtmatig.

4.2. [gedaagde] betwist primair dat er tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen, omdat zij geen stuk van een dergelijke strekking heeft ondertekend. [gedaagde] beroept zich in dit verband op artikel 3.1 van de VFAS-bemiddelingsovereenkomst. Dit artikel bepaalt dat een overeenkomst tussen de partners pas tot stand komt door ondertekening. Subsidiair werpt [gedaagde] tegen dat partijen - ook inhoudelijk - geen overeenstemming hebben bereikt, recht-streeks noch via De [B]. Meer subsidiair stelt [gedaagde] dat De [B] niet als haar vertegen-woordiger is opgetreden aangezien zij hem niet de bevoegdheid heeft gegeven om in haar naam rechtshandelingen te verrichten. De [B] fungeerde volgens [gedaagde] slechts als spreekbuis.

4.3. Partijen hebben mr. Van [L] gevraagd om tussen hen te bemiddelen teneinde een (aanvullende) regeling te bereiken. Uit de stukken kan worden afgeleid dat na een mis-lukte bijeenkomst tussen partijen in bijzijn van mr. Van [L] op 7 februari 2005 in het geheel geen bemiddeling meer heeft plaatsgevonden, dat partijen vervolgens zelf zijn gaan onderhandelen, dat mr. De [B] daarbij, in ieder geval aanvankelijk, namens [gedaagde] het woord heeft gevoerd en dat mr. Van [L] nog slechts is verzocht om een (con-cept)overeenkomst op te stellen.

4.4. De rechtbank stelt voorop dat partijen, anders dan bij de echtscheidingsbemidde-ling, voorafgaand aan hun onderhandelingen geen VFAS-bemiddelingsovereenkomst heb-ben getekend. Indien moet worden aangenomen dat partijen wel een dergelijke overeen-komst hebben gesloten met als gevolg dat de bepalingen van deze overeenkomst rechts-kracht hebben, is het naar het oordeel van de rechtbank in de gegeven omstandigheden, waarbij met name van belang is dat feitelijk geen bemiddeling heeft plaatsgevonden maar partijen zelf hebben onderhandeld, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaan-vaardbaar om partijen aan deze bepalingen gebonden te achten. Dit betekent dat de vraag of tussen partijen een regeling tot stand is gekomen, moet worden beantwoord aan de hand van de algemene verbintenisrechtelijke bepalingen van Boek 6 BW, meer in het bijzonder aan de hand van artikel 6:217 BW dat bepaalt dat een overeenkomst tot stand komt door een aan-bod en de aanvaarding daarvan. In de bepalingen van Boek 6 BW wordt niet de schriftelijk-heidseis van artikel 3.1 van de VFAS-bemiddelingsovereenkomst gesteld.

4.5. Ten aanzien van de partneralimentatie bericht De [B] op 4 juli 2005 aan [eiser] dat de afkoop kan geschieden conform [eiser]s berekening. De [B] maakt daarbij wel het voorbehoud dat er over de hoogte van de partneralimentatie opnieuw zal moeten worden onderhandeld als de erfenis minder dan EUR 500.000,00 blijkt te zijn. Verder kan uit de e-mail van De [B] van 5 oktober 2005 worden afgeleid dat [eiser] nog wel een exacte berekening moest overleggen voordat, in ieder geval wat De [B] betreft, dit gedeelte kon worden afgewikkeld.

4.6. De berekening van [eiser] volgt op 10 oktober 2005. [gedaagde] heeft blijkens de e-mail van De [B] van 17 oktober 2005 aanvankelijk nog bedenkingen bij deze berekening, maar op 22 oktober 2005 mailt zij zelf aan [eiser] dat de berekening correct is. Voorts laat [gedaagde] in deze e-mail aan [eiser] weten dat zij de tussen [eiser] en De [B] besproken af-koopsom van het weduwepensioen ten bedrage van EUR 66.368,00 te laag vindt en dat zij slechts met afkoop van het weduwepensioen akkoord gaat indien [eiser] EUR 80.000,00 betaalt. [eiser] stemt daarmee op 25 oktober 2005 in.

4.7. Voor zover op dat moment nog geen wilsovereenstemming ten aanzien van zowel de partneralimentatie als het weduwepensioen moet worden aangenomen, is er naar het oor-deel van de rechtbank in ieder geval op 26 oktober 2005 sprake van een overeenkomst. Op die dag bericht [gedaagde] aan [eiser] zonder enige restrictie dat zij na een bijeenkomst met haar vermogensadviseur zal laten weten waar het geld naartoe moet. Kortom, [gedaagde] was toen met de afgesproken bedragen en de onderliggende berekeningen akkoord.

4.8. Uit de stukken en met name uit de e-mail van [eiser] van 10 oktober 2005 en die van [gedaagde] zelf van 1 november 2005 kan worden afgeleid dat bij de berekening van de af-koopsom betreffende de partneralimentatie de sterfdatum van de vader van [gedaagde] als uit-gangspunt (peildatum) is genomen.

[gedaagde] heeft getuige haar e-mail van 5 december 2005 na 26 oktober 2005 advies bij mr. Boshouwers ingewonnen. Kennelijk heeft zij vervolgens de conclusie getrokken dat een latere peildatum beter aan haar belangen tegemoet zou komen. Gegeven de bereikte over-eenstemming kan [eiser] evenwel niet meer worden gedwongen om met de gewijzigde in-zichten van [gedaagde] rekening te houden.

4.9. Omdat [gedaagde] heeft erkend dat de erfenis hoger dan EUR 500.000,00 is, is het in de e-mail van 4 juli 2005 gemaakte voorbehoud waarop [gedaagde] zich in haar e-mail van 5 de-cember 2005 beroept, niet meer aan de orde.

4.10 [gedaagde] heeft niet betwist dat indien het standpunt van [eiser] voor juist zou worden gehouden, de als productie 9 bij dagvaarding overgelegde overeenkomst de gemaakte af-spraken correct weergeeft. Voorts heeft [gedaagde] ook de bij de primaire vordering sub B ge-noemde bedragen niet weersproken.

4.11. Al het voorgaande leidt ertoe dat de primaire vorderingen sub A, B en C zullen worden toegewezen met dien verstande dat bij de vorderingen sub A en C de termijnen worden aangepast en bij vordering sub B als peildatum 16 oktober 2004 heeft te gelden.

4.12. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd als in de beslissing bepaald.

4.13. De gevorderde buitengerechtelijke kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking nu gesteld noch gebleken is dat andere werkzaamheden zijn verricht dan die waarvoor de in de artikelen 237 en 239 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten.

4.14. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, met uitzondering van de kosten van het incident. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in deze proceskosten worden veroordeeld, gelet op het ontbreken van enige noodzaak voor het opwerpen van het incident.

5. De beslissing

De rechtbank:

A. gebiedt [gedaagde] om al haar contractuele verplichtingen voortvloeiend uit de met [eiser] gesloten overeenkomst onverkort na te komen door ondertekening, uiterlijk binnen veertien dagen na de datum waarop dit vonnis aan [gedaagde] zal zijn betekend, van het als productie 9 bij de dagvaarding aangehechte document waarin de tussen partijen getroffen minnelijke regeling staat verwoord, en retourzending van het ondertekende exemplaar aan [eiser], uiterlijk binnen twee dagen na ondertekening;

B. gebiedt [gedaagde] meer in het bijzonder om mee te werken aan:

1. de afkoop ineens door [eiser] van het weduwepensioen waarop [gedaagde] ingevolge het echtscheidingsconvenant aanspraak had tegen betaling ineens door [eiser] aan haar van EUR 80.000,00 bruto en;

2. de afkoop ineens door [eiser] van de partneralimentatie waarop [gedaagde] ingevolge het echtscheidingsconvenant aanspraak had tegen betaling door [eiser] aan [gedaagde] van een bedrag ineens gelijk aan 50% van het uit hoofde van het bepaalde in het echtscheidingsconvenant verschuldigde alimentatiebedrag, waarbij 16 oktober 2004 als peildatum voor de afkoop van deze partneralimentatie dient, derhalve een bedrag van EUR 105.132,00, onder aftrek van de (partner)alimentatie die [eiser] aan [gedaagde] heeft betaald in de periode 16 oktober 2004 tot en met 1 mei 2006 ad EUR 89.213,64 alsmede onder aftrek van de na 1 mei 2006 nog nader door [eiser] aan [gedaagde] betaalde en te betalen bedragen aan partneralimentatie;

C. gebiedt [gedaagde] aan [eiser] uiterlijk binnen veertien dagen na ontvangst door [gedaagde] van de door [eiser] te betalen bedragen schriftelijk algehele en finale kwijting ter zake (de afkoop van) het weduwepensioen en ter zake de (afkoop van de) partneralimentatie voortvloeiende uit het echtscheidingsconvenant te verlenen;

D. veroordeelt [gedaagde] om hetgeen onder A en C is toegewezen na te komen op straffe van een door [gedaagde] aan [eiser] te verbeuren dwangsom van EUR 500,00 per dag of gedeelte van een dag, ingaande veertien dagen na betekening van dit vonnis aan [gedaagde], dat [gedaagde] hiermee in gebreke zal blijven, onder bepaling dat aan dwangsommen maximaal EUR 20.000,00 kan worden verbeurd;

E. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding aan de zijde van [eiser] in het incident gevallen, tot op heden begroot op EUR 452,= aan procureurssalaris;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Meyboom en in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2007.?