Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BB6621

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
29-10-2007
Datum publicatie
29-10-2007
Zaaknummer
02/626912-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dood door schuld bij bedrijfsuitje. Activiteiten bestonden uit het over speciaal daarvoor aangelegde hindernisbanen rijden in vierwiel aangedreven auto’s, crossmotoren en quads. De rechtbank verwijt verdachte dat zij zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van het feit dat zij leken in aanraking bracht met de risico’s van voor hen onbekende vormen van gemotoriseerde sport.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2008, 52
JWR 2007/101 met annotatie van WR
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 02/626912-06

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 oktober 2007

in de strafzaak tegen

[verdachte] B.V.,

gevestigd te [adres],

raadsman mr. M.J. Smit, advocaat te Dordrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 oktober 2007, waarbij de officier van justitie, mr. De Brouwer, en de verdediging hun standpunten hebben kenbaar gemaakt. Verdachte werd vertegenwoordigd door haar directeur/enig aandeelhouder [verdachte], geboren [in het jaar] 1956.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat door verdachte’s schuld [slachtoffer] tijdens een personeelsuitje op 10 mei 2006 om het leven is gekomen, omdat zij niet heeft gecontroleerd of [slachtoffer] een veiligheidsgordel droeg.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 De bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis wordt gehecht.

4.2 De bewijsoverwegingen

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de dood van de heer [slachtoffer] is veroorzaakt doordat hij tijdens een rit met een zgn. Rhino, een vierwielig voertuig waarmee op hindernisbanen werd gereden, bij een landing uit die Rhino gleed en de rolbeugel van de kantelende Rhino op zijn hoofd kreeg. Daardoor is, ondanks het dragen van een helm, zodanig hersenletsel ontstaan dat de heer [slachtoffer] kwam te overlijden.

De officier van justitie acht verdachte in strafrechtelijke zin aansprakelijk voor de dood van de heer [slachtoffer] omdat verdachte als werkgeefster zeggenschap kon uitoefenen over haar instructeurs en heeft aanvaard en placht te aanvaarden dat haar instructeurs nalieten om een controle uit te oefenen op het daadwerkelijk gebruik van de veiligheidsgordel.

De officier van justitie stelt dat de instructeurs die de groep deelnemers instrueerden het gevaar van onoordeelkundig gebruik van de Rhino kenden. Zij hadden kunnen en moeten voorzien dat zij met hun instructies tekort schoten en zelfstandig moeten controleren of de deelnemers hun veiligheidsgordel hadden omgedaan. Nu verdachte heeft nagelaten haar instructeurs daartoe te verplichten en het causale verband tussen het niet dragen van de gordel en het overlijden van de heer [slachtoffer] in de ogen van de officier van justitie vast staat, acht hij verdachte schuldig aan de dood van de heer [slachtoffer].

De verdediging heeft betoogd dat de instructies juist heel gedegen en uitgebreid waren. Veiligheid stond voor de B.V. en voor de in haar dienst werkende instructeurs hoog in het vaandel.

De deelnemers waren echter volwassen mensen en dienden in het bezit te zijn van een rijbewijs. Van hen mocht enige eigen verantwoordelijkheid worden verwacht. Zij werden erop gewezen dat zij de gordel om moesten doen en de instructie hoefde niet zover te gaan dat dan nog eens bij ieder afzonderlijk werd gecontroleerd of dat ook echt was gebeurd voor men de hindernisbaan opging.

Daarnaast hoefden de B.V., noch haar instructeurs, er rekening mee te houden dat er dermate ondeskundig met een voertuig als de Rhino zou worden gereden.

Bovendien staat naar de mening van de raadsman niet vast dat de dood van de heer [slachtoffer] uitsluitend werd veroorzaakt door het niet dragen van de veiligheidsgordel. Te denken valt aan het onwel worden van de heer [slachtoffer] tijdens het rijden of het stoten van zijn hoofd tegen de rolbeugel voordat de Rhino kantelde.

In ieder geval meent de verdediging dat, zo er al sprake is van schuld, er geen sprake was van een aanmerkelijke mate van verwijtbare nalatigheid.

De rechtbank is van oordeel dat vast staat dat de heer [slachtoffer] tijdens de rit geen gordel heeft gedragen. Dit blijkt genoegzaam uit het technisch onderzoek en uit getuigenverklaringen, met name de verklaring van de passagier van [slachtoffer], [getuige 1]. Ter zitting zijn foto’s getoond van Rhino’s, waarin leden van het gezelschap waartoe de heer [slachtoffer] behoorde, als bestuurder of als passagier meereden. Uit de foto’s wordt duidelijk dat niemand een veiligheidsgordel om had. Meer specifiek is uit de ter zitting getoonde foto NS6V7162, gemaakt kort voor het noodlottige ongeval, gebleken dat evenmin de heer [slachtoffer] en zijn passagier een veiligheidsgordel droegen.

De veronderstelling van de raadsman dat de heer [slachtoffer] wel een gordel om had en langzaam uit die gordel is geschoven zonder dat deze is geblokkeerd, volgt de rechtbank dan ook niet. De heer [slachtoffer] droeg zijn veiligheidsgordel niet.

Vervolgens dient de rechtbank vast te stellen of er een causaal verband bestaat tussen het niet dragen van een gordel door de heer [slachtoffer] en het door het ongeval opgelopen letsel. Gelet op de aard en de ernst van het letsel van de heer [slachtoffer], in combinatie met de ernstige beschadigingen aan de door hem gedragen helm, kan dit letsel niet zijn ontstaan door het stoten van zijn hoofd, zoals de raadsman opperde. Dit kan slechts het gevolg zijn van een plotselinge, enorme puntbelasting op de helm en het hoofd. Uit het technisch onderzoek blijkt dat dit slechts kan zijn veroorzaakt doordat de rolbeugel van de kantelende, 600 kilogram zware, Rhino op het hoofd van de heer [slachtoffer] terecht is gekomen. Verder blijkt uit dat onderzoek dat, indien de heer [slachtoffer] de goedwerkende veiligheidsgordel had gedragen, hij niet op een dergelijke manier uit de Rhino zou zijn geslingerd. Op grond hiervan neemt de rechtbank als vaststaand aan dat de dood van de heer [slachtoffer] is veroorzaakt doordat hij geen gordel droeg.

De rechtbank komt dan toe aan het verweer van de verdediging dat van de B.V. als werkgever en van de instructeurs niet gevergd kon worden dat zij meer controle uitoefenden dan werd gedaan en dat van de deelnemers enige eigen verantwoordelijkheid kon worden verwacht.

De rechtbank acht het navolgende van belang. Zoals de vertegenwoordiger van verdachte ter zitting erkende is door de combinatie van de aard van het parcours, de snelheid van de Rhino’s, de onervarenheid van de deelnemers en soms hun overmoedige gedrag, het dragen van de veiligheidsgordel van het grootste belang. De deelnemers waren onbekend met de voertuigen en het rijden daarmee onder zware terreinomstandigheden. Dan kan niet worden volstaan met een sticker op het dashboard, al dan niet in het Engels of het Nederlands, en het enkele wijzen tijdens de instructie op het belang van het dragen van de gordel. Dan moet een extra controle worden uitgevoerd voor men vertrekt, zoals dat ook gebruikelijk gebeurt voordat een vliegtuig gaat vertrekken, ook nadat de passagiers erop zijn gewezen dat ze hun gordel moeten aandoen. Het dragen van een veiligheidsgordel is te belangrijk, met name in een situatie waarin mensen hetgeen staat te gebeuren zien als vermaak. Zij zijn daardoor minder in staat de juiste risico-inschatting te maken. Op een organisator die deelnemers in een dergelijke gevaarzettende situatie brengt rust dus een bijzondere zorgplicht in de vorm van een expliciete controle of iedere deelnemer heeft voldaan aan het vereiste om zijn gordel om te doen.

Zoals reeds opgemerkt is niet gecontroleerd op het daadwerkelijke omdoen van de gordel. Was dit wel gebeurd, dan was de heer [slachtoffer] niet verongelukt. Gelet op het grote belang van het dragen van de veiligheidsgordel, is het nalaten van een controle daarop voordat inzittenden in dit soort voertuigen vertrekken, te kwalificeren als een aanmerkelijke nalatigheid. De rechtbank acht daarom sprake van dood door schuld in de zin van artikel 307 wetboek van strafrecht.

Het zij herhaald, de vertegenwoordiger van verdachte verklaarde ter zitting dat het dragen van de veiligheidsgordel op de Rhino prioriteit één was. Desondanks heeft verdachte de instructeurs niet geïnstrueerd een laatste, afdoende controle uit te oefenen.

Als vaststaand moet worden aangenomen dat verdachte de feitelijke zeggenschap had over de instructeurs en heeft aanvaard dat de instructeurs volstonden met het wijzen op het gebruik van de gordels, maar dat gebruik niet daadwerkelijk controleerden. Dit maakt dat, alhoewel verdachte niet zelf de delictshandeling heeft verricht, de rechtbank haar als dader van dat delict aanmerkt. Verdachte is dus schuldig aan de dood van de heer [slachtoffer].

4.3 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 10 mei 2006 te Loon op Zand aanmerkelijk nalatig niet heeft gecontroleerd op het daadwerkelijk gebruik van de veiligheidsgordel in een Rhino (met [slachtoffer] als bestuurder), waardoor het aan haar schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] zodanig letsel, te weten uitgebreid hersenletsel, heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een geldboete van

€ 40.000,--, waarvan € 15.000,-- voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gewezen op de door het ongeluk ontstane terugloop van inkomsten en op grond daarvan matiging verzocht.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

De vertegenwoordiger van verdachte heeft na de beëindiging van zijn carrière als internationaal motorcrosser dit bedrijf opgericht en zich toegelegd op het organiseren van gemotoriseerde een- of meerdaagse evenementen. Deze bestonden uit het over speciaal daarvoor aangelegde hindernisbanen rijden in vierwiel aangedreven auto’s, crossmotoren en de reeds genoemde quads. De Rhino’s werden in eerste instantie daarvoor niet ingezet maar indien de klant erom vroeg werd de gelegenheid geboden ook met zo’n Rhino het terrein in te gaan.

Meedrijvend op een steeds grotere vraag naar meer avontuurlijke en spannende activiteiten in het kader van personeelsuitjes, is het bedrijf van verdachte uitgegroeid tot een toonaangevend bedrijf in deze branche.

Wat de rechtbank verdachte verwijt is dat zij zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van het feit dat zij leken in aanraking bracht met de risico’s van voor hen onbekende vormen van gemotoriseerde sport. Ongetwijfeld zullen de hindernisbanen en de diverse motorvoertuigen zijn uitgeprobeerd door werknemers van verdachte, maar dit betreffen allen “off road” specialisten. De Rhino is een krachtig voertuig, waarmee ook in zwaar terrein een aanmerkelijke snelheid kan worden ontwikkeld. Men heeft zich niet of onvoldoende gerealiseerd dat ondeskundigen in de omstandigheden waaronder zij in een dergelijk voertuig stapten als bestuurder tot een combinatie van handelingen en/of nalatingen konden komen, waardoor het risico op ongelukken werd vergroot. Dat maakt het dragen van een veiligheidsgordel in een Rhino dan ook zo belangrijk.

Had verdachte zich dat voldoende gerealiseerd dan zou zij, zoals na het onderhavige ongeval ook inderdaad is gebeurd, opdracht hebben gegeven tot nog strengere veiligheidsinstructies, waaronder de expliciete controle op het dragen van de gordel.

Voor de heer [slachtoffer] is dat besluit te laat genomen. Voor hem en zijn nabestaanden zijn de gevolgen van dit tragische ongeluk onomkeerbaar.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat zeker niet de indruk is ontstaan dat aan de veiligheid van de klanten onvoldoende aandacht werd besteed. Verdachte en haar medewerkers waren serieus met de veiligheidsaspecten bezig, maar hebben dit onderdeel daarvan onderschat.

Alhoewel niet met stukken gestaafd acht de rechtbank het aannemelijk dat verdachte inkomsten is misgelopen door het ongeval en daardoor in betekenende mate schade heeft geleden. Ook dat behoort te worden meegewogen bij de bepaling van de straf.

Maar naar het oordeel van de rechtbank heeft de officier van justitie met genoemde omstandigheden al in vergaande mate rekening gehouden bij de bepaling van zijn eis. De rechtbank acht, gezien de noodlottige gevolgen, geen reden om van die eis af te wijken.

Wel zal de rechtbank, nu geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd welke rechtvaardigen dat van de reguliere proeftijd van twee jaren wordt afgeweken, de proeftijd daartoe beperken.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 51 en 307 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.3 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 40.000,=, waarvan

€ 15.000,= voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van deze geldboete niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;

Dit vonnis is gewezen door mr. Bakx, voorzitter, mr. Schoenmakers en mr. Van Kempen, rechters, in tegenwoordigheid van Mertens, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 29 oktober 2007. Mrs. Schoenmakers en Van Kempen en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage:

Verdachte was tenlastegelegd dat:

zij op of omstreeks 10 mei 2006 te Loon op Zand grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig niet, althans onvoldoende, heeft geïnstrueerd op het gebruik van de veiligheidsgordel en/of niet, althans onvoldoende, heeft gecontroleerd op het daadwerkelijk gebruik van de veiligheidsgordel in een Rhino (met [slachtoffer] als bestuurder), waardoor het aan haar schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] zodanig letsel, te weten uitgebreid hersenletsel, heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden;