Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BB8482

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
25-10-2007
Datum publicatie
22-11-2007
Zaaknummer
AWB 06/1808
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende wenst - ten aanzien van een door haar verkocht en vervolgens van de koper gehuurd pand - de door haar in de toekomst verschuldigde huur voor de na balansdatum resterende periode van het huurcontract te passiveren voor zover deze huur betrekking heeft op niet door haarzelf dan wel door een onderhuurder in gebruik genomen gedeelten van het gebouw. Het vormen van een voorziening ter zake van leegstandsrisico is onder de gegeven feiten en omstandigheden niet in overeenstemming met goed koopmansgebruik, omdat de kosten slechts toegerekend kunnen worden aan de jaren na balansdatum, zijnde de jaren waarin belanghebbende het huurgenot heeft van de desbetreffende delen van het gebouw.

Het vormen van een voorziening voor inrichtingskosten is onder de gegeven feiten en omstandigheden eveneens niet in overeenstemming met goed koopmansgebruik, omdat de kosten niet worden opgeroepen door de bedrijfsvoering in de periode voorafgaand aan de balansdatum doch eerst op het moment dat in de onderhandeling met de desbetreffende onderhuurder de toezegging wordt gedaan de inrichtingskosten voor rekening van belanghebbende te laten komen.

Voorts is niet aannemelijk geworden dat aan de door belanghebbende van de koper van het gebouw ontvangen koopsom dusdanige onzekerheden zijn verbonden dat uitstel van de met de verkoop behaalde winst voor het geheel of voor een deel is geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-2223
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/1808

Uitspraakdatum: 8 oktober 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [woonplaats], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiseres en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2002 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van nihil, en bij beschikking een verlies vastgesteld op € 83.780.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 3 maart 2006 de beschikking gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 7 april 2006, ontvangen bij de rechtbank op 10 april 2006, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 281.

1.4. De inspecteur heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2007 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord namens belanghebbende haar gemachtigde, en de inspecteur.

Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan de rechtbank en aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen worden geacht ter zitting te zijn voorgedragen. De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan belanghebbende.

Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

2.1. Belanghebbende is opgericht bij akte van 30 december 1999 en is statutair gevestigd te [woonplaats]. Zij vormt tezamen met een zestal (klein)dochtervennootschappen, waaronder [B.V.]., een fiscale eenheid in de zin van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De activiteiten bestaan uit de handel in en de exploitatie van onroerende zaken alsmede projectontwikkeling.

2.2. In mei 2001 is een nieuwgebouwd bedrijfspand (hierna: het [gebouw]), aan belanghebbende opgeleverd en door (een met ) belanghebbende (gevoegde dochtervennootschap) voor een deel in eigen gebruik genomen.

2.3. In het onderhavige jaar heeft belanghebbende het [gebouw] verkocht aan [B.V.] Daarbij is (fiscaal) een boekwinst behaald van € 3.477.076.

2.4.1. Bij overeenkomst van 13 april 2001 heeft [B.V.]. het [gebouw] gehuurd voor een periode van 10 jaar, ingaande 2 mei 2001, met onder meer een voorkeursrecht van koop alsmede het recht van onderverhuur. De verhuurder heeft aanspraak op 50% van de meeropbrengst bij onderverhuur.

2.4.2. De verhuurbare oppervlakte van het gebouw is 3.664 m² groot. De huur voor het gehele gebouw, inclusief parkeerplaatsen, bedraagt € 509.395,52 per jaar, of wel € 139/m².

Het deel dat door (de met) belanghebbende (gevoegde dochtervennootschap) in eigen gebruik is genomen beslaat 1.600 m².

2.4.3. De resterende oppervlakte is met enig tijdsverloop (onder)verhuurd aan andere bedrijven en instellingen en wel als volgt:

Met ingang van Verhuurd oppervlak Huurprijs/m²

1 maart 2002 685 m2 € 161

1 januari 2003 189 m2 € 183

1 januari 2004 186 m2 € 226

1 maart 2004 350 m2 € 202

1 augustus 2004 661 m2 € 203

2.5. In haar aangifte voor de vennootschapsbelasting voor het onderhavige jaar heeft belanghebbende een belastbaar resultaat berekend van € 3.766.023 negatief. Daarbij heeft zij onder meer een tweetal voorzieningen in aanmerking genomen ten bedrage van in totaal € 3.317.943: een onder de noemer winstuitstelpost ter zake van het leegstandsrisico en becijferd op € 3.057.114 alsmede een ter zake van inrichtingskosten ten behoeve van toekomstige huurders welke voorziening is berekend op € 260.829. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de inspecteur deze voorzieningen – alsmede een niet in geschil zijnde garantievoorziening - buiten aanmerking gelaten en het verlies vastgesteld op € 83.780, welk bedrag hij bij uitspraak op bezwaar heeft gehandhaafd.

3. Geschil

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of het vormen van een voorziening ter zake van het leegstandsrisico alsmede een voorziening voor inrichtingskosten onder de gegeven feiten en omstandigheden in overeenstemming is met goed koopmansgebruik.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de inspecteur ontkennend. Bij bevestigende beantwoording van eerdervermelde vraag is verder in geschil tot welk bedrag de voorzieningen kunnen worden gevormd. Primair stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de voorzieningen € 2.142.294 (leegstand) en € 182.487 (inrichtingskosten) dienen te bedragen en subsidiair € 1.147.655 en € 182.487. De inspecteur verdedigt subsidiair een hoogte van maximaal € 607.401 ter zake van het leegstandsrisico.

3.3.1. Belanghebbende concludeert uiteindelijk tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vaststelling van het verlies op primair € 2.447.861 en – naar de rechtbank begrijpt - subsidiair op € 1.270.735.

3.3.2. De inspecteur concludeert uiteindelijk tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vaststelling van het verlies op primair € 123.080 en subsidiair op € 730.481.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Nu de huurovereenkomst, waarvan een afschrift tot de gedingstukken behoort, met de koper van het [gebouw] is aangegaan op 13 april 2001, gaat de rechtbank ervan uit dat de eigendom van het gebouw juridisch op een daaraan voorafgaand moment is overgegaan en niet, zoals wellicht uit de door partijen geschetste gang van zaken zou kunnen worden afgeleid, eerst in het jaar 2002. Zulks laat onverlet dat tussen partijen niet in geschil is dat de boekwinst, welke ter zake van de verkoop is berekend, terecht in het onderhavige jaar tot uitdrukking is gebracht. De rechtbank volgt partijen hierin.

4.2. In zijn arrest van 26 augustus 1998, nr. 33 417, (onder meer gepubliceerd in BNB 1998/409) heeft de Hoge Raad beslist dat het ingevolge goed koopmansgebruik is toegestaan dat bij de bepaling van de winst voor een zeker jaar ter zake van toekomstige uitgaven een passiefpost wordt gevormd, indien die uitgaven hun oorsprong vinden in feiten of omstandigheden die zich in de periode voorafgaand aan de balansdatum hebben voorgedaan en ook overigens aan die periode kunnen worden toegerekend en ter zake waarvan een redelijke mate van zekerheid bestaat dat zij zich zullen voordoen.

4.3. Belanghebbende wenst de door haar in de toekomst verschuldigde huur voor de na balansdatum resterende periode van het huurcontract te passiveren voor zover deze huur betrekking heeft op niet door haarzelf dan wel door een onderhuurder in gebruik genomen gedeelten van het gebouw. De rechtbank volgt haar hierin niet. Zo te dezen al sprake is van (toekomstige) uitgaven die hun oorsprong vinden in feiten of omstandigheden die zich in de periode voorafgaand aan de balansdatum hebben voorgedaan, kunnen deze kosten naar het oordeel van de rechtbank op grond van goed koopmansgebruik slechts toegerekend worden aan de jaren na balansdatum, zijnde de jaren waarin belanghebbende het huurgenot heeft van de desbetreffende delen van het gebouw. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat belanghebbende, tegenover de gemotiveerde weerspreking door de inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat ter zake van de op balansdatum niet (onder-)verhuurde delen van het pand de verwachting gewettigd was dat deze leegstand structureel van aard zou zijn.

4.4. Ook staan de hiervoor vermelde criteria in de weg aan het vormen van de door belanghebbende bepleite voorziening voor inrichtingskosten. Deze kosten worden immers niet opgeroepen door de bedrijfsvoering in de periode voorafgaand aan de balansdatum doch eerst op het moment dat in de onderhandeling met de desbetreffende onderhuurder de toezegging wordt gedaan de inrichtingskosten voor rekening van belanghebbende te laten komen. Daarenboven stelt de inspecteur terecht dat dergelijke kosten, die gemaakt worden teneinde een potentiële huurder te bewegen een deel van het gebouw te huren, niet ineens ten laste van de winst kunnen worden gebracht doch verdeeld over de jaren waarin zij hun nut afwerpen, te weten de met de desbetreffende onderhuurder overeengekomen huurperiode.

4.5. Ook belanghebbendes betoog dat winstneming met betrekking tot de bij verkoop van het gebouw behaalde opbrengst dient te worden uitgesteld voor zover het gebouw op balansdatum niet is (onder-)verhuurd wordt door de rechtbank verworpen. Belanghebbende heeft ter ondersteuning van haar betoog onder meer gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 13 oktober 2006, nr. 42 602 (onder meer gepubliceerd in V-N 2006/53.15). In dat arrest heeft de Hoge Raad – voor zover te dezen van belang – het volgende overwogen: “in het algemeen moet worden aangenomen dat de opbrengst van een in het kader van een onderneming verrichte levering of een dienst naar goed koopmansgebruik tot uitdrukking dient te worden gebracht uiterlijk op het moment waarop de levering of de dienst ten uitvoer is gebracht. Van deze regel kan echter worden afgeweken indien aan de ontvangen tegenprestatie onzekerheden zijn verbonden van zodanige aard, dat uitstel van winstneming in overeenstemming is met de voorzichtigheid die aan de winstbepaling volgens goed koopmansgebruik inherent is.” Anders dan belanghebbende is de rechtbank van oordeel dat aan de door belanghebbende van de koper van het gebouw ontvangen koopsom niet dusdanige onzekerheden zijn verbonden dat uitstel van de met de verkoop behaalde winst voor het geheel of voor een deel is geboden. Weliswaar heeft belanghebbende gesteld dat zij de van de koper ontvangen koopsom uitsluitend heeft kunnen bedingen omdat zij bereid was het gebouw in het geheel te huren, doch belanghebbende heeft deze stelling – wat daar van zij - tegenover de gemotiveerde weerspreking ervan door de inspecteur, niet waargemaakt.

4.6. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep slechts gegrond te worden verklaard voor zover de inspecteur – zoals door deze gesteld in zijn verweerschrift en ter zitting is bevestigd – een bedrag van € 39.300 ten opzichte van het door belanghebbende in haar aangifte vermeld verlies, teveel heeft gecorrigeerd.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 966 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak op bezwaar,

- stelt het verlies voor het jaar 2002 vast op € 123.080,

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 966, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 281 aan deze vergoedt

Deze uitspraak is gedaan op 8 oktober 2007 door mr. J.J.J. Engel, voorzitter, mr. A.J. Kromhout en mr. C.A.F.M. Stassen, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te [woonplaats] (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.