Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BB5936

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
16-10-2007
Datum publicatie
19-10-2007
Zaaknummer
849309-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het gevan van leiding aan een criminele organisatie. Deze organisatie opereerde vanuit een growshop en hield zich op grote schaal bezig met de in- en verkoop van hennepstekken, het opzetten en exploiteren van hennepkwekerijen in Nederland en in Spanje, het verhandelen van hennep of hasjiesj binnen Nederland en het uitvoeren van hennepstekken, hennep en hasjiesj naar het buitenland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-HERTOGENBOSCH zittinghoudende te BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 849309-05

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 oktober 2007

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] 1964,

thans gedetineerd in P.I. Willem II te Tilburg,

raadsman mr. P.W. van der Kruijs, advocaat te ’s-Hertogenbosch.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 18 september 2007, 24 september 2007, 27 september 2007 en 2 oktober 2007 waarbij de officier van justitie, mr. Lukowski en de verdediging hun standpunten hebben kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het wetboek van strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feiten 1 en 2: leider is geweest van een criminele organisatie die zich bezig hield met de handel in hennep en hennepstekken, de uitvoer van hennep en hasjiesj, het telen van hennep, het witwassen van daaruit verkregen gelden, afpersing en het plegen van valsheid in geschrifte;

feit 3: samen met anderen beroepsmatig heeft gehandeld in hennep en hennepstekken en beroepsmatig hennepkwekerijen heeft gehad in Marbella en Wanroij;

feiten 4 en 5: samen met anderen hennep en hasjiesj heeft uitgevoerd;

feit 6: samen met anderen geprobeerd heeft [slachtoffer 1] af te persen dan wel openlijk geweld heeft gepleegd tegen die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 1] heeft bedreigd;

feit 7: samen met anderen een gewoonte heeft gemaakt van witwassen;

feit 8: samen met anderen documenten valselijk heeft opgemaakt.

3 De voorvragen

3.1 De geldigheid van de dagvaarding

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding op een aantal onderdelen te weinig gespecificeerd is en daarom nietig moet worden verklaard.

Daarbij heeft de verdediging met name het oog op die onderdelen van de dagvaarding waarin wordt gesproken over: “een of meer andere plaatsen”, “een of meer andere misdrijven”, “een of meer andere andere percelen” en “een of meer andere goederen”.

Voorts worden de omschrijvingen verkoop, vervoer, afleveren in feit 3 zonder nadere specificatie te onbepaald gevonden.

Ten aanzien van feit 5 wordt het onderdeel “een of meer andere hoeveelheden hennep (telkens meer dan 1 kilogram) op verschillende tijdstippen in genoemde pleegperiode,” onvoldoende feitelijk bevonden.

In het witwasdelict wordt het onderdeel “girale en/of chartale geldbedragen in euro’s of britse ponden” te weinig specifiek bevonden. Daarnaast meent de verdediging dat de dagvaarding innerlijk tegenstrijdig is nu het witwasdelict een periode vermeldt van 14 december 2001 tot en met 4 oktober 2006, terwijl de criminele organisatie welke zich met witwassen zou hebben bezig gehouden, vanaf 1 september 2005 tot en met 4 oktober 2006 zou hebben bestaan.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat het verweer dient te worden verworpen. De wijze van tenlasteleggen is in overeenstemming met de geldende jurisprudentie. Bovendien wordt in de dagvaarding steeds expliciet verwezen naar het relevante delictdossier. Van verwarring behoeft derhalve geen sprake te zijn en daarvan is bij de behandeling van de feiten ook niet gebleken, aldus de officier van justitie.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de gestelde nietigheid van de dagvaarding per feit bespreken.

Feiten 1 en 2

Voor zover de verdediging bedoeld heeft te betogen dat de feiten 1 en 2 partieel nietig zijn op de onderdelen “een of meer andere plaatsen in Nederland, in Spanje en/of in Duitsland” en “een of meer andere misdrijven”, faalt dit betoog. De rechtbank ziet deze omschrijvingen als een gebruikelijke manier van tenlasteleggen, waarbij wordt gewerkt met een omschrijving die de rechtbank karakteriseert als vangnetbepaling. Bedoelde zinsneden zijn in samenhang met de wél genoemde plaatsen en misdrijven en de overige tekst van de tenlastelegging voldoende concreet. Aldus gelezen is voldoende duidelijk waartegen de verdediging zich moet verweren. De dagvaarding, voor zover dit de feiten 1 en 2 betreft, is dus geldig.

Feit 3

Ten aanzien van feit 3 overweegt de rechtbank dat dit feit moeilijk leesbaar is door vermenging in dit feit van enerzijds het telen van hennep – de kwekerijen – en anderzijds de handel in hennep en hennepstekken.

Voor wat betreft de handel in hennep en hennepstekken is de tenlastelegging naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk. De termen verkopen, vervoeren, afleveren en verstrekken zijn op zich voldoende feitelijk. Bij dit onderdeel van de tenlastelegging wordt verwezen naar de delictdossiers 10 en 16. Gezien deze verwijzing en in aanmerking genomen de opbouw van deze delictdossiers (in hoofdstukken waarbij elk hoofdstuk de handel met een bepaald persoon betreft), is voor de verdediging voldoende helder welk verwijt in de dagvaarding wordt gemaakt en is verdachte in staat zich hiertegen te verdedigen.

Ook voor wat betreft het telen van hennep is duidelijk wat verdachte wordt verweten nu in de tenlastelegging twee met naam en toenaam genoemde kwekerijen zijn opgenomen. De dagvaarding, voor zover dit feit 3 betreft, is dus geldig.

Feit 5

Het betoog van de verdediging ten aanzien van feit 5 volgt de rechtbank evenmin. Het onderdeel “een of meer andere hoeveelheden hennep (telkens meer dan 1 kilogram) op verschillende tijdstippen in genoemde pleegperiode,” acht de rechtbank voldoende duidelijk. Bij dit onderdeel wordt immers verwezen naar specifieke hoofdstukken van het delictdossier 17. Hiermee is voor de verdediging voldoende duidelijk waartegen verdachte zich dient te verdedigen. Ter zitting is gebleken dat de verdediging daartoe ook in staat was.

Feit 7

Ten aanzien van het witwasdelict is de rechtbank van oordeel dat de dagvaarding nietig is voor zover het de onderdelen “een of meer ander(e) goed(eren)”en “gira(a)l(e) en/of charta(a)l(e) geldbedrag(en) in euro’s en/of Britse ponden” betreft. Deze onderdelen zijn zeer algemeen geformuleerd. Specificatie was op zich mogelijk geweest. Er wordt niet verwezen naar specifieke hoofdstukken van delictdossier 176. Het verwijt dat verdachte wordt gemaakt is dan ook onvoldoende helder, zodat verdachte niet goed in staat is zich hiertegen te verdedigen.

De verdediging heeft voorts nog betoogd dat de dagvaarding innerlijk tegenstrijdig is nu het witwasdelict een langere periode omvat dan de periode dat de criminele organisatie zich met witwassen zou hebben bezig gehouden. Voor zover daarmee beoogd is te stellen dat de dagvaarding ook op dit onderdeel nietig is, faalt dit betoog. De rechtbank ziet niet in waarom een zodanig verband tussen beide feiten zou bestaan dat de periode waarin het ene feit zou zijn gepleegd niet korter kan zijn dan de periode van het andere feit. Dat dit wellicht een probleem ten aanzien van het bewijs kan opleveren, maakt dit niet anders.

3.2 De bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank is bevoegd.

3.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.3.1. De rechtsmacht

Met betrekking tot de criminele organisatie

De feiten 1 en 2 zouden ook zijn begaan in het buitenland, namelijk in Spanje, Duitsland, Cyprus en Brazilië.

Ingevolge artikel 2 van het wetboek van strafrecht en de geldende jurisprudentie is de Nederlandse strafwet toepasselijk op eenieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Indien als plaats waar een strafbaar feit is gepleegd zowel in als buiten Nederland gelegen plaatsen kunnen gelden, is reeds op grond van de hiervoor genoemde wetsbepaling vervolging van dat strafbare feit in Nederland mogelijk, ook ten aanzien van de van dat strafbare feit deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat hiermee met betrekking tot de rechtmacht op zich aan de eisen die de wet daaraan stelt is voldaan. Overigens geldt voor Spanje ook de dubbele strafbaarheid op grond van artikel 5 van het wetboek van strafrecht, aangezien verdachte de Nederlandse nationaliteit heeft, de feiten volgens de Nederlandse wet misdrijven zijn en op soortgelijke feiten bij de artikelen 515-521 Código Penal straf is gesteld.

Met betrekking tot de Opiumwetdelicten

Feit 3 zou ook zijn begaan in het buitenland namelijk onder andere in Spanje. Verdachte heeft de Nederlandse nationaliteit en het feit is volgens de Nederlandse wet een misdrijf. Op soortgelijke feiten is bij de artikelen 368-371, 373-378 Código Penal straf gesteld.

Op grond van artikel 5 van het wetboek van strafrecht is onder die omstandigheden de Nederlandse strafwet toepasselijk.

Met betrekking tot de afpersing

Feit 6 zou gedeeltelijk ook zijn begaan in het buitenland, namelijk in Spanje.

Ingevolge artikel 2 van het wetboek van strafrecht is de Nederlandse strafwet toepasselijk op ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Indien naast in ook buiten Nederland gelegen plaatsen kunnen gelden als plaats waar een strafbaar feit is gepleegd, is reeds op grond van de hiervoor genoemde wetsbepaling vervolging van dat strafbare feit in Nederland mogelijk, ook ten aanzien van de van dat strafbare feit deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden.

Met betrekking tot de valsheid in geschrifte en het witwasfeit

De feiten 7 en 8 zouden ook zijn begaan in het buitenland, namelijk in Spanje.

Verdachte heeft de Nederlandse nationaliteit en de feiten zijn volgens de Nederlandse wet misdrijven. Op soortgelijke feiten is bij de artikelen 301 en 390 tot en met 399 Código Penal van de Spaanse strafwet straf gesteld. Op grond van artikel 5 van het wetboek van strafrecht is onder die omstandigheden de Nederlandse strafwet toepasselijk.

3.3.2 De pseudo-koop en de inzet van het politie infiltratieteam

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, op verschillende gronden, aangevoerd dat de bijzondere opsporingsbevoegdheden ‘pseudo-koop’ onrechtmatig is ingezet en dat dit derhalve dient te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, dan wel, subsidiair, tot uitsluiting van het bewijs dat door middel van deze opsporingsbevoegdheden is verkregen. In dit verband is door de verdediging ook het stelselmatig inwinnen van informatie genoemd.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gemotiveerd geconcludeerd dat het verweer van de verdediging niet kan slagen en er geen beletselen zijn voor de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, dan wel het gebruik van de uitkomsten van de inzet van de opsporingsbevoegdheden voor het bewijs.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de door de verdediging aangevoerde gronden hieronder steeds afzonderlijk bespreken.

Proportionaliteit en subsidiariteit

De verdediging heeft gesteld dat bij de inzet van de bovengenoemde bijzondere opsporingsbevoegdheden niet is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Ter onderbouwing heeft zij aangevoerd dat het ingezette middel te zwaar was nu het in de onderhavige zaak slechts ging om een verdenking ter zake softdrugs, op welk gebied door

de Nederlandse overheid nota bene een gedoogbeleid wordt gevoerd. De verdediging heeft er voorts op gewezen dat het leven en de bezigheden van de verdachte reeds minutieus in beeld waren gebracht door andere ingezette opsporingsbevoegdheden, zoals afluistermiddelen en observaties. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat het overgrote deel van de tenlastegelegde delicten zich heeft afgespeeld vóór de leveringen aan de opsporingsambtenaren en dat de inzet van deze opsporingsbevoegdheden er niet toe heeft geleid dat er andere zaken zichtbaar zijn geworden die dat niet reeds voor de inzet van deze bevoegdheden waren.

Artikel 126i Wetboek van Strafvordering schrijft voor dat in het geval van verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis op grond van artikel 67, eerste lid, Sv is toegestaan, de officier van justitie in het belang van het onderzoek kan bevelen dat een opsporingsambtenaar goederen afneemt van de verdachte. Artikel 126j Sv stelt voor het stelselmatig inwinnen van informatie slechts de eis dat sprake is van verdenking van een misdrijf. Dit in tegenstelling tot een aantal andere in titel IVA van boek 1 van het wetboek van strafvordering opgenomen bijzondere opsporingsbevoegdheden, waarbij, vanwege hun meer ingrijpende karakter, de aanvullende eisen worden gesteld dat de misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren en het onderzoek de inzet van de bevoegdheden dringend vordert. De ingezette bijzondere opsporingsbevoegdheden, pseudokoop en stelselmatige inwinning van informatie, dienen dan ook te worden beschouwd als minder ingrijpende bevoegdheden. Dit neemt niet weg dat ook de inzet van deze bevoegdheden aan de algemene eisen van proportionaliteit en subsidiariteit is gebonden.

De rechtbank is van oordeel dat aan deze eisen is voldaan. De inbreuk van de ingezette middelen is niet te zwaar gezien de feiten waarvan verdachte verdacht werd. Het doel van de ingezette middelen was het inzichtelijk maken van de (omvang van de) uitvoer van softdrugs naar het buitenland. Er waren voldoende aanwijzingen dat verdachte (al langere tijd) bij dergelijke feiten betrokken was. De uitvoer van softdrugs kent de hoogste strafbedreiging van alle strafbare gedragingen die zijn opgenomen in artikel 3, sub A tot en met D van de Opiumwet. De rechtbank wijst erop dat het door de verdediging genoemde gedoogbeleid enkel ziet op de verkoop van kleine hoeveelheden softdrugs door coffeeshops en het telen/gebruiken van kleine hoeveelheden door individuele burgers. Wat er van dit beleid ook zij, het heeft op geen enkele wijze betrekking op de uitvoer van softdrugs, welke tevens schadelijk is voor de goede naam van Nederland in het buitenland, zeker gezien de bezwaren die veel landen hebben tegen het Nederlandse gedoogbeleid.

De vraag of er alternatieve opsporingsmiddelen voor de pseudo-koop ingezet hadden kunnen en moeten worden beantwoordt de rechtbank ontkennend. Uit het procesdossier is gebleken dat reeds eerder in het onderzoek gebruik was gemaakt van andere (soms meer ingrijpende) opsporingsbevoegdheden, maar dat deze niet tot het gewenste resultaat hadden geleid.

Het bevel ex artikel 126i en 126j Wetboek van Strafvordering

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het bevel van de officier van justitie dermate ongespecificeerd is dat het niet ten grondslag kan liggen aan een rechtmatige informatiegaring en een rechtmatige pseudo-koop.

De rechtbank stelt vast dat de bevelen pseudo-koop en stelselmatig inwinnen van informatie van 15 mei 2006 voldoen aan de daaraan in de artikelen 126i, derde lid, Sv en 126j, derde lid, Wetboek van Strafvordering gestelde eisen. De wet stelt niet de eis dat een dergelijk bevel het aantal in te zetten binnenlandse, dan wel buitenlandse opsporingsambtenaren vermeldt.

Zorgvuldigheid en begeleiding van de undercoveragenten

De verdediging heeft gesteld dat de begeleiding van de mannelijke Deense opsporingsambtenaar A1729 (Jo) dermate onzorgvuldig is geweest dat deze niet in overeenstemming kan worden geacht met de toepasselijke regelgeving. Hierbij heeft zij verwezen naar artikel 5 van de Regeling infiltratieteams en het vonnis van de rechtbank te Zwolle van 3 mei 2007. Voorts heeft zij aangevoerd dat de Deense opsporingsambtenaar gedurende het gehele traject maar één begeleider heeft gehad die met hem in de Engelse taal communiceerde, terwijl dit voor beide partijen niet de moedertaal was.

Artikel 5 van de Regeling infiltratieteams beschrijft in het eerste lid de samenstelling van een infiltratieteam, waarbij, voor zover voor de onderhavige zaak van toepassing, is bepaald dat het team is samengesteld uit tenminste vier begeleiders. De rechtbank overweegt dat deze samenstelling ingevolge artikel 1 sub a van de Regeling infiltratieteams ziet op het team als eenheid van een regionaal politiekorps en niet op de specifieke groep van opsporingsambtenaren die vanuit dit team wordt ingezet in een concreet onderzoek. Evenmin schrijft deze regeling voor dat een undercoveragent binnen één onderzoek door meer dan één persoon begeleid zou moeten worden. In zoverre mist de verwijzing van de verdediging naar deze bepaling relevantie. Overigens is de stelling dat de Deense opsporingsambtenaar A1729 slechts door één persoon zou zijn begeleid onjuist. De rechtbank verwijst hierbij naar de processen-verbaal van 23 mei 2006 en 10 juli 2006, waarin in totaal drie begeleiders staan vermeld, B1056, B1183 en B1129.

De rechtbank overweegt voorts dat de inzet van buitenlandse opsporingsambtenaren bij de uitoefening van bijzondere opsporingsbevoegdheden bijzondere betrouwbaarheidsrisico’s met zich kan brengen. Hierbij kan gedacht worden aan taalproblemen of onbekendheid met Nederlandse regelgeving. In het vonnis van de rechtbank te Zwolle van 3 mei 2007 werd in het daar aan de orde zijnde onderzoek gebruik gemaakt van Engelse opsporingsambtenaren, terwijl niet gebleken was dat het bevel tot stelselmatig inwinnen van informatie zich uitstrekte tot personen in de openbare dienst van een vreemde staat. Derhalve was niet gebleken dat de officier van justitie de hierboven genoemde risico’s had meegewogen in zijn beslissing tot het afgeven van het bevel. In de onderhavige zaak heeft de officier van justitie in zijn bevelen echter wel nadrukkelijk de mogelijkheid van de inzet van buitenlandse opsporingsambtenaren opgenomen. Daarnaast volgt uit het verhoor van de Deense opsporingsambtenaar A1729 bij de rechter-commissaris dat hij uitleg heeft gekregen over de toepasselijke Nederlandse regelgeving. Bovendien is de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) ook in Denemarken van toepassing.

Zoals hierboven reeds aangegeven kan het communiceren in een taal die voor beide partijen niet de moedertaal is, risico’s met zich brengen. In de onderhavige zaak is naar het oordeel van de rechtbank echter niet gebleken dat deze risico’s zich ook verwezenlijkt hebben.

De rechtbank baseert dit in het bijzonder op de volgende omstandigheden:

- De processen-verbaal van de opsporingsambtenaren A1371 en A1729 en de uitwerking van de opgenomen vertrouwelijke communicatie (ovc-gesprekken) komen grotendeels met elkaar overeen. Weliswaar zijn er een aantal keren verschillen te ontdekken, maar deze zijn niet zodanig cruciaal van aard dat daar enig gevolg aan verbonden zou moeten worden. De uitgewerkte ovc-gesprekken zijn derhalve een controlemiddel voor de juistheid van de processen-verbaal. Hierbij wijst de rechtbank erop dat de verdediging één ovc-geprek waaraan een undercoveragent deelnemer was tezamen met de officier van justitie heeft uitgeluisterd. Door de raadsman is niet aangevoerd dat de in het proces-verbaal weergegeven inhoud van dat gesprek niet juist zou zijn.

- De verdediging is in de gelegenheid geweest de undercoveragenten te bevragen bij de rechter-commissaris. De verdediging heeft evenwel nauwelijks vragen gesteld over de inhoud van de door de Deense opsporingsambtenaar A1729 en zijn Nederlandse begeleiders opgestelde processen-verbaal, noch is de Deense opsporingsambtenaar A1729 geconfronteerd met door de verdediging gestelde onjuistheden in deze processen-verbaal.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat uit het proces-verbaal van de Nederlandse opsporingsambtenaar A1371 (Joy) naar aanleiding van haar bezoek aan de growshop op 15 juni 2006 en het daarbij behorende ovc-gesprek dient te worden opgemaakt dat zij de week daarvoor ook een bezoek heeft gebracht aan de growshop, terwijl van dit bezoek geen proces-verbaal is opgemaakt. Dit duidt volgens de verdediging op onzorgvuldigheid en maakt het voor de verdediging onmogelijk de rechtmatigheid van de ingezette opsporingsmiddelen te controleren.

De inhoud van het genoemde proces-verbaal van 15 juni 2006 en het daarbij behorende ovc-gesprek zouden er inderdaad op kunnen duiden dat opsporingsambtenaar A1371 in de week voor 15 juni 2006 ook in de growshop is geweest. De rechtbank overweegt dat er twee mogelijkheden zijn:

1. Het betreffende proces-verbaal en het daarbij behorende ovc-gesprek zijn niet aan het procesdossier toegevoegd.

2. Het betreft een ongelukkige formulering van de opsporingsambtenaar A1371 en de verwijzing heeft betrekking op het eerste bezoek dat zij aan de growshop heeft gebracht op 18 mei 2006. Daarvoor zijn wel aanknopingspunten, nu beide gesprekken inhoudelijk op elkaar aan lijken te sluiten.

Welke optie ook de juiste is, de rechtbank zal hieraan geen consequenties verbinden nu niet uit het procesdossier blijkt en evenmin door de verdediging is gesteld dat de rechtbank hierdoor cruciale, relevante, informatie is onthouden.

‘Uitlokking’ / Talloncriterium

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie door middel van de pseudo-koop verdachte heeft gebracht tot feiten die hij anders niet zou hebben gepleegd. Ter onderbouwing voert de verdediging aan dat verdachte geen enkele band met Denemarken had, dat hij in de verleiding werd gebracht door het geld dat hij met de levering van de softdrugs kon verdienen en dat er sprake was van seksuele toenadering door opsporingsambtenaar A1371.

Op grond van nationale wetgeving (in casu in het bijzonder artikel 126i, tweede lid, Sv) is het een opsporingsambtenaar niet toegestaan om bij de tenuitvoerlegging van het bevel tot pseudo-koop een verdachte te brengen tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht. De Memorie van Toelichting merkt hierover op dat achteraf moet kunnen worden vastgesteld dat de verdachte de misdrijven ter zake waarvan hij wordt vervolgd ook zou hebben begaan als de pseudo-koper er niet tussen was gekomen. Ook in de Europese jurisprudentie is het verbod tot uitlokking sterk verankerd en wordt het door het

EHRM aangemerkt als een inbreuk op het in artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces indien het bewijs dat eruit voorvloeit wordt gebruikt in het proces. Een dergelijke inbreuk valt naar het oordeel van het EHRM nimmer te rechtvaardigen, ook niet door de noodzaak ernstige strafbare feiten op een doelmatige wijze op te sporen.

Pseudo-koop impliceert echter altijd een zekere activiteit van de ingezette opsporingsambtenaar om de desbetreffende koop tot stand te brengen. “Uitlokking” om een bepaalde koop te sluiten door een pseudo-koper behoeft echter niet in de weg te staan aan het oordeel dat een verdachte door een dergelijk optreden niet is gebracht tot andere strafbare feiten dan waarop zijn opzet reeds tevoren was gericht, aldus de Hoge Raad in zijn arrest van 23 januari 2001, NJ 2001, 218.

De rechtbank is van oordeel dat kan worden vastgesteld dat het opzet van verdachte reeds tevoren was gericht op de uitvoer van softdrugs en dat hij derhalve niet eerst door de pseudo-koop tot dit strafbare feit is gebracht. In het proces-dossier zijn daarvoor voldoende concrete aanwijzingen aanwezig. De rechtbank wijst hierbij in zijn algemeenheid op de resultaten van het onderzoek “Stroom” die al bekend waren voor het bevel tot pseudo-koop en waaruit betrokkenheid van verdachte bij de handel in en uitvoer van hennep bleek. In het bijzonder en zonder uitputtend te zijn wijst de rechtbank op het volgende:

- Informatie van de Criminele Inlichtingen Eenheid van 13 september 2005 waaruit blijkt dat de volgende informatie is binnengekomen. “[bijnaam verdachte] (nader aangeduid als verdachte [naam verdachte]) is al jaren bezig met het exporteren van grote partijen wiet naar het buitenland. Voor de organisatie van [bijnaam verdachte] werken onder andere (medeverdachte1) en ( medeverdachte 2].”

- Op 5 december 2005 werd [medeverdachte 10] en (medeverdachte 3] aangehouden met 21kg hennep en 3,1kg hasjiesj, welke softdrugs volgens zijn verklaring bestemd waren voor Duitsland. Gezien de resultaten van de huiszoeking bij [medeverdachte 10]] de observaties die hebben plaatsgevonden en de ovc-gesprekken waren er sterke aanwijzingen dat de onderschepte partij softdrugs in verband kon worden gebracht met de growshop te Boxmeer. Inmiddels heeft verdachte [naam verdachte] verklaard dat een deel van de in beslag genomen partij softdrugs van hem afkomstig was;

- ‘Ovc-gesprekken’ in de periode april – mei 2006 waarin wordt gesproken over leveringen aan Duitsland, met name Mannheim, met de daarbij behorende observaties;

- Het proces-verbaal van opsporingsambtenaar A1371 van 18 mei 2006 en het proces-verbaal van de Deense opsporingsambtenaar A1729 van 23 mei 2006 waarin zij beide vermelden dat verdachte [naam verdachte] aangeeft dat hij bereid is de kwekerij in Denemarken op te zetten en vervolgens de opbrengst af te nemen. Hierbij gaf [naam verdachte] aan dat hij overal contacten had, ook in Denemarken;

- Het proces-verbaal van opsporingsambtenaar A1371 van 16 juni 2006 en het proces-verbaal van de Deense opsporingsambtenaar A1729 van 18 juni 2006 waarin zij aangeven dat verdachte [medeverdachte 1] hen vertelt dat zij in de growshop hennep kunnen kopen;

- Het proces-verbaal van opsporingsambtenaar A1371 van 7 juli 2007 over haar bezoek aan de growshop die dag. Tijdens het gesprek werden afspraken gemaakt over de levering van 10kg hennep. Verdachte [naam verdachte] stelt een bepaalde wijze van levering voor en merkt hierbij op dat “dit hun werk was, dat hij dit al twintig jaar deed en dat daarbij nog nooit iemand ontevreden is geweest.”

In zoverre zijn de omstandigheden in de onderhavige zaak anders dan in de door de verdediging aangehaalde uitspraken in de zaken Texeira de Castro (EHRM 9 juni 1998) en Khudobin (EHRM 26 oktober 2006), waarbij de rechtbank ook nog verwijst naar de uitspraak in de zaak Vanyan (EHRM 15 december 2005). In deze uitspraken van het EHRM was, in tegenstelling tot de onderhavige zaak, steeds geen reden aanwezig om te vermoeden dat de vervolgde personen betrokken waren bij de handel in drugs. Zo hadden zij geen strafblad en liep er tegen hen geen politie-onderzoek waaruit vermoedens van enige betrokkenheid bij de handel in drugs naar voren kwamen.

In het licht van het bovenstaande dient ook het verweer van de verdediging te worden gezien dat verdachte in de verleiding zou zijn gebracht door het geld, welk verweer is ontleend aan bovengenoemde uitspraken van het EHR[.] De rechtbank overweegt dat noch uit het procesdossier, noch uit het behandelde ter zitting naar voren is gekomen dat het bedrag van € 3.250,- per kilogram hennep verdachte over de streep heeft getrokken om de hennep aan de opsporingsambtenaren te leveren. Uit het procesdossier (met name het ovc-gesprek van 7 juli 2007 om 13:48:25 uur) kan weliswaar worden opgemaakt dat verdachte en zijn medeverdachten het een goede prijs vonden, maar uit hoofdstuk 2 van delictproces-verbaal 17 (buitenlandse handel met [medeverdachte 4] in Mannheim) blijkt dat het bedrag niet uitzonderlijk is en zij van sommige klanten een nog hoger bedrag per kilogram ontvingen.

Ten aanzien van het verweer dat er sprake was van seksuele toenadering door opsporingsambtenaar A1371 waarbij zij zeer uitdagend gekleed zou zijn overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank wil aannemen dat opsporingsambtenaar A1371 naar het oordeel van de verdachte een “aangename verschijning” was. Uit het procesdossier is haar echter niet gebleken van enige seksuele toenadering (die er voorts ook nog toe geleid zou hebben dat verdachte werd gebracht tot het plegen van een feit, uitvoer van hennep, waartoe hij zonder deze seksuele toenadering niet zou zijn overgegaan).

Voorts heeft de verdediging bij het verhoor van opsporingsambtenaar A1371 bij de rechter-commissaris op 10 september 2007 geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om haar over haar kledingkeuze te bevragen, zodat de rechtbank deze stellingname voor rekening van de verdediging laat.

In het verlengde van dit verweer dient nog bespreking de verwijzing van de verdediging in het pleidooi naar de beslissing van de rechtbank op het aanhoudingsverzoek ten einde de uitkomst van de aangifte meineed af te wachten, welke aangifte door de verdediging tegen opsporingsambtenaar A1371 is gedaan. De rechtbank heeft overwogen dat de uitkomst van een mogelijk onderzoek naar aanleiding van deze aangifte niet van belang is voor enige door de rechtbank op grond van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing. De rechtbank heeft deze beslissing genomen omdat haar een zelfstandig oordeel toekomt over dit aspect.

Naar het oordeel van de rechtbank is in het procesdossier geen enkele concrete aanwijzing te vinden dat opsporingsambtenaar A1371 verdachte [naam verdachte] zou hebben uitgenodigd voor

een ‘zwembadparty’, dan wel dat zij [naam verdachte] een (andere) seksueel getinte sms zou hebben gestuurd. Het gesprek tussen [naam verdachte] en [medeverdachte 5] van 28 juli 2006 leidt ook niet noodzakelijkerwijs tot de conclusie dat de sms waarover in dat gesprek wordt gesproken afkomstig zou zijn van opsporingsambtenaar A1371. Dit is slechts een aanname die door de verdediging wordt gedaan.

Het verweer dat hier sprake is van het genereren van nieuwe criminaliteit omdat verdachte niet eerder handel had gedreven met Denemarken kan ten slotte ook niet slagen. Het verbod dat is opgenomen in artikel 3 sub A van de Opiumwet ziet op het buiten het grondgebied van Nederland brengen van softdrugs. Daarbij is volstrekt niet relevant naar welk specifiek land de softdrugs worden gebracht.

Conclusie

Het bovenstaande dient tot de conclusie te leiden dat de inzet van de bijzondere opsporingsbevoegdheden pseudo-koop en het stelselmatig inwinnen van informatie niet onrechtmatig is geweest. Derhalve zijn er geen beletselen die in de weg staan aan de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en kunnen de resultaten van de ingezette opsporingsbevoegdheden bijdragen aan het bewijs van de tenlastegelegde feiten.

3.4 De schorsing van de vervolging

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 De bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis wordt gehecht.

4.2 De bewijsoverwegingen

Feiten 1 en 2

De criminele organisatie

Het standpunt van de officier van justitie

Wat de officier van justitie betreft is er geen enkele discussie mogelijk over de vraag of er sprake is geweest van een criminele organisatie en wie aan die criminele organisatie hebben

deelgenomen. Evenmin is er discussie mogelijk wie er als leider van dat criminele samenwerkingsverband moet worden gezien. De positie van [naam verdachte] was naar de mening van de officier van justitie in alle opzichten zeer dominant.

[medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] waren zijn adjudanten. Ze waren van alles op de hoogte en ze waren ten aanzien van veel aspecten beschikkingsbevoegd.

[medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] zijn de stekkenleveranciers. [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] zijn hennepprofessionals en [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] zijn vaste krachten binnen de organisatie. Zij waren van alle markten thuis. [medeverdachte 11] tot slot was betrokken bij het witwassen van de criminele winsten

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de criminele organisatie zich heeft beziggehouden met de hennephandel en dat het samenwerkingsverband slechts was gericht op het telen, verkopen en afleveren van softdrugs. Omdat het samenwerkingsverband in geheel niet was gericht op de overige delicten, te weten afpersing, valsheid in geschrifte en het witwassen van crimineel vermogen, dient verdachte voor dat deel van het ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank

Voor het bestaan van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 wetboek van strafrecht blijken uit de geldende jurisprudentie de navolgende criteria:

Er moet sprake zijn van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad. De deelnemers dienen niet ieder voor zich maar in een zekere duurzame onderlinge samenwerking te participeren. Voorts moet men behoren tot de organisatie en een aandeel hebben in dan wel gedragingen ondersteunen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie. Tenslotte is specifieke deelneming aan misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie is gericht niet nodig, wel wetenschap in zijn algemeenheid. Wetenschap van één of verscheidene concrete misdrijven is niet vereist. (HR 16 oktober 1990, NJ 1991, 442; HR 29 januari 1991, NJB 1991, nr 50; HR 18 november 1997, NJ 1998, 225)

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een gestructureerd samenwerkingsverband dat ten doel had het plegen van opiumwetdelicten, meer in het bijzonder de handel in respectievelijk hennepstekken, hennep en hasjiesj, het telen van hennep en de uitvoer naar het buitenland van hennep en hasjiesj.

Alvorens de rechtbank overgaat tot het bespreken van de rol van de verschillende verdachten binnen de criminele organisatie zal de rechtbank eerst in grote lijnen de werkwijze van het samenwerkingsverband bespreken zoals die uit de bewijsmiddelen en de afzonderlijk ten laste gelegde feiten naar voren komt.

De werkwijze van de organisatie in het algemeen en het doel/oogmerk van die organisatie

Uit de ovc-gesprekken, observaties en telefoontaps is vast komen te staan dat de growshop “Hydro Agro Hobby” te Boxmeer (hierna “de growshop”) het centrum was van een goed georganiseerde criminele organisatie. De growshop werd gebruikt als ontmoetingsplaats voor de vaste leden van de organisatie en was de plaats van waaruit de organisatie handelde.

Gebleken is dat in de growshop de verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] tijdens

de openingstijden bijna altijd aanwezig waren. Feitelijk was het de verdachte [naam verdachte] die het in de growshop en binnen de organisatie voor het zeggen had. Dat was ook de reden dat hij wekelijks vanuit Spanje naar Boxmeer kwam om leiding te geven aan de vanuit de growshop gevoerde handel.

In de growshop vond, naast de reguliere verkoop die normaliter vanuit een growshop wordt gedreven, de georganiseerde handel plaats in softdrugs, te weten de in- en verkoop van hennepstekken, het inrichten en exploiteren van hennepkwekerijen, het kopen van hennep en/of hasjiesj en het verkopen van hennep en hasjiesj in het binnen- en buitenland.

Deze totaalhandel in softdrugs en het met die handel vergaren van vermogen moet naar het oordeel van de rechtbank dan ook worden gezien als het doel dat de criminele organisatie zich had gesteld.

De hennepstekken werden voor het merendeel aangekocht bij de vaste stekkenleverancier van de organisatie, de verdachte [medeverdachte 5]. Deze hennepstekken werden vervolgens verkocht aan diverse afnemers/henneptelers. In een aantal gevallen was de organisatie ook behulpzaam bij het opzetten en exploiteren van die hennepkwekerijen. Vaak werd door de organisatie de geoogste hennep ook weer van dezelfde henneptelers afgenomen.

Deze hennep werd opgeslagen op een aantal “stashplaatsen” en werd vervolgens verder verhandeld in Nederland door onder andere de verkoop aan coffeeshops, of werd uitgevoerd naar het buitenland waaronder met name naar Duitsland. De organisatie had voor die uitvoer enkele koeriers in dienst die met een zekere regelmaat richting Duitsland reden.

De overige misdrijven waaraan de organisatie zich schuldig zou hebben gemaakt

Ten laste is gelegd dat de organisatie zich ook schuldig zou hebben gemaakt aan (gewoonte)witwassen, afpersing en het plegen van valsheid in geschrifte.

Voor wat betreft het witwassen is de rechtbank van oordeel dat het witwassen niet kan worden gezien als een activiteit die valt onder het structurele samenwerkingsverband van de criminele organisatie. De rechtbank beschouwt het witwassen vooral als een individuele activiteit van een aantal verdachten en zal hierop nog terugkomen bij de bespreking van de rol van de verdachte [medeverdachte 11] binnen de organisatie. De rechtbank zal de verdachte dan ook voor het witwassen als onderdeel van de tenlastegelegde criminele organisatie vrijspreken. Hetzelfde geldt voor het plegen van valsheid in geschrifte. Die feiten werden grotendeels gepleegd in het kader van de hiervoor genoemde witwasfeiten dan wel maakten daarvan deel uit. Ook deze feiten kunnen niet worden gezien als misdrijven gepleegd waarop de criminele organisatie het oogmerk had.

Ook de onder de criminele organisatie ten laste gelegde afpersing kan niet bewezen worden. In de afpersingszaken, die in het dossier STROOM worden besproken, is niet gebleken van enige relatie tussen die afpersingszaken en de feiten die de criminele organisatie zich ten doel had gesteld. Er zijn weliswaar enkele aanwijzingen dat verdachte [naam verdachte] niet zou aarzelen om indien nodig geweld toe te (laten) passen, maar er is onvoldoende bewijs dat geweld een geïncorporeerd aspect van de bedrijfsvoering was, zoals de officier van justitie heeft gesteld.

De rol van de verdachten binnen de organisatie

De verdachte [naam verdachte]

[naam verdachte] was onmiskenbaar de leider binnen de hiervoor beschreven criminele organisatie. Naast het feit dat de growshop feitelijk aan hem toebehoorde was hij ook degene die in grote lijnen de strategie van de organisatie bepaalde. Hij bepaalde wie welke werkzaamheden verrichtte, hij bepaalde de prijs van bijvoorbeeld de hennepstekken en hij was ook degene die de onderhandelingen voerde met de undercoveragenten. [naam verdachte] nam ook de beslissing om met die undercoveragenten in zee te gaan. Ook als er problemen waren in de organisatie was het [naam verdachte] die beslissingen nam of bijvoorbeeld bepaalde dat voor de in Duitsland aangehouden [medeverdachte 12] en zijn vriendin goed zou worden gezorgd. Ter zitting heeft [naam verdachte] ook aangegeven dat hij een sociaal mens is en goed was voor “zijn mensen”. Daarnaast sprak hij ter zitting ook zijn waardering uit voor “zijn mensen” omdat hij door het onderzoek van de politie had kunnen ervaren dat “zijn mensen” ook eerlijk ten opzichte van hem waren geweest.

De verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]

Zoals hiervoor reeds opgemerkt waren [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] degenen die namens [naam verdachte] de growshop in Boxmeer runden en die daarmee tot op zekere hoogte ook de dagelijkse handel van de organisatie voor hun rekening namen. Zij hadden zeer regelmatig contact met onder andere [medeverdachte 5] met betrekking tot de aankoop van hennepstekken en met diverse afnemers van de hennepstekken. Daarnaast verzorgden zij de feitelijke leveringen van hennepstekken, hennep en hasjiesj en zij hielden zich feitelijk bezig met het exploiteren van hennepkwekerijen. Het waren [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]

die tijdens de afwezigheid van [naam verdachte] niet alleen de growshop, maar ook de organisatie in belangrijke mate voor [naam verdachte] runden. Zij beiden hadden zich daarmee onmisbaar gemaakt voor de organisatie en behoorden dan ook, onder [naam verdachte] als leider, tot de top van de organisatie.

De verdachte [medeverdachte 5]

[medeverdachte 5] was de vaste stekkenleverancier van de organisatie en stond daarmee als het ware aan de basis van de organisatie. Als er geen stekken konden worden geleverd zou de handel van de organisatie min of meer vast lopen en [medeverdachte 5] kon voor een vrijwel constante stroom hennepstekken in de richting van de organisatie zorgen. Door deze specifieke en duurzame rol had [medeverdachte 5] binnen de organisatie een belangrijke ondersteunende positie die rechtstreeks verband hield met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. [medeverdachte 5] moet dan ook naar het oordeel van de rechtbank worden gezien als een lid van de criminele organisatie

De verdachten [medeverdachte 10] en [medeverdachte 9]

[medeverdachte 10] en [medeverdachte 9] kunnen, zo blijkt uit de bewijsmiddelen, worden gezien als medewerkers van de organisatie maar dan werkzaam in de uitvoering. [medeverdachte 10] was een koerier voor de organisatie. Hij werd in december 2005 net voor de Duitse grens aangehouden met in zijn bezit ruim 20 kilogram hennep en ruim 3 kilogram hasjiesj. Uit telefoon- en ovc-gesprekken die later werden gevoerd blijkt dat het hier om hennep en hasjiesj van de organisatie ging. Voorts verrichtte [medeverdachte 10] hand- en spandiensten voor de organisatie en hij was daarom vrij regelmatig in de growshop aanwezig. Op 12 mei 2006

vond er in de growshop een ovc-gesprek plaats, gespreksnummer 260109862, tussen [naam verdachte], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. In dat gesprek blijkt dat [naam verdachte] aan [medeverdachte 2] de opdracht geeft om nieuwe telefoons klaar te maken en de oude telefoon weg te gooien. Tevens geeft hij de opdracht aan [medeverdachte 1] om zijn telefoon weg te doen. Op 12 mei 2006 bleek dat een zestal telefoons- en bijbehorende IMEI-nummers in gebruik werden genomen door [naam verdachte], [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10]. Met name deze telefoonwissel is naar het oordeel van de rechtbank een belangrijke indicatie dat [medeverdachte 10] tot de “inner circle” van de organisatie behoorde en daarom kan worden aangemerkt als een lid van die organisatie.

Hetzelfde geldt voor [medeverdachte 9]. Ook hij was aanwezig bij de telefoonwissel die op 12 mei 2006 plaatsvond. Bij [medeverdachte 9] werd voorts een hennepkwekerij aangetroffen en uit ovc- en telefoongesprekken kan worden afgeleid dat ook hij zich ten dienste van de organisatie bezighield met de handel in hennepstekken en hennep in Nederland en de uitvoer van hennep naar Duitsland.

De verdachte [medeverdachte 6]

De rechtbank is van oordeel dat [medeverdachte 6] zich bezig hield met hennep en hennepteelt. Uit de bewijsmiddelen kan voorts worden afgeleid dat [medeverdachte 6] zijn best deed om tot de organisatie van [naam verdachte] te behoren. Hij had dan ook nauwe banden met die organisatie, maar het waren de leden van die organisatie, en met name [naam verdachte] en [medeverdachte 2], die wat [medeverdachte 6] betreft de boot afhielden. De rechtbank is van oordeel dat [medeverdachte 6] niet in die mate tot de organisatie van [naam verdachte] werd toegelaten dat kan worden gezegd dat hij ook deel heeft uitgemaakt van het gestructureerde samenwerkingsverband.

De verdachten [medeverdachte 8] en [medeverdachte 7]

Ook voor [medeverdachte 8] en [medeverdachte 7] geldt dat zij niet een dusdanige band hadden met de criminele organisatie van [naam verdachte] dat zij daarmee ook moeten worden gezien als leden van die organisatie. Ook zij waren actief in de hennepkweek dan wel hennephandel en ook zij hadden (nauwe) banden met de organisatie van [naam verdachte]. Die banden gingen naar het oordeel van de rechtbank niet verder dan het mogelijk afnemen van hennepstekken of leveren van hennep aan de organisatie waarbij [medeverdachte 8] en [medeverdachte 7] meer voor eigen rekening handelden.

De verdachte [medeverdachte 11]

[medeverdachte 11] was -in elk geval in de tenlastegelegde periode- de partner van de verdachte [naam verdachte] en woonde al sinds geruime tijd in Spanje. De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van [medeverdachte 11] bewezen kan worden verklaard dat zij, kort gezegd, gelden van [naam verdachte] heeft witgewassen. Hiervoor heeft de rechtbank reeds aangegeven wat naar haar oordeel het doel was van de criminele organisatie van [naam verdachte], namelijk de totaalhandel in softdrugs en daarmee vermogen vergaren. De rechtbank is van oordeel dat het witwassen van het criminele vermogen van de organisatie of liever gezegd het witwassen van het vermogen van [naam verdachte], moet worden gezien als een uitvloeisel van de illegale handel van [naam verdachte]. Om het verkregen illegale vermogen legaal te maken en daarmee ook bruikbaar te maken, was een witwasconstructie noodzakelijk. Dit witwassen werd echter niet vanuit de criminele organisatie georganiseerd.

De leden van de organisatie waren daar ieder op hun eigen manier mee bezig en het witwassen kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet worden gezien als een activiteit die valt onder het structurele samenwerkingsverband van de criminele organisatie. Dit impliceert dat [medeverdachte 11] ook niet als een lid van die criminele organisatie kan worden aangemerkt.

De in de tenlastelegging genoemde [medeverdachte 12]

[medeverdachte 12] werd op op 15 augustus 2006 door de Duitse autoriteiten aangehouden nadat hij voor de organisatie 20 kilo hennep had afgeleverd in Berlijn (Duitsland) (Hoofdstuk 4, Delictdossier 17). Voorafgaande aan deze aflevering vond er ook een levering plaats door [medeverdachte 12] aan [medeverdachte 4] te Mannheim (Duitsland) (Hoofdstuk 4, Delictdossier 17). Voorafgaande aan deze levering waren er vanuit de growshop diverse kontakten met de afnemers en werden er observaties verricht, waarbij werd gezien dat op 29 juni 2006 door [medeverdachte 12] hennep werd afgeleverd aan Marscha [medeverdachte 4]. Vervolgens werd er op 29 juni een ovc-gesprek gevoerd, gespreksnummer 260134155, in de growshop tussen de verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en medeverdachte 12] In dat gesprek geeft [medeverdachte 12] aan dat hij al wat ritjes gehad heeft deze week. Hij is naar Berlijn en Hamburg gereden en vandaag dit weer. [medeverdachte 2] zegt dat het goed maandag of dinsdag weer kan zijn.

De rechtbank is mede op grond van het vorenstaande van oordeel dat [medeverdachte 12] moet worden gezien als de vaste koerier voor de organisatie die regelmatig hennep en/of hasjiesj afleverde in Duitsland. [medeverdachte 12] had daarmee een belangrijke ondersteunende rol en moet daarom als lid van de organisatie worden aangemerkt.

De in de tenlastelegging genoemde [medeverdachte 13]

De rechtbank is van oordeel dat [medeverdachte 13] alleen een rol heeft gehad bij het witwassen van criminele gelden door [naam verdachte]. Zoals de rechtbank hiervoor bij [medeverdachte 11] heeft overwogen kan het witwassen van criminele gelden niet worden gezien als een activiteit die valt onder het structurele samenwerkingsverband van de criminele organisatie. Ook [medeverdachte 13] kan daarom niet als een lid van die criminele organisatie worden aangemerkt.

Feit 3

De handel in hennep en hennepstekken

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat vanuit de growshop handel in hennep en hennepstekjes plaatsvond. De afnemers van hennepstekken die vervolgens hun eindproduct weer aan de growshop verkochten betaalden een veel lager bedrag voor een stekje dan de afnemers die dat niet deden. De officier van justitie is voorts van opvatting dat de omvang van de stekkenhandel zeker op 1500 stekjes per week kan worden gesteld en dat de in delictdossier 16 beschreven handel met [medeverdachte 14], [medeverdachte 15]] [medeverdachte 16], vader van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 8] wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De handel met [medeverdachte 17], [medeverdachte 18] en [medeverdachte 19] kan naar het oordeel van de officier van justitie niet bewezen worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat vanuit de growshop weliswaar handel in hennepstekken heeft plaatsgevonden, maar niet in die omvang als door de officier van justitie is aangenomen.

Ten onrechte heeft de officier van justitie de levering aan [medeverdachte 20] als maatgevend beschouwd voor de gehele periode. Het dossier biedt naar het oordeel van de verdediging daarvoor onvoldoende houvast. Daarbij heeft verdachte [naam verdachte] nog aangegeven dat hij de handel in hennepstekken netjes heeft verantwoord in zijn boekhouding onder de noemer “commissie perkgoed”.

Voor wat betreft de handel in hennep is de verdediging van mening dat delictdossier 16 weliswaar indicaties oplevert voor handel in hennep, doch zo weinig concreet dat dit geen wezenlijke bijdrage levert aan een bewezenverklaring van feit 3.

Het oordeel van de rechtbank

Zoals de rechtbank reeds hiervoor bij de bewezenverklaring van de criminele organisatie heeft overwogen, werd vanuit de growshop de handel in hennep gecoördineerd. [naam verdachte] was de baas en bepaalde de prijs, [medeverdachte 2] was degene die de bestellingen leverde en [medeverdachte 1] was de constante factor in de growshop.

Hoewel de rollen tussen [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [naam verdachte] verschillend waren gaat de rechtbank bij de beoordeling van de afzonderlijke leveringen en transacties uit van een zodanige bewuste en nauwe samenwerking tussen deze drie verdachten dat zij deze verschillende leveringen en transacties aan allen toerekent. Ter ondersteuning van die redenering verwijst de rechtbank naar onder meer verklaringen van A. [medeverdachte 9] en [medeverdachte 21], waaruit naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam blijkt dat zaken werd gedaan met degene die op dat moment (toevallig) in de growshop was. Ook de diverse tap- en ovc-gesprekken geven voldoende steun voor dit oordeel.

Ten aanzien van de handel in hennepstekken gaat de rechtbank er van uit dat die groter was dan de drie verdachten hebben aangegeven. Vaste leverancier, maar niet de enige, was medeverdachte [medeverdachte 5].

Er zijn in het dossier tal van tap- en ovc-gesprekken aan te wijzen waarin het gaat om grotere aantallen dan de 200 à 300 waarover de diverse verdachten spreken. Illustratief

hiervoor zijn de in hoofdstuk 2 van delictdossier 10 opgenomen observaties en gesprekken waarbij het gaat om een aantal leveringen aan [medeverdachte 20]. Op basis daarvan kunnen zeker een tweetal leveringen van [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 20] worden bewezen, terwijl uit taps en observaties blijkt dat de stekjes door [medeverdachte 5] aan [medeverdachte 2] zijn geleverd: een levering van 1650 stekjes op 24 oktober 2005 op de carpoolplaats Malden en een levering van 31 oktober 2005 van 1251 stekjes te Uden. [medeverdachte 20] is met die hoeveelheid aangehouden. Een indicatie van de omvang van de handel in hennepstekjes levert de vondst op van 15 november 2005. Op die datum worden aan de Houtduiflaan in Odiliapeel 1040 hennepstekjes aangetroffen. [naam verdachte] heeft aangegeven dat deze stekjes van hem zijn. Verdere indicaties voor de omvang van de hennepstekken handel zijn:

- de levering van 900 stekken aan [medeverdachte 9] in april 2006;

- een levering door een [medeverdachte 22] van 1.420 stekken eveneens in april 2006;

- sms-verkeer op 26 mei 2006 tussen [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] over aantallen stekken van 1.000, 1.500;

- een ovc-gesprek van 29 mei 2006 waarin [medeverdachte 5] zegt dat hij er deze week maar 800 /850 voor [M.] heeft, dat ze hem beloofd hadden 1.500, maar nu blijkt dat de man ze zelf moet hebben;

- een tapgesprek tussen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] op 26 juni; [medeverdachte 5] heeft er 600/700 die vandaag weg moeten;

- een aantal kleine leveringen aan diverse afnemers, waaronder [medeverdachte 23], [medeverdachte 9], [medeverdachte 24] [medeverdachte 25], [medeverdachte 26], [medeverdachte 27] en [medeverdachte 14].

Weliswaar zal de omvang van de handel in de hennepstekken niet iedere week gelijk zijn geweest, doch de rechtbank acht op grond van het bovenstaande een handel in stekken van gemiddeld circa 1.000 stekken per week reëel.

Voorts kan wettig en overtuigend worden bewezen dat een aantal van de afnemers van hennepstekken de opbrengst vervolgens leverde aan de growshop. Daarbij gaat het onder meer om [B.] [medeverdachte 26], [medeverdachte 27] en [M.] [medeverdachte 14]. Zo verklaart [medeverdachte 27] dat hij twee of drie keer stekjes heeft gekocht in de growshop, 100 tot 150 plantjes per keer en dat hij de opbrengst weer aan de growshop heeft verkocht, ongeveer 5 kilo per keer. Uit de ovc-gesprekken en taps opgenomen onder hoofdstuk 2 delictdossier 10 blijkt dat [[medeverdachte 14] stekken afnam en wiet terugverkocht.

Daarnaast staat voor de rechtbank vast dat eveneens gehandeld werd met [medeverdachte 15], ook wel de zijscheiding genoemd. De rechtbank verwijst daarbij naar een ovc-gesprek van 13 mei 2006 tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], een ovc-gesprek van 2 juni 2006 tussen [naam verdachte] en [medeverdachte 15] en een tapgesprek tussen [medeverdachte 15] en [naam verdachte] van 7 juli 2006. Daarin gaat het naar het oordeel van de rechtbank over de prijs en de kwaliteit van wiet

Eveneens acht de rechtbank handel met [medeverdachte 16] wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank wijst daarbij op een aantal taps tussen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 16], een ovc-gesprek van 22 april 2006 tussen [naam verdachte] en van [medeverdachte 2] waarin [medeverdachte 16] in verband met stekken wordt gebracht en een ovc-gesprek van 1 juni 2006 tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] over een schuld aan [medeverdachte 16].

[medeverdachte], de vader van verdachte [medeverdachte 2], handelt met de growshop. Bewijs hiervoor is onder meer een ovc-gesprek van 1 juni 2006 tussen [medeverdachte 2] sr en jr.

Tenslotte is de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de in delictdossier 16 beschreven mogelijke handel met [medeverdachte 17], [medeverdachte 18] en [medeverdachte 19] niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

De hennepkwekerijen in Marbella en Wanrooij

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van opvatting dat op basis van de taps, ovc-gesprekken, peilbakengegevens en observaties bewezen kan worden verklaard dat verdachte betrokken is geweest –in de vorm van medeplegen- bij het telen van hennep in de kwekerij op het adres [straatnaam] te Marbella. Verder is er volgens de officier van justitie voldoende bewijs aanwezig dat verdachte opzettelijk ongeveer 7 kilogram henneptoppen aanwezig heeft gehad in het door hem gehuurde gedeelte van de loods aan de Molenstraat te Wanroij. De hennep is daar aangetroffen en verdachte heeft de verantwoordelijkheid hiervoor op zich genomen. Er is onvoldoende bewijs voor de betrokkenheid van verdachte bij de hennepkwekerij in het niet door hem gehuurde deel van de loods aan de Molenstraat te Wanroij, zodat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte slechts de leverancier is geweest van de inrichting van de kwekerij in Marbella. Hij heeft met dit wiethok € 40.000,- verloren. Het inrichten van een hennepkwekerij is niet strafbaar en verdachte dient dan ook van het medeplegen van het telen van hennep in deze kwekerij te worden vrijgesproken. Ook dient verdachte te worden vrijgesproken van het telen van hennep in de loods aan de Molenstraat te Wanroij en het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 7 kilogram henneptoppen in het door hem gehuurde gedeelte van die loods. Het gedeelte waarin de hennepkwekerij werd aangetroffen, werd niet door verdachte gehuurd en hij kwam hier nooit. Het wel door hem gehuurde gedeelte werd gebruikt voor de opslag voor zijn growshop. Verdachte wist niets van de aanwezigheid van de daar aangetroffen henneptoppen.

Het oordeel van de rechtbank

Marbella

De rechtbank stelt vast dat uit taps, ovc-gesprekken en observaties blijkt dat verdachte samen met [medeverdachte 2] zeker vanaf maart 2006 bezig is geweest met het opzetten van de hennepkwekerij op het adres [straatnaam] te Marbella. [medeverdachte 2] heeft in maart 2006 gereedschappen met het vliegtuig mee naar Malaga genomen. Op 20 april 2006 heeft [medeverdachte 2] 3 mannen, te weten [medeverdachte 8], [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] naar het vliegveld in Dusseldorf gebracht. [medeverdachte 2] heeft hun vliegtickets naar Malaga betaald en [medeverdachte 6] heeft gereedschap ingecheckt. Op 21 april 2006 worden [medeverdachte 8], [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] gezien bij de woning aan de [straatnaam]. Twee dagen later wordt de auto van verdachte, de KIA, gezien bij deze woning. Op 9 mei 2006 is er een fax uit Spanje bij de growshop binnengekomen met daarop een bestelling van goederen voor een hennepkwekerij. Op 22 mei 2006 is [medeverdachte 5] samen met [medeverdachte 6] naar Spanje gereden. [medeverdachte 5] heeft, aldus zijn verklaring, aan verdachte en [medeverdachte 2] aangeboden om 900 hennepstekken naar Spanje te vervoeren. Op 23 mei 2006 is [medeverdachte 7] vanaf Dusseldorf naar Malaga gevlogen. Diezelfde dag heeft verdachte naar [medeverdachte 2] gebeld en gezegd dat de jongens er zijn en dat hij alles geregeld heeft. [medeverdachte 5] is na een kort verblijf in Spanje alleen weer teruggereden en voor de terugvlucht van [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] heeft [medeverdachte 2] betaald. Op 10 juni 2006 heeft [medeverdachte 2] tegen een aantal mensen in de growshop gezegd dat het € 40.000,- kost om een hok in Spanje te maken. Op 22 juni 2006 heeft hij tegen [medeverdachte 1] gezegd dat hij in Spanje naar hokken heeft gekeken en dat er een moter is ontploft. Later die dag heeft [medeverdachte 2] hierover contact opgenomen met verdachte. Op 26 juni 2006 is, blijkens bakengegevens, de Mercedes Vito, de auto waar [medeverdachte 2] gebruik van maakt, naar Spanje vertrokken. Op 27 juni 2006 was deze auto aanwezig bij [straatnaam] te Marbella en een dag later vertrok de Mercedes Vito hiervandaan met eindbestemming Wijchen. Uit gegevens van de KMAR is gebleken dat [medeverdachte 2] de retourvlucht naar Malaga heeft betaald van hemzelf, [medeverdachte 14], [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] met als heenreis 27 juni 2006 en terugreis 28 juni 2006. Op 21 juli 2006 is de woning aan de [straatnaam] te Marbella doorzocht en een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen met 354 hennepplanten. Er werden die dag 3 personen aangehouden, een Kroaat die in de KIA van verdachte reed en 2 Canadezen. Uit het ovc-gesprek van 28 juli 2006 blijkt dat verdachte tegen [medeverdachte 5] heeft gezegd dat hij haast niet meer terug gaat naar Spanje, omdat het hok is gepakt. Zijn huis is weg, de auto is inbeslaggenomen. De vraag van [medeverdachte 5] of “het van waar die Joegoslaaf zat”, wordt door verdachte bevestigend beantwoord. Op 10 augustus 2006 heeft verdachte tegen [medeverdachte 5] gezegd dat het kutzooi is dat ze dat daar in Spanje hebben gepakt. [medeverdachte 5] heeft gezegd dat er voor verdachte toch weer een hoop geld in zat, waarop verdachte heeft geantwoord € 40.000,-.

Gelet op het vorige is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet slechts als leverancier van de inrichting van de hennepkwekerij in Marbella kan worden aangemerkt. Hij heeft ook de hennepkwekerij gefinancierd, en hij heeft, samen met [medeverdachte 2], de hele organisatie in handen gehad. Zonder hun bemoeienis zou er geen kwekerij zijn geweest. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van zodanige bewuste en nauwe samenwerking gericht op het telen van hennep in de genoemde kwekerij dat verdachte als medepleger hiervan kan worden aangemerkt.

Wanroij

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat er onvoldoende bewijs is om verdachte verantwoordelijk te houden voor de aangetroffen hennepkwekerij aan de (adres) te Wanroij. Verdachte huurde niet het gedeelte van de loods waarin deze kwekerij was aangetroffen en uit observaties, taps en ovc-gesprekken is niet gebleken dat hij enige bemoeienis had met deze kwekerij. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de hennep die is aangetroffen in het wel door hem gehuurde deel van de loods in Wanroij, heeft verdachte de verantwoordelijkheid op zich genomen. Dit deel van de loods werd door hem gebruikt voor de opslag ten behoeve van zijn growshop. De rechtbank is niet gebleken dat er zaken buiten verdachte om plaats vonden met betrekking tot deze loods. De rechtbank acht dus het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 7 kilogram henneptoppen wettig en overtuigend bewezen.

Conclusie

De rechtbank komt ten aanzien van feit 3 tot een bewezenverklaring van de in de telastelegging genoemde kwekerij in Marbella, de aangetroffen hoeveelheid hennep in de loods in Wanroij en houdt verdachte medeverantwoordelijk voor een aanzienlijke handel in hennep en hennepstekken.

Feit 4

De aankoop van 4 kilogram hasjiesj door het Politie infiltratieteam

Door de verdediging is het verweer gevoerd dat geen sprake kan zijn van uitvoer van softdrugs omdat politie en justitie nooit de intentie hebben gehad om de softdrugs daadwerkelijk naar het buitenland, Denemarken, uit te voeren.

De rechtbank verwerpt dit verweer nu niet de intentie van politie en justitie, maar de intentie van de verdachte bepalend is voor de vraag of er sprake is van uitvoer in de zin van artikel 3 sub A van de Opiumwet. Uit het procesdossier is afdoende vast komen te staan dat het opzet tot uitvoer naar het buitenland bij verdachte aanwezig was. Voor het overige verwijst de rechtbank naar haar overwegingen ten aanzien van de pseudokoop. Er is geen aanleiding de bewijsmiddelen ter zake van het bewijs voor feit 4 uit te sluiten, zodat een bewezenverklaring kan volgen. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat werd gehandeld met de growshop en niet met een van de individuele verdachten afzonderlijk.

Feit 5

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat op basis van de vele tap- en ovc-gesprekken, met gebruikmaking van kettingbewijs, duidelijk is geworden dat de organisatie, en met name [naam verdachte], [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en in mindere mate [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10]] zich bezig heeft gehouden met de uitvoer uit Nederland van hennep en of hasjiesj naar Duitsland, waaronder Mannheim en Berlijn.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat voor het onder 5 ten laste gelegde te weinig concreet bewijs is en dat voor een bewezenverklaring niet alleen kan worden teruggegrepen op de tap- en ovc-gesprekken. Met name ontbreekt het harde bewijs in de vorm van inbeslagname en beweerdelijk geleverde hennep.

Met betrekking tot de inbeslagname onder [medeverdachte 10] 21 kilogram hennep en 3 kilgram hashish heeft de raadsman aangevoerd dat uit geen van de gesprekken kan worden afgeleid dat [medeverdachte 10] die dag reed in opdracht van de organisatie van [naam verdachte] en dat verdachte [naam verdachte] niet wist dat [medeverdachte 10] op 5 december met een partij in de richting van Duitsland zou rijden.

Betreffende Mannheim, Duitsland heeft de verdediging aangevoerd dat [medeverdachte 28] en het echtpaar [medeverdachte 4] geen contacten van verdachte [naam verdachte] waren. [J.] en [M.] zouden klanten zijn van [H.] en naar de mening van de verdediging is het niet verdachte [naam verdachte] geweest die 10 kilogram hennep in Mannheim heeft laten afleveren.

Van de 20 kilogram hennep die omstreeks 16 augustus 2006 in Berlijn is aangetroffen, zou volgens de verdediging maar een gedeelte van 3 à 4 kilo afkomstig zijn van [naam verdachte]. De verdediging voert daar nog bij aan dat de ruimhartigheid van [naam verdachte] ten opzichte van [medeverdachte 12] te maken had met de persoon [naam verdachte], en dat hij gewoon zo in elkaar zit.

Voor wat betreft het laatste liggende streepje worden de hoofdstukken 6 tot en met 9 bedoeld. De verdediging heeft aangevoerd dat hieromtrent niets vastgesteld is kunnen worden. Ten laste is gelegd hennep, maar het kan volgens de raadsman bijvoorbeeld ook hasjiesj of nog iets anders zijn geweest. Voorts blijkt nergens uit dat [naam verdachte] als medepleger kan worden gekwalificeerd.

Het oordeel van de rechtbank

Net als bij feit 3, de handel in hennep en hennepstekken, gaat de rechtbank ook hier uit van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten [naam verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] dat de afzonderlijke leveringen aan alle drie kunnen worden toegerekend.

De levering van 5 kilo hennep, aangetroffen te Goch, Duitsland (hoofdstuk 5), de handel met [H en A.] (hoofdstuk 8) en de handel met onbekende Duitse man (hoofdstuk 9)

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat dit onderdeel van het ten laste gelegde, waaronder vallen de hoofdstukken 5, 8 en 9 van het delictdossier, niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden zodat verdachte daarvan wordt vrijgesproken.

De uitvoer van 21 kilogram hennep en 3100 gram hasjiesj door verdachte [medeverdachte 10] (hoofdstuk 2)

Vast is komen te staan dat verdachte [medeverdachte 10] op 5 december 2005 te Rijkevoort werd aangehouden met in zijn bezit 21 kilogram hennep en 3100 gram hasjiesj. [medeverdachte 10] reed op dat moment in een Volkswagen Golf, met Duits kenteken. [medeverdachte 10] heeft op pagina 588 van delictdossier 17 verklaard dat hij “dat spul” in Duitsland af moest leveren. De rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen van oordeel dat [medeverdachte 10] de in beslag genomen softdrugs samen met de verdachten [naam verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] heeft uitgevoerd naar Duitsland. Zo werd bij observaties van de growshop gezien dat verdachte [medeverdachte 10] frequent in de growshop kwam. Uit diverse ovc- en telefoongesprekken die na december 2005 zijn gevoerd en opgenomen, blijkt dat de criminele organisatie, die vanuit de growshop opereerde, nauw betrokken was bij de onderschepte lading van [medeverdachte 10]. In een gesprek van 27 april 2006 informeert een NN-man bij de growshop [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]) naar [H.] en vraagt hoe het met hem is afgelopen. Voorts vindt er op 20 mei 2006 een gesprek plaats tussen [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en een Engels sprekende vrouw. De vrouw vraagt wat er in december gebeurd is. [H.] vertelt dat de jongen toen in Holland 10 minuten voor de grens aangehouden is. Ze vonden toen de ‘bosh’. Volgens [H.] kan dat gebeuren, risico van het vak.

Op 29 juni 2006 wordt nog een gesprek opgenomen tussen [medeverdachte 1], [[medeverdachte 2] en een NN-man. In dat gesprek zegt [medeverdachte 1] “dat “hij”, die Roemeen, aan “haar” verkocht” en vervolgens “dat wij van hem nog 2000 moeten beuren. Toen hebben ze [H.] toch een keer gepakt. Nog 2000 euro moeten ze beuren dan is het klaar, het waren er 6”. Vervolgens werd door [medeverdachte 4] verklaard dat hij van [medeverdachte 28] na de kerst had gehoord dat de politie een koerier had gepakt die aan hem wilde leveren en dat hij bij die onderschepte deal veel geld had verloren. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat ze weet dat een deal rond kerst 2005 met 26 kg is onderschept. [medeverdachte 28] had hierover verteld en gezegd dat hij met deze deal veel geld had verloren. In verband met de onderschepte levering had [J.] nog schulden bij de Nederlanders.

De rechtbank is van oordeel dat uit de hiervoor aangehaalde feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat verdachte [medeverdachte 10] voor de organisatie van [naam verdachte] de in beslag genomen hennep en hasjiesj naar Duistland vervoerde en dat die hennep en hasjiesj bestemd waren voor [medeverdachte 28]. F. was namelijk degene die door de onderschepte deal/aanhouding van [medeverdachte 10] veel geld had verloren en nog een schuld had bij de Nederlanders. Uit het gesprek van 29 juni 2006 blijkt dat met die Nederlanders het criminele samenwerkingsverband van [naam verdachte] werd bedoeld, bestaande voor wat betreft de buitenlandse handel met name uit [naam verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1].

Aflevering 10 kilogram hennep te Mannheim Duitsland op 29 juni 2006 (hoofdstuk 3)

Uit de telefoontaps en ovc-gesprekken die zijn opgenomen in de periode voor 29 juni 2006 blijkt dat de verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [naam verdachte] gesprekken hadden met [medeverdachte 4] waarbij men uiteindelijk komt tot de levering van 29 juni 2006. Op 29 juni 2006 zijn er observaties van Duitse en Nederlandse observanten waarbij men heeft geconstateerd dat er een ontmoeting plaatsvond in een doe-het-zelfzaak in Mannheim tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 12].

[M.] heeft daarbij aan [medeverdachte 12] een linnen tasje overgedragen en zij is vervolgens met de Mercedes van [medeverdachte 12] weggereden en is, na een kort bezoek aan haar woonhuis, weer teruggekeerd bij de doe-het-zelfzaak. Daar hebben [M.] en [medeverdachte 12] van elkaar afscheid genomen en [medeverdachte 12] is met de Mercedes weer terug naar Nederland gereden. Uit het eerder aangehaalde telefoongesprek van 29 juni 2006 blijkt dat [medeverdachte 12] diezelfde dag nog in de growshop is aangekomen en heeft meegedeeld dat hij niet blij was met de manier waarop het geld door [M.] aan hem werd overgedragen. [medeverdachte 4] heeft voorts met betrekking tot de levering van 29 juni 2006 een uitgebreide bekennende verklaring afgelegd. De rechtbank is op grond van deze bewijsmiddelen van oordeel dat de aflevering van 10 kilogram hennep in Mannheim wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Aflevering 20 kilogram hennep te Berlijn Duitsland op 15 augustus 2006 (hoofdstuk 4)

Op grond van de analyse bakengegevens van het OT-baken op de Mercedes van [medeverdachte 12], kenteken [ - - ], het observatieverslag van de Duitse autoriteiten van 2 augustus 2006,

de observatieverslagen van de in Nederlands uitgevoerde observaties en de na 15 augustus 2006 opgenomen tap- en ovc-gesprekken is de rechtbank van oordeel dat ook deze levering wettig en overtuigend bewezen kan worden. Dat de organisatie [medeverdachte 12] niet liet vallen na bewezen diensten blijkt in het bijzonder uit de na 15 augustus 2006 gevoerde gesprekken waaruit blijkt dat de organisatie [medeverdachte 12] en zijn vriendin financieel steunde en ook de advocaatkosten voor haar rekening nam.

Handel met [bijnaam] uit Berlijn (hoofdstuk 6)

Uit diverse ovc- en tapgesprekken die zijn gevoerd in de periode van mei 2006 tot eind juli 2006 en waaraan onder andere deelnamen [naam verdachte], [medeverdachte 12], [medeverdachte 9], [medeverdachte 10], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] is gebleken dat er in ieder geval op 24 mei 2006 en op 8 juli 2006 leveringen hebben plaatsgevonden aan een zekere “[bijnaam]” te Berlijn. Zo worden op 24 mei 2006 diverse telefoongesprekken gevoerd waarbij werd geïnformeerd of alles in orde was. In een gesprek van 26 mei 2006 zegt [medeverdachte 12] “dat die gasten daarboven in Berlijn,[bijnaam]] liepen te zeuren over de prijs en dat de prijs te duur was”. Op 30 mei 2006 vond er een telefoongesprek plaats tussen [medeverdachte 9] en [naam verdachte], waarbij [medeverdachte 9] zegt dat hij [bijnaam] aan de lijn heeft gehad en die wilde zo niet doorgaan omdat het allemaal veel te lang duurde. [naam verdachte] zegt tegen [medeverdachte 9] dat [bijnaam] niet zoveel betaalt. [naam verdachte] zegt dat hij denkt dat [bijnaam] bluft. Op 1 juni 2006 zegt [medeverdachte 2] in een ovc-gesprek dat [medeverdachte 9] 4 kilo heeft voorgeschoten. [medeverdachte 2] zegt dat het geld allemaal bij die Turken en [bijnaam] ligt want daar moeten ze geld van beuren. Op 23 juni zegt [naam verdachte] tegen [medeverdachte 1] dat hij morgen naar Berlijn moet naar [bijnaam]. [naam verdachte] bevestigt dat hij geld op moet halen en dat hij ook gaat praten. [medeverdachte 9] gaat ook mee. Op 7 juli 2006 zegt [naam verdachte] tegen [medeverdachte 12], het betreft een ovc- gesprek tussen [naam verdachte], [medeverdachte 9] en [medeverdachte 12], dat hij en [medeverdachte 9] geld zijn gaan halen. [medeverdachte 9] geeft aan [medeverdachte 12] door dat als “hij” tijd heeft [medeverdachte 12] morgen moet rijden. [medeverdachte 9] en [naam verdachte] praten er nog over hoeveel [bijnaam] nog open heeft staan wat 55 blijkt te zijn. Op 14 juli 2006 wordt [medeverdachte 12] door [naam verdachte] betaald in de growshop en krijgt 100 euro extra omdat hij zo lang heeft moeten wachten. [medeverdachte 12] zegt die dag nog dat het wel heel snel gaat naar Berlijn. [naam verdachte] zegt dat het niet meer uit maakt of [medeverdachte 12] nou 10, 20 of 30 kilo mee moet nemen als de tassen maar passen.

De rechtbank acht bewezen dat daar waar in de tap- en ovc-gesprekken over kilo’s wordt gesproken het over hennep gaat, omdat, zo blijkt uit diverse leveringen, hennep de hoofdmoot was van de uitvoeractiviteiten van de organisatie.

Handel met [medeverdachte 29] uit Berlijn (hoofdstuk 7)

Uit diverse ovc- en tapgesprekken die zijn gevoerd in de periode van 1 tot en met 30 juni 2006 waaraan o.a. deelnamen een NN-man, [naam verdachte], [medeverdachte 9], [medeve[medeverdachte 10]] [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] is gebleken dat voor 8 juni 2006 een levering had plaatsgevonden aan een NN-man te Berlijn.

Op 8 juni 2006 vond er een telefoongesprek plaats tussen [naam verdachte] en die onbekende man, in welk gesprek die man klaagt over de geleverde kwaliteit en dat hij de eerste 20 kilo kon verkopen maar dat ze nu ieder 1 kilo hebben afgenomen. [naam verdachte] zegt dat er morgen

iemand komt om het op te halen en dat die onbekende man zijn geld terug krijgt. [naam verdachte] zegt op 8 juni 2006 tegen [medeverdachte 9] dat de onbekende man het allemaal niet goed vond, dat hij het allemaal te donker vond en het zo niet kwijt kon. [naam verdachte] zegt dat hij tegen “hem” gezegd heeft dat hij maar moet bellen wanneer het klaar ligt en dan komt [naam verdachte] het wel halen, dan gaat hij daar zelf naartoe. In het ovc-gesprek van 9 juni 2006 zegt [medeverdachte 1] dat het allemaal niet goed was met die Turk en dat hij zei dat het te donker was. [medeverdachte 1] zegt dat het allemaal terug moet. [medeverdachte 1] zegt dat hij er maar één oplossing voor heeft en dat is als ze van tevoren “schokken” (betalen).

Uit het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval vast komen te staan dat door de organisatie 20 kilo is geleverd aan een man in Berlijn en dat deze levering vóór 8 juni 2006 heeft plaatsgevonden.

Feit 6

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van opvatting dat er in het betreffende delictsdossier voldoende bewijs aanwezig is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot afpersing van [slachtoffer 1]. Het was een ruim van te voren beraamde en doorgesproken actie van [mededader] en verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrij dient te worden gesproken van de poging tot afpersing van [slachtoffer 1]. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij op 5 november 2005 samen met [[medeverdachte 13] aanwezig is geweest in het restaurant De Heeren van Overloon. Terwijl [mededader] met [slachtoffer 1] aan tafel zat, heeft hij enkel aan [slachtoffer 1] gevraagd wanneer hij zou gaan betalen. Dit is alles wat verdachte heeft gedaan. Van de mishandeling en bedreiging met de zoon van [slachtoffer 1] weet verdachte niets af. De wel door verdachte gemaakte opmerking is onvoldoende om aan te merken als een poging tot afpersing.

Het oordeel van de rechtbank

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij die avond een afspraak had met [mededader] in het restaurant De Heeren van Overloon om te praten over het terugbetalen van het geld dat hij [mededader] verschuldigd was. Halverwege het eten kwam er een onbekende man bij hun aan tafel zitten, die aan hem vroeg wanneer hij [mededader] zal gaan betalen. Ook zei deze man tegen hem: “jij hebt een zoon in Portugal, is het niet”. Verder herhaalde hij dat [slachtoffer 1] [mededader] moest betalen. [slachtoffer 1] heeft vervolgens afgerekend en bij het verlaten van het restaurant zag hij

de onbekende man aan een tafel zitten bij een blonde vrouw. Op weg naar zijn auto, zag hij twee mannen op hem afkomen. Door één daarvan werd hij in elkaar geslagen. Ook werd

[slachtoffer 1] een papier getoond, terwijl er tegen hem werd gezegd: “Zie je, dit is jouw zoon, denk om jouw zoon”. Terwijl [slachtoffer 1] nog op de grond lag, kwam de onbekende man uit het restaurant naar hem toen die naar hem riep:”is het nu duidelijk”. Achter deze man zag [slachtoffer 1] de vrouw staan die bij de man aan tafel zat.

Bij een fotoconfrontatie heeft [slachtoffer 1] verdachte herkend als de onbekende man uit het restaurant en de man die hem na de mishandeling toesprak.

[mededader] heeft zich met betrekking tot dit feit beroepen op zijn zwijgrecht. Wel heeft hij aangegeven dat hij een behoorlijke som geld van [slachtoffer 1] tegoed had, die zelfs na tussenkomst van de rechter niet is betaald. Ook [medeverdachte 13] heeft in eerste instantie een beroep gedaan op haar zwijgrecht. Later heeft zij bij de rechter-commissaris verklaard dat

zij nooit samen met verdachte in een restaurant heeft gezeten, terwijl daar ook [mededader] aanwezig was. Bij de behandeling ter zitting heeft zij verklaard dat zij wel samen met [naam verdachte] in het restaurant De Heeren van Overloon heeft gezeten, terwijl daar ook [mededader] en een onbekende man aanwezig waren. Verdachte is toen even naar de tafel van [mededader] en die man gegaan. Toen die man het restaurant verliet, heeft ze nog 40 minuten met verdachte aan tafel gezeten. Van de mishandeling van de onbekende man weet zij niets af. Verdachte heeft ook verklaard dat hij even aan hun tafel is geweest en alleen heeft gevraagd wanneer die man zou gaan betalen.

In het delictdossier zijn naast deze verklaringen, ook een aantal taps aanwezig, waaruit blijkt dat verdachte in de ochtend van 5 november 2005 telefonisch contact heeft gehad met [mededader]. Verdachte heeft op de voicemail van [mededader] ingesproken dat de naam van het restaurant is veranderd in de Heeren van Overloon. [mededader] heeft hierop verdachte gebeld en gezegd dat hij de naam aan “hem” heeft doorgegeven en dat hij “hem” om half 8 ziet. [mededader] en verdachte hebben om half zeven die avond afgesproken bij [medeverdachte 13].

Tot slot wijst de rechtbank op de verklaring van getuige [getuige 1] en de medische informatie betreffende [slachtoffer 1], waaruit blijkt dat hij inderdaad die avond is mishandeld.

De rechtbank is van oordeel dat uit de taps duidelijk naar voren komt dat er sprake was van een vooropgezet plan van [mededader] en verdachte om (te proberen) [slachtoffer 1] tot betaling te bewegen. Met de verklaring van [slachtoffer 1], de uitslag van de fotoconfrontatie en de medische informatie is wettig en overtuigend bewezen op welke manier dat is gebeurd. Indien verdachte, zoals hij heeft verklaard, enkel aan [slachtoffer 1] zou hebben gevraagd wanneer hij zou betalen, zou dit betekenen dat [mededader] buiten verdachte om, nog andere personen zou hebben ingeschakeld om het werk verder af te maken. Dit acht de rechtbank volstrekt niet aannemelijk. Weliswaar is de verklaring van verdachte bevestigd door [medeverdachte 13], maar de rechtbank hecht weinig geloof aan haar verklaring, omdat zij in eerste instantie anders heeft verklaard. De omstandigheid dat verdachte niet zelf geweld heeft aangewend, maakt dit niet anders, nu er sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking mede gericht hierop.

Ten aanzien van de tenlastegelegde telefonische contacten tussen verdachte en [slachtoffer 1], is de rechtbank van oordeel dat onduidelijk is gebleven wie met wie contact heeft opgenomen en wanneer. De rechtbank zal verdachte dan ook van dit deel van het tenlastelegde feit 6 vrijspreken.

Feit 7

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen. Hij acht bewezen dat dit de volgende in delictdossier 176 opgenomen zaken betreft: het appartement [adres] te Mijas-Costa (hoofdstuk 9), de woning aan [adres] te Marbella (hoofdstuk 8), een of meer appartementen in Estepona (hoofdstuk 11), de in hoofdstuk 15 opgenomen auto’s en de woning aan de [adres] te Uden (hoofdstuk 16).

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft in de eerste plaats aangevoerd dat verdachte van het tenlastegelegde witwassen vóór 1 september 2005 dient te worden vrijgesproken. De verdenking is immers dat gelden die zijn verdiend met de Opiumwetdelicten zijn witgewassen, terwijl het plegen van deze Opiumwetdelicten/het lidmaatschap van de criminele organisatie pas vanaf 1 september 2005 ten laste is gelegd.

Ook overigens dient volgens de verdediging vrijspraak te volgen. Het appartement [adres] te Mijas-Costa heeft verdachte (deels) gefinancierd met een lening die hij bij [geldschieter] heeft afgesloten. De woning van [medeverdachte 11] aan de [adres] te Marbella is geen eigendom van verdachte, maar van [eigenaar]. Ten aanzien van de appartementen Mirador del Puerto Estepona is onduidelijk welk appartement van verdachte zou zijn; onderliggende stukken ontbreken. Ook omtrent het pand aan de [adres] te Uden heeft verdachte een genoegzame uitleg gegeven. De koopovereenkomst betrof € 215.000,- en door de koper zouden aanvullende betalingen worden gedaan indien hij dat pand als bordeel zou gaan exploiteren.

Voor wat betreft de auto’s geldt volgens de verdediging het volgende. De BMW 750i met kenteken [ - - ] wordt niet in het dossier genoemd. De Volkswagen Golf is betaald van de inkomsten die verdachte heeft ontvangen voor bemiddeling in de verkoop van 12 appartementen. Met de Mercedes SL met kenteken [ - - ] heeft verdachte geen bemoeienis gehad. De Mercedes SL 500 met Texaans kenteken is eigendom van [eigenaar a[mededader]. De aanschaf van de BMW X5 met kenteken [ - - ] heeft verdachte gefinancierd door verrekening met openstaande schulden van [getuige 2] aan de growshop. Deze BMW is direct verhandeld.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat zij uitsluitend de expliciet op de dagvaarding vermelde onroerende zaken en auto’s zal bespreken, nu de dagvaarding voor het overige nietig is verklaard.

Periode

De rechtbank volgt de verdediging niet in de stelling dat vrijspraak van witwassen dient te volgen voor zover het de periode vóór 1 september 2005 betreft. Zoals ook door de verdediging is aangegeven, volgt uit de Memorie van Toelichting bij artikel 420bis Sr en de desbetreffende jurisprudentie dat voldoende is dat wordt bewezen dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Niet is vereist dat de rechtbank identificeert welk misdrijf precies aan het voorwerp ten grondslag ligt. Dat betekent dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan. (HR 28 september 2004, LJN AP2124). Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank in dit geval voorts dat de periode van het witwassen niet beperkt behoeft te worden tot de periode waarin de onder feit 1 en 2 bewezenverklaarde criminele organisatie heeft bestaan, mits bewezen kan worden dat ook de goederen die zijn aangeschaft in de periode daarvoor – de periode van 14 december 2001 tot 1 september 2005 – zijn gefinancierd met geld dat uit enig misdrijf afkomstig is, dan wel dat de werkelijke aard en/of herkomst van die goederen is verhuld. De rechtbank is van oordeel dat dit bewijs aanwezig is.

Daarbij wijst de rechtbank in de eerste plaats op het (nagenoeg) ontbreken van legale inkomsten van verdachte in de periode van 14 december 2001 tot 1 september 2005. Immers, in de jaren 2001 tot en met 2005 heeft verdachte volgens gegevens van de

Nederlandse en Spaanse belastingdienst geen looninkomsten gehad, evenmin had hij bank- of spaarrekeningen. Eind 2005 was er een bankrekening met een creditsaldo van 7.890,- euro. De omzet van de growshop bedroeg over 2004 81.431,- euro en over 2005 167.162,- euro. De rechtbank heeft voorts in aanmerking genomen dat eerdere politie-onderzoeken sterke aanwijzingen hebben opgeleverd dat verdachte al veel langer bezig was met handel in hennep en hennepstekken dan de periode waarop het onderzoek “Stroom” betrekking heeft. Voorts zijn er in het dossier tap- en ovc-gesprekken waaruit dit blijkt. De rechtbank wijst op:

- een ovc-gesprek van 7 juli 2006 waarin verdachte tegen de undercoveragente zegt dat hij al 18 jaar weed doet, dat hij is begonnen met kwekerijen waardoor hij ander contacten kreeg en het langzaam is gaan uitbreiden.

- een ovc-gesprek van 5 mei 2006 waarin [[medeverdachte 2] tegen [[medeverdachte 5] zegt dat er in het begin een stekkenboer kwam. Zij verkochten toen 25 tot 30 duizend in de week, het stond hier helemaal vol. Elke keer kwam die stekkenboer stekken brengen 10 duizenden, maar elke doos maakte [M.] open om te kijken of het goed was.

- een ovc-gesprek van 10 augustus 2006 tussen verdachte en [medeverdachte 5] over vroeger toen ze er hier 15.000 in de week kwamen brengen.

Voor de rechtbank staat derhalve vast dat verdachte zich ook vóór 1 september 2005 schuldig maakte aan strafbare feiten.

Onroerend goed

De rechtbank acht bewezen dat verdachte samen met een of meer anderen de werkelijke eigendom van de appartementen/woningen aan [adres] te Marbella en [adres] te Mijas-Costa heeft verhuld, terwijl hij wist dat dit onroerend goed met crimineel geld is gefinancierd.

Ten aanzien van de woning waarin [[medeverdachte 11] woont, [adres] te Marbella is gebleken dat deze woning eigendom is van [naam vennootschap]. [medeverdachte 11] is de enig vennoot/bestuurder van deze vennootschap. De verdediging heeft bescheiden overgelegd, waaruit zou moeten blijken dat [eigenaar] eigenaar is van deze woning. Deze documenten zeggen echter uitsluitend iets over de eerste eigenaar, degene die in 2001 de eigendom van deze woning verkregen heeft. Uit de Spaanse kadastersystemen blijkt echter dat de eigendom van deze woning in maart 2004 is verkregen door [naam [vennootschap]. Ook de hypotheken die op deze woning rusten staan op naam van [naam v[venootschap]ap]. De bij pleidooi overgelegde stukken overtuigen de rechtbank er dan ook geenszins van dat verdachte geen

enkel belang in deze woning heeft. Uit het ovc-gesprek van 15 juli 2006 – waarin verdachte zegt dat hij dat huis van ‘hem’ heeft gekocht voor 260.000 euro, het heeft verbouwd, er een garage heeft bijgekocht en er nu 8.5, 9 ton voor kan beuren – kan veeleer worden afgeleid dat eerst een ander eigenaar was van deze woning, maar dat deze woning thans van verdachte is. Voorts kan uit de omstandigheden dat verdachte, in elk geval ten tijde van de bewezenverklaarde periode, een relatie had met [medeverdachte 11], al zijn post op dit adres ontving en ook vertelde dat hij in Spanje woonde, worden afgeleid dat verdachte een grotere betrokkenheid bij de woning aan de [adres] had, dan de verdediging wil doen geloven. Ook uit tap- en ovc-gesprekken leidt de rechtbank af dat verdachte feitelijk de eigenaar was van deze woning en verdachte samen met (onder andere) [[medeverdachte 11] heeft geprobeerd dit te verhullen. Als voorbeelden kunnen worden genoemd:

- tapgesprek van 18 augustus 2006 waarin [[medeverdachte 11] tegen een onbekende man zegt dat zij de originele papieren nodig heeft van [venootschap]. Ze weet niet of ze ze voor de bank nodig heeft omdat [naam verdachte] erom gevraagd heeft, maar ze denkt dat het voor de bank is. De man zegt dat ze aankomende maandag naar Isabel moet vragen en dat hij tegen haar zal zeggen dat ze de papieren van het kadaster van de hypotheek en eigendomsbewijs van het huis en de garage klaar moet hebben liggen. Een aantal minuten later belt [medeverdachte 11] naar verdachte en zegt tegen hem dat ze gebeld heeft en dat ze het maandag op kan halen.

- tapgesprek van 23 augustus 2006 tussen verdachte en [medeverdachte 30] dat gaat over papieren die niet in orde waren. Verdachte vraagt of [D.] al de papieren heeft afgegeven. [medeverdachte 30] bevestigt dit en vraagt of hij hier een dingetje voor moet aanvragen. Verdachte zegt voor eentje voor Nagueles en vraagt of [medeverdachte 30] meteen wil vragen of hij nog een nieuwe hypotheek kan krijgen.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen omtrent het gebrek aan legale inkomsten van verdachte en gezien de bewezenverklaarde strafbare feiten acht de rechtbank genoegzaam bewezen dat deze woning is gefinancierd met geld dat uit misdrijf afkomstig is.

Het appartement [adres] te Mijas-Costa staat op naam van [vennootschap 2]. Medeverdachten [medeverdachte 11] en [medeverdachte 2] bezitten de aandelen van deze Spaanse BV. Er zijn meerdere tap- en ovc-gesprekken waaruit blijkt dat [medeverdachte 2] gaat tekenen (samen met [D.]). Uit de tap- en ovc-gesprekken blijkt voorts dat verdachte directe betrokkenheid bij dit appartement heeft. Als voorbeeld kunnen worden genoemd de taps van 3 juli 2006 waarin verdachte praat met [medeverdachte 30] over bankrekeningen en het opheffen ervan. Verdachte zegt dat een bankrekening van [vennootschap 2] apart moet blijven en dat hij het allemaal aan [D.] zal meegeven.

Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte samen met anderen de werkelijke eigendomsverhoudingen van appartement [adres] te Mijas-Costa heeft verhuld.

Het verweer van de verdediging dat [vennootschap 2] is opgericht om belastingtechnische redenen en verdachte de woning gedeeltelijk heeft gefinancierd met geld dat hij van [geldschieter] heeft geleend, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Immers, dat het in Spanje de normaalste zaak van de wereld is om in verband met de aankoop van onroerend goed een vennootschap op te richten, moge zo zijn, maar dit verklaart geenszins waarom deze vennootschap niet op naam van verdachte, maar op naam van medeverdachten [medeverdachte 11] en [medeverdachte 2] staat. De bij pleidooi overgelegde bescheiden acht de rechtbank

onvoldoende duidelijk, specifiek en betrouwbaar om op grond daarvan aan te kunnen nemen dat het geld waarmee het appartement is gefinancierd een legale herkomst heeft. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen omtrent het gebrek aan legale inkomsten van verdachte en gezien de bewezenverklaarde strafbare feiten acht de rechtbank genoegzaam bewezen dat dit appartement is gefinancierd met geld dat uit misdrijf afkomstig is.

Auto’s

De verdediging heeft terecht opgemerkt dat de op de dagvaarding genoemde BMW 750 I met Spaans kenteken [ - - ] niet in het dossier is terug te vinden. Verdachte zal dan ook van het witwassen van deze auto worden vrijgesproken.

De Volkswagen Golf met Spaans kenteken [ - - ] heeft op naam van medeverdachte [medeverdachte 11] gestaan van 12 januari 2004 tot 13 februari 2006. Op het verblijfadres [adres] te Elsendorp van verdachte zijn bescheiden gevonden met betrekking tot de invoer van deze auto in Nederland, te weten een brief van de RDW in verband met de herkeuring, een formulier betreffende verschuldigde BPM van 3.675,- euro en een kopie contrastrook acceptgiro Douane Apeldoorn voor betaling van 3.675,- euro. Get[getuige 2] heeft verklaard dat hij aan verdachte een BMW X5 heeft verkocht en dat verdachte daarop de VW Golf van [D.]e heeft ingeruild en de rest contant heeft bijbetaald.

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte voor [C.P.] heeft bemiddeld in de verkoop van 12 appartementen en hij daarvoor op 5 februari 2004 18.000,- euro en op 12 januari 2004 als eerste betaling de VW Golf heeft ontvangen. De rechtbank acht deze niet nader onderbouwde stelling onvoldoende om aan te kunnen nemen dat deze auto met legale inkomsten is gefinancierd. Zoals reeds is overwogen, blijkt uit gegevens van de Spaanse belastingdienst dat verdachte geen looninkomsten had. Evenmin zijn er bankrekeningen ten name van verdachte bekend. Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat verdachte voor zijn bemoeienis met onroerend goed werd betaald. Nu legale inkomstenbronnen derhalve niet aannemelijk zijn geworden en gezien hetgeen hiervoor is opgemerkt omtrent de criminele activiteiten van verdachte, acht de rechtbank bewezen dat verdachte deze auto heeft gefinancierd met opbrengsten uit misdrijven.

De Mercedes Benz 500 SL Cabrio met Spaans kenteken [ - - ] staat sinds 20 mei 2004 op naam van medeverdachte [medeverdachte 11]. Zij heeft verklaard dat zij deze auto heeft gekregen van een vriend, maar zij wil niet zeggen wie dat is. Uit het dossier blijkt dat de waarde van deze auto in mei 2007 nog 95.000 euro bedraagt. Voorts is er een ovc-gesprek van 20 april 2006 tussen verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 14], waarin verdachte het heeft over de cabrio SL van [D.]. Uit dit ovc-gesprek valt af te leiden dat verdachte de auto naar Nederland wil brengen en hem in Nederland wil verkopen. De rechtbank is van oordeel dat op grond hiervan kan worden geconcludeerd dat de auto eigenlijk van verdachte is. Gelet op zijn gebrek aan legale inkomsten kan hij zich geen auto met een dergelijke waarde permitteren, zodat deze auto betaald moet zijn met zwart geld. Nu medeverdachte [medeverdachte 11] niet wil aangeven van wie zij deze waardevolle auto heeft gekregen, is de rechtbank van oordeel dat zij de werkelijke herkomst van de auto heeft willen verhullen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat bewezen kan worden verklaard dat met de aankoop van deze auto crimineel geld is witgewassen.

De Mercedes 500 SL met Texaans kenteken [ - - ] is tijdens de doorzoeking in de woning aan [adres] te Marbella in beslag genomen. Tevens is inbeslaggenomen een origineel Texas Certificate of Title. Op de enveloppe staat: Certificate of Title, Mercedes ’[verdachte] Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij zijn Mercedes SL 500 met Amerikaans kenteken voor 10.000,- euro heeft verkocht aan [medeverdachte 30] in Spanje. [medeverdachte 30] heeft deze voor hetzelfde geld verkocht aan ene [verdachte] omdat zijn vrouw er niet in durfde te rijden. [medeverdachte 30] bevestigt deze verklaring.

Op grond hiervan acht de rechtbank bewezen dat verdachte eigenaar is van deze auto. Voorts acht de rechtbank bewezen dat met de aankoop van deze auto crimineel geld is witgewassen. Van voldoende legale inkomsten van verdachte is immers niet gebleken, terwijl criminele activiteiten van verdachte bewezen zijn verklaard. Niet aannemelijk is geworden dat deze auto eigendom is van [eigenaar auto] en verdachte (slechts) heeft bemiddeld tussen [medeverdachte 30] en [mededader], zoals door de verdediging is aangevoerd. De verklaring van [medeverdachte 30] geeft daarvoor geen enkel aanknopingspunt.

De BMW X5 met Spaans kenteken [ - - ] is, zo stelt de rechtbank vast, door getuige [getuige 2] aan verdachte verkocht. Verdachte heeft de hiervoor genoemde VW Golf ingeruild en een contant bedrag bijbetaald. Getuige [getuige 2] verklaart dat hij niet meer weet voor welk bedrag hij de BMW heeft verkocht. De VW Golf had een dagwaarde van ongeveer 12.000,-, euro aldus de getuige. Blijkens het proces-verbaal is de waarde van de BMW X5 op 24 mei 2007 ongeveer 53.300,- euro. De rechtbank trekt uit deze gegevens de conclusie dat verdachte een aanzienlijk bedrag heeft bijbetaald. De rechtbank acht bewezen dat dit bedrag een criminele herkomst heeft. De stelling van de verdediging dat het niet om een contante betaling gaat maar om verrekening van een openstaande rekening bij de growshop, maakt dit niet anders. Onderbouwing van deze stelling ontbreekt. De getuige verklaart duidelijk en onomwonden dat verdachte een contant bedrag heeft bijbetaald. Ook ten aanzien van deze auto kan het witwassen derhalve bewezen worden verklaard.

Gewoontewitwassen

Samengevat zal verdachte worden veroordeeld voor het witwassen van een tweetal onroerende zaken en vier auto’s. Dit is naar het oordeel van de rechtbank voldoende om van gewoontewitwassen te spreken, temeer nu uit het dossier is gebleken dat verdachte betrokken is geweest bij meer witwasactiviteiten.

Feit 8

De rechtbank acht het tenlastgelegde feit 8 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter zitting van 18 september 2007;

- 3 loonstroken ten name van [voornamen ] [medeverdachte 11], waarin als werkgever wordt genoemd [naam BV] B.V. te Arnhem en een maandsalaris van € 3.495,80

betrekking hebbende op de maanden april, mei en juni 2006, opgenomen als bijlage 5 van het delictdossier 189;

- een werkgeversverklaring waarin als werkgever staat genoemd [naam BV] B.V. te Arnhem en als werknemer [voornamen ] [medeverdachte 11], gedateerd op 28 juni 2006, opgenomen als bijlage 5 van het delictdossier 189;

- een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen [naam BV] B.V. te Arnhem en [voornamen ] [medeverdachte 11], gedateerd op 10 maart 2006, opgenomen als bijlage 5 van het delictdossier 189;

- koopovereenkomst gedateerd op 10 augustus 2006 tussen [D.M.] [medeverdachte 11] en [B.] [C.A.] [medeverdachte 26] met betrekking tot het woonhuis [adres] te Uden, waarin staat vermeld dat dit woonhuis is verkocht voor € 215.000,-, opgenomen als bijlage 14 van het delictdossier 189;

- 4 loonstroken ten name van [M.]n [medeverdachte 2], waarin als werkgever staat genoemd Hydro Agro Hobby Boxmeer, waarin een netto maandsalaris genoemd wordt van € 2.991,84, betrekking hebbende op de maanden januari, februari, maart en mei 2006, opgenomen als bijlage 26 van het delictdossier 189;

- twee loonstroken ten name van O. [medeverdachte 13], waarin als werkgever wordt genoemd AABO Trading Company te Beuningen en waarin een nettosalaris genoemd wordt van €3.330,- betrekking hebbende op de maanden april en mei 2006, opgenomen als bijlage 26 van het delictdossier 189;

- een loonstrook ten name van [I.V.K.], waarin als werkgever staat genoemd AABO Trading Company te Beuningen en waarin als nettosalaris genoemd wordt

€ 1.495,91 betrekking hebbende op de maand juli 2006, opgenomen als bijlage 26 van het delictdossier 189;

- drie werkgeversverklaringen waarin als werkgever wordt genoemd Hydro Agro Hobby te Boxmeer en als werknemer wordt genoemd, [R.D.H.], gedateerd op 1 september 2005, 6 oktober 2005 en 10 maart 2006, opgenomen als bijlage 54, 56 en 58 van het delictdossier 189;

- zes loonstroken ten name van [R.D.H.], waarin genoemd wordt als werkgever Hydro Agro Hobby te Boxmeer en waarin een netto maandloon genoemd wordt van

€ 3.000,-, betrekking hebbende op de maanden september, oktober en november 2005 en € 2.997,88 , betrekking hebbende op de maand december 2005 en € 2.948,19, betrekking hebbende op de januari en februari 2006, opgenomen als bijlage 56, 57 en 58 van het delictdossier 189;

- een arbeidsovereenkomst tussen Hydro Agro Hobby Boxmeer te Boxmeer en [R.D.H.], gedateerde op 1 september 2005, opgenomen als bijlage 58 en 60 van het delictdossier 189.

4.3 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 september 2005 tot en met 30 juni 2006

te Boxmeer en/of een of meer andere plaatsen in Nederland, en/of Marbella

en/of Malaga en/of een of meer andere plaatsen in Spanje en/of Mannheim en/of

Berlijn en/of een of meer andere plaatsen in Duitsland en/of Cyprus en/of

Brazilië, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke bestond uit een

samenwerkingsverband van een of meer natuurlijke perso(o)n(en), te weten M.

van [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of D. [medeverdachte 11] en/of H. [medeverdachte 9] en/of

E. [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 6] en/of J. [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 10] en/of R.

[medeverdachte 8] en/of D. [medeverdachte 12] en/of O. [medeverdachte 13] en/of een of meer andere perso(o)n(en)

en/of een of meer rechtsperso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het

plegen van misdrijven, namelijk het opzettelijk telen en/of bereiden en/of

bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken

en/of vervoeren van hennep en/of hasjiesj en/of het buiten het grondgebied van

Nederland brengen van hennep en/of hasjiesj (misdrijven die zijn omschreven in

artikel 3 onder A, B en C van de Opiumwet) en/of het zich schuldig maken aan

(gewoonte)witwassen en/of afpersing en/of het plegen van valsheid in

geschrifte en/of een of meer andere misdrijven,

zulks terwijl hij, verdachte, oprichter en/of leider en/of bestuurder van

voormelde organisatie was;

2.

a. hij in of omstreeks de periode van 01 juli 2006 tot en met 04 oktober 2006

te Boxmeer en/of een of meer andere plaatsen in Nederland, en/of Marbella

en/of Malaga en/of een of meer andere plaatsen in Spanje en/of Mannheim en/of

Berlijn en/of een of meer andere plaatsen in Duitsland en/of Cyprus en/of

Brazilië, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke bestond uit een

samenwerkingsverband van een of meer natuurlijke perso(o)n(en), te weten [medeverdachte 2]

en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 11] en/of [medeverdachte 9] en/of

[medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 10] en/of

[medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 12] en/of [medeverdachte 13] en/of een of meer andere

perso(o)n(en)en/of een of meer rechtsperso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het

plegen van misdrijven, te weten het in de uitoefening van een beroep of

bedrijf opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of

verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of het buiten

het grondgebied van Nederland brengen van (een) middel(en) als bedoeld in de

bij de Opiumwet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a,

vijfde lid van die wet, terwijl dit betrekking had op een of meer grote

hoeveelhe(i)d(en) hennep en/of hasjiesj, zulks terwijl hij, verdachte,

oprichter en/of leider en/of bestuurder van voormelde organisatie was;

en/of

b. hij in of omstreeks de periode van 01 juli 2006 tot en met 04 oktober 2006

te Boxmeer en/of een of meer andere plaatsen in Nederland, en/of Marbella

en/of Malaga en/of een of meer andere plaatsen in Spanje en/of Mannheim en/of

Berlijn en/of een of meer andere plaatsen in Duitsland en/of Cyprus en/of

Brazilië, heeft deelgenomen aan een organisatie,welke bestond uit een

samenwerkingsverband van een of meer natuurlijke perso(o)n(en), te weten M.[medeverdachte 2]

en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 11] en/of [medeverdachte 9] en/of

[medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 10] en/of

[medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 12] en/of [medeverdachte 13] en/of een of meer

andere perso(o)n(en)en/of een of meer rechtsperso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het

plegen van misdrijven, namelijk het zich schuldig maken aan

(gewoonte)witwassen en/of afpersing en/of het plegen van valsheid in

geschrifte en/of een of meer andere misdrijven, zulks terwijl hij, verdachte,

oprichter, en/of leider en/of bestuurder van voormelde organisatie was;

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 september

2005 tot en met 04 oktober 2006 te Boxmeer en/of Malden en/of Uden en/of

Heerlen en/of Wanroij en/of Schijndel en/of een of meer andere plaats(en) in

Nederland en/of Malaga en/of Marbella en/of een of meer andere plaats(en) in

Spanje, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, in - onder meer - het/de

perce(e)l(en)

- [adres] te Marbella (Spanje) in de periode van 1 juni

2006 tot en met 21 juli 2006 (hennepkwekerij, 354 planten) en/of

- [adres] te Wanroij in de periode van 1 september 2005 tot en met 20

oktober 2005 (hennepkwekerij 715 planten en/of ca. 7 kilogram henneptoppen)

en/of (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of vervoerd en/of afgeleverd

en/of verstrekt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad,

(een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) (van steeds meer dan 1 kilogram) hennep en/of

(een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) (van telkens meer dan 250 stuks) hennepstekken

en/of (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) (van steeds meer dan 1 kilogram)

hasjiesj, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk

geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep

en/of een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende

hasjiesj, zijnde hennep en/of hasjeisj (telkens) een middel vermeld op de bij

de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a,

vijfde lid van die wet,

zulks terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) voormeld opzettelijk

telen en/of bereiden en /of bewerken en/of verwerken en/of vervoeren en/of

verkopen en /of afleveren en/of verstrekken en/of aanwezig hebben heeft/hebben

gepleegd in de uitoefening van een beroep of bedrijf;

4. primair

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni

2006 tot en met 1 september 2006 te Boxmeer en/of te Uden, en/of een of meer

andere plaatsen in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland

heeft gebracht als bedoeld in artikel 1 onder 5 van de Opiumwet, te weten het

(telkens) ten vervoer aanbieden met bestemming Denemarken en/of Duitsland, te

weten - onder meer -:

- op of omstreeks 14 juli 2006 te Uden en/of te Boxmeer een hoeveelheid van

ongeveer 10 kilogram hennep, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende hennep en/of

- op of omstreeks 23 augustus 2006 te Uden en/of te Boxmeer een hoeveelheid

van 4 kilogram hennep en/of 1 kilogram hasjiesj, in elk geval een hoeveelheid

van een materiaal bevattende hennep en/of hasjiesj,

zijnde hennep en/of hasjiesj (telkens) een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

5.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 september

2005 tot en met 04 oktober 2006 te Boxmeer en/of een of meer andere plaatsen

in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft

gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 onder 5 van de Opiumwet, en/of

heeft vervoerd, - onder meer -

- op of omstreeks 4 november 2005 ongeveer 5 kilogram hennep (aangetroffen te Goch, Duitsland) en/of

- op of omstreeks 5 december 2005 te Rijkevoort (gemeente Boxmeer) en/of te

Haps (gemeente Cuijk) en/of te Boxmeer (met bestemming naar het buitenland

(Duitsland) vervoeren) ongeveer 21 kilogram hennep en/of ongeveer 3100 gram

hasjiesj en/of

- op of omstreeks 29 juni 2006 ongeveer 10 kilogram hennep (afgeleverd te Mannheim, Duitsland) en/of

- op of omstreeks 15 augustus 2006 ongeveer 20 kilogram hennep (aangetroffen te Berlijn, Duitsland) en/of

- een of meer andere hoeveelheden hennep (telkens meer dan 1 kilogram) op

verschillende tijdstippen in genoemde pleegperiode

althans een of meer hoeveelhe(i)d(en) hennep en/of hennepstekken en/of

hasjiesj, zijnde hennep en/of hennepstekken en/of hasjiesj (telkens) een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

6. primair

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 5 november

2005 tot en met 23 december 2005 te Overloon en/of Boxmeer en/of Marbella, in

elk geval in Nederland en/of Spanje tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn

mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en)

wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld

[slachtoffer 1] en/of een of meer andere perso(o)n(en) te dwingen tot de afgifte

van 200.000 euro, althans 120.000 euro, althans 80.000 euro, althans (telkens)

enig geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan die [slachtoffer 1] en/of een of meer ander(e) perso(o)n(en), in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), het volgende

heeft gedaan:verdachte en/of zijn mededader(s) heeft/hebben

op 5 november 2005 te Overloon

- die [slachtoffer 1] medegedeeld dat die [slachtoffer 1] geld moest betalen aan

[mededader] en/of

- die [slachtoffer 1] medegedeeld dat hij ([slachtoffer 1]) een zoon heeft die in Portugal

verblijft en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer 1] met de vuist tegen/in het gezicht, althans

tegen/op het hoofd, geslagen/gestompt en/of zich met de knie op de borstkas

van die [slachtoffer 1] laten vallen en/of het hoofd van die [slachtoffer 1] vastgepakt en

vervolgens dat hoofd tegen een auto aan geslagen en/of geduwd en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer 1] een foto getoond van zijn zoon en daarbij

medegedeeld "dit is jouw zoon, denk om jouw zoon", althans woorden met een

dergelijke - gelet op de omstandigheden waaronder die woorden werden geuit -

dreigende aard en/of strekking en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer 1] toegevoegd, althans gevraagd: "is het nu

duidelijk?" en/of

(vervolgens) op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode

tussen 5 november 2005 en 23 december 2005, te Boxmeer en/of te Helmond, in

elk geval op een of meerdere plaatsen in Nederland en/of in Spanje,

per telefoon die [slachtoffer 1] gevraagd: "wanneer ga jij [mededader] betalen" en /of

die [slachtoffer 1] toegevoegd: "jij moet betalen"

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

7.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 december

2001 tot en met 04 oktober 2006, te Boxmeer en/of Uden en/of een of meer

andere plaats(en) in Nederland en/of Marbella en/of San Pedro Alcantara en/of

Mijas-Costa en/of een of meer andere plaats(en) in Spanje en/of een of meer

plaats(en) op Cyprus, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

althans alleen, van (een) voorwerp(en), te weten

- een of meer onroerende za(a)k(en) (gelegen aan [adres] ([adres]) te Marbella (Spanje) en/of [adres]

Mijas-Costa (Spanje) en/of

de werkelijke aard en/of de herkomst heeft verborgen en/of verhuld, althans

heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s) verborgen en/of verhuld wie de

rechthebbende op die/dat voorwerp(en), was/waren en/of bovenomschreven

voorwerp(en) voorhanden had(den), terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en)

dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren

uit enig misdrijf, en/of heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)

die/dat voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of

omgezet of van een of meer voorwerp(en) gebruik gemaakt, terwijl hij en/of

zijn mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of

middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf, en/of heeft/hebben verdachte

en/of zijn mededader(s) in genoemde pleegperiode

op genoemde plaatsen (een) voorwerp(en), te weten

- een of meer auto('s) (te weten een BMW 750I met Spaans kenteken [ - - ]

en/of een Volkswagen type Golf met Spaans kenteken [ - - ] en/of een Mercedes

500 SL Cabrio met Spaans kenteken [ - - ] en/of een Mercedes 500 SL met

Texaans kenteken [ - - ] en/of een BMW X5 met Spaans kenteken [ - - ])

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet of van een

of meer voorwerp(en) gebruik gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s)

wist(en) dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren

uit enig misdrijf,

zulks terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) van het plegen van

voormeld(e) feit(en) een gewoonte heeft/hebben gemaakt;

8.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1

september 2005 tot en met 4 oktober 2006 te Boxmeer en/of te Arnhem en/of te

Schijndel en/of te Heesch, gemeente Oss en/of te Oss en/of te Uden en/of op

een of meer andere plaatsen in Nederland en/of in Spanje tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk een

of meer geschrift(en), te weten

- (1) drie, althans twee, althans een loonstro(o)k(en)

(salarisspecificatie(s)) ten name van mevr. [voornamen ] [medeverdach[medeverdachte 11]] [adres], 5402

CN Uden, waarin - (telkens) in strijd met de waarheid - genoemd wordt als

werkgever [naam BV] B.V. te Arnhem en waarin - (eveneens) in

strijd met de waarheid - een netto maandloon genoemd wordt van 3.495,80 euro,

betrekking hebbend op de maanden april, mei en/of juni 2006 en/of

- (2) een werkgeversverklaring waarin - in strijd met de waarheid - als

werkgever wordt genoemd: [naam BV] B.V. te Arnhem en als

werknemer wordt genoemd: [voornamen ] [medeverdachte 11], [adres], 5402 CN Uden (gedateerd

28 juni 2006) en/of

- (3) een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen (naam BV)

B.V., gevestigd te Arnhem en mevrouw [voornamen ] [medeverdachte 11],

wonende [adres] Uden (gedateerd 10 maart 2006) en/of

- (4) een koopovereenkomst gedateerd 10 augustus 2006 tussen [D.M.]

[medeverdachte 11] en [medeverdachte 26] met betrekking tot het woonhuis

[adres] te Uden, waarin - in strijd met de waarheid - vermeld staat

dat dit woonhuis is verkocht voor 215.000,- euro en/of

- (5) vier, althans meerdere, althans een loonstro(o)k(en)

(loonafrekening(en)) ten name van Dhr. [medeverdachte 2], [adres]

Uden en/of, waarin als werkgever genoemd

wordt Hydro Agro Hobby Boxmeer en waarin - (telkens) in strijd met de waarheid

- een netto maandsalaris genoemd wordt van 2991,84 euro, betrekking hebbend op

de maanden januari, februari, maart en mei 2006 en/of

- (6) twee, althans een loonstro(o)k(en) (loonafrekening(en)) ten name van

mevr. [medeverdachte 13], [adres] Nijmegen, waarin - (telkens) in

strijd met de waarheid - als werkgever genoemd wordt (naam bedrijf),

gevestigd te Beuningen en waarin - (telkens) (eveneens) in strijd met de

waarheid - een netto maandsalaris genoemd wordt van 3033,00 euro, betrekking

hebbend op de maanden april en mei 2006 en/of

- (7) een loonstrook (loonafrekening) ten name van mevr. [I.V.K.], [adres] Boxmeer, waarin - in strijd met de waarheid - als

werkgever genoemd wordt (naam bedrijf), gevestigd te Beuningen en waarin

- (eveneens) in strijd met de waarheid - een netto maandsalaris genoemd wordt

van 1495,91 euro, betrekking hebbend op de maand juli 2006 en/of

- (8) drie, althans twee, althans een werkgeversverklaring(en) waarin

(telkens) - (telkens) in strijd met de waarheid - als werkgever wordt genoemd:

Hydro Agro Hobby te Boxmeer en als werknemer wordt genoemd: [R.D.H.],

[adres] Heibloem (gedateerd 1 september 2005 en/of 6 oktober

2005 en/of 10 maart 2006) en/of

- (9) zes, althans meerdere, althans een loonstro(o)k(en)

(salarisspecificatie(s)) ten name van [R.D.H.], [adres]

Heibloem, waarin - (telkens) in strijd met de waarheid - genoemd wordt als

werkgever (naam bedrijf) te Boxmeer en waarin - (telkens) (eveneens) in

strijd met de waarheid - een netto maandloon genoemd wordt van 3000,- euro,

betrekking hebbend op de maanden september, oktober en november 2005 en/of

2.997,88 euro, betrekking hebbend op de maand december 2005 en/of 2948,19

euro, betrekking hebbend op januari en februari 2006 en/of

- (10) een arbeidsovereenkomst tussen Hydro Agro Hobby Boxmeer, gevestigd te

Boxmeer en [R.D.H.], [adres] Heibloem (gedateerd 1 september

2005) en/of een of meer ander(e) geschrift(en) dat/die bestemd is/zijn om tot bewijs

van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst,

althans heeft laten opmaken of vervalsen,

met het oogmerk om voormeld(e) geschrift(en) als echt en onvervalst te

gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken,

en/althans (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt, althans heeft laten

maken, van die/dat valse en/of vervalste geschrift(en) als ware dit/deze echt

en onvervalst en/althans (telkens) opzettelijk dat/die valse en/of vervalste geschrift(en)

heeft afgeleverd, althans laten afleveren, en/of voorhanden heeft gehad,

althans voorhanden heeft laten hebben, terwijl hij en/of zijn mededader(s)

(telkens) wist(en) of redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat dat/die

geschrift(en) bestemd was/waren voor zodanig gebruik,

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat niet te lichtzinnig moet worden gedacht over de inbreuk die criminele organisaties als de onderhavige op de samenleving dan wel de rechtsorde maken. De door hem geëiste straf een passende reactie laat zien op het calculerende gedrag van niet alleen verdachte, maar tevens van andere criminele organisaties die op dezelfde voet opereren. Ter zitting heeft de officier van justitie een gevangenisstraf geëist van 7 jaar.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft voor wat betreft de strafwaardigheid van de handel in hennep gewezen op het in Nederland gevoerde gedoogbeleid. De verdediging is van mening dat binnen het gevoerde gedoogbeleid sprake is van innerlijke tegenstrijdigheden. Zo vindt de verdediging het onzin om de handel in hennepstekken en het kweken van hennep te vervolgen terwijl het leveren van goederen voor de hennepkweek door growshops en de opslag en verkoop van hennep door de coffeeshophouder wel wordt gedoogd. Voorts vindt de verdediging het onzin dat de verkoop aan buitenlandse coffeeshopbezoekers wordt gedoogd terwijl het op kleine schaal uitvoeren van hennep naar het buitenland streng zou moeten worden gestraft.

Dit beleid is in de visie van de verdediging niet te plaatsen bij het onderhavige omvangrijke onderzoek door justitie waarbij kosten noch moeite werden gespaard. De verdediging heeft geopperd dat alles terug te leiden is tot een impuls van het college van procureurs-generaal om de aanpak van de aan hennep gerelateerde criminaliteit over een andere boeg te gooien. Op deze nieuwe aanpak is naar de mening van de verdediging de strafeis van de officier van justitie gebaseerd en de verdediging heeft haar vrees uitgesproken dat verdachte de dupe is geworden van een wijziging van beleid.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het deelnemen aan een criminele organisatie. Deze organisatie opereerde vanuit de growshop Hydro Agro Hobby te Boxmeer en hield zich op grote schaal bezig met de in- en verkoop van hennepstekken, het opzetten en exploiteren van hennepkwekerijen in Nederland en in Spanje, het verhandelen van hennep of hasjiesj binnen Nederland en het uitvoeren van hennepstekken, hennep en hasjiesj naar het buitenland.

Weliswaar heeft Nederland ten aanzien van hennep een gedoogbeleid, maar ook dit beleid kent zijn grenzen. Het gedogen is vooral gericht op het gebruik van hennep. Hoewel de rechtbank beseft dat er door het gedoogbeleid sprake is van een schemergebied, neemt dit niet weg dat het kweken, handelen en uitvoeren van hennep nadrukkelijk niet gedoogd wordt en strafbaar is. Met name voor wat betreft de uitvoer van hennep kan hier geen misverstand over bestaan, gelet op de in het buitenland gevoerde politiek ten aanzien van softdrugs.

Daarnaast heeft de handel in hennep een ontwrichtend effect op de rechtsorde. De winsten die met de illegale handel in softdrugs worden verdiend moeten op enig moment weer in de bovenwereld worden geïnvesteerd, hetgeen weer andere vormen van criminaliteit te weeg brengt.

Ten aanzien van het gebruik van softdrugs overweegt de rechtbank dat dit op lange duur schadelijk is voor de gezondheid. Door als organisatie bezig te zijn met het in de samenleving brengen van softdrugs, wordt bijgedragen aan dit schadelijke gevolg. Daarnaast leert de ervaring dat in het softdrugsmilieu geweld vaak voorkomt. Hoewel de criminele organisatie waar verdachte deel van uit maakt, niet met geweld gelinkt kan worden, blijkt hieruit wel de noodzaak om criminele organisaties die zich met softdrugs bezig houden te bestrijden.

Verdachte moet worden gezien als de leider van eerdergenoemd crimineel samenwerkingsverband. Hij was degene die binnen de organisatie de dagelijkse leiding had en de strategie bepaalde en hij was ook degene die uiteindelijke de belangrijkste beslissingen nam. Naast het geven van leiding aan de criminele organisatie heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan een afpersing van [slachtoffer 1], het plegen van valsheid in geschrifte en het witwassen van criminele gelden.

Het leiding geven aan een criminele organisatie met het oogmerk zoals hiervoor omschreven, acht de rechtbank een zeer ernstig feit. Nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie en met name niet bewezen heeft dat de criminele organisatie zich bezig hield met geweld, komt de rechtbank tot een lagere straf dan de officier van justitie heeft geëist. Daarbij is tevens rekening gehouden met straffen die voor soortgelijke delicten worden opgelegd.

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank verder ten voordele van verdachte rekening gehouden met het strafblad van verdachte waaruit blijkt dat verdachte in het recente verleden niet voor soortgelijke feiten met politie en justitie in aanraking is geweest en met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die ter zitting naar voren zijn gebracht.

De rechtbank zal op grond van dit alles aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van 4 jaar en 6 maanden.

7 Het beslag

7.1 De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat feit 3 is begaan met betrekking tot het voorwerp 1. Verder is dit voorwerp van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

Gebleken is dat de voorwerpen 4A en 5A bij het onderzoek naar de tenlastegelegde feiten zijn aangetroffen, terwijl deze voorwerpen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten of tot de belemmering van de opsporing daarvan. Deze voorwerpen behoren aan verdachte toe en zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

7.2 De verbeurdverklaring

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring.

Gebleken is dat deze voorwerpen aan verdachte toebehoren en dat deze voorwerpen tot het begaan van de misdrijven zijn vervaardigd of bestemd.

7.3 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag in genomen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 45, 47, 57, 91, 140, 225, 312, 317 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen de artikelen 3, 11, 11a, 13, en 14 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de dagvaarding nietig voor zover deze betrekking heeft op feit 7, onderdelen “een of meer ander(e) goed(eren)”en “gira(a)l(e) en/of charta(a)l(e) geldbedrag(en) in euro’s en/of Britse ponden”;

- verklaart de dagvaarding voor het overige geldig;

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.3 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1

Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven,

zulks terwijl verdachte de leider was van voormelde organisatie;

Feit 2a

Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet;

Feit 3

Medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod;

Feiten 4 primair en 5

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Feit 6 primair

Poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Feit 7

Medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd;

Feit 8

Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 jaar en 6 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd: 4A, 5A en 1;

- verklaart verbeurd de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 2, 3, 4, 5a, 5, 6 tot en met 25, 31, 35 tot en met 37 ;

- gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 26 tot en met 30, 32 tot en met 34, 38 tot en met 50.

Dit vonnis is gewezen door mr. Janssen, voorzitter, mr. Kok en mr. Van Rossum, rechters, in tegenwoordigheid van Nouws en mr. Venekamp-Vriends, griffiers, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 16 oktober 2007.

BIJLAGE

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 september 2005 tot en met 30 juni 2006

te Boxmeer en/of een of meer andere plaatsen in Nederland, en/of Marbella

en/of Malaga en/of een of meer andere plaatsen in Spanje en/of Mannheim en/of

Berlijn en/of een of meer andere plaatsen in Duitsland en/of Cyprus en/of

Brazilië, heeft deelgenomen aan een organisatie,welke bestond uit een

samenwerkingsverband van een of meer natuurlijke perso(o)n(en), te weten M.

van [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 11] en/of [medeverdachte 9] en/of

[medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 10] en/of

[medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 12] en/of [medeverdachte 13] en/of een of meer andere perso(o)n(en)

en/of een of meer rechtsperso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het

plegen van misdrijven, namelijk het opzettelijk telen en/of bereiden en/of

bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken

en/of vervoeren van hennep en/of hasjiesj en/of het buiten het grondgebied van

Nederland brengen van hennep en/of hasjiesj (misdrijven die zijn omschreven in

artikel 3 onder A, B en C van de Opiumwet) en/of het zich schuldig maken aan

(gewoonte)witwassen en/of afpersing en/of het plegen van valsheid in

geschrifte en/of een of meer andere misdrijven,

zulks terwijl hij, verdachte, oprichter en/of leider en/of bestuurder van

voormelde organisatie was; (delictdossier 01)

[artikel 140 lid 1 en lid 3 Wetboek van Strafrecht]

2.

a. hij in of omstreeks de periode van 01 juli 2006 tot en met 04 oktober 2006

te Boxmeer en/of een of meer andere plaatsen in Nederland, en/of Marbella

en/of Malaga en/of een of meer andere plaatsen in Spanje en/of Mannheim en/of

Berlijn en/of een of meer andere plaatsen in Duitsland en/of Cyprus en/of

Brazilië, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke bestond uit een

samenwerkingsverband van een of meer natuurlijke perso(o)n(en), te weten

van [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 11] en/of

[medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 5]

en/of [medeverdachte 10] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 12] en/of

[medeverdachte 13] en/of een of meer andere perso(o)n(en)

en/of een of meer rechtsperso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het

plegen van misdrijven, te weten het in de uitoefening van een beroep of

bedrijf opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of

verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of het buiten

het grondgebied van Nederland brengen van (een) middel(en) als bedoeld in de

bij de Opiumwet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a,

vijfde lid van die wet, terwijl dit betrekking had op een of meer grote

hoeveelhe(i)d(en) hennep en/of hasjiesj, zulks terwijl hij, verdachte,

oprichter en/of leider en/of bestuurder van voormelde organisatie was;

(delictdossier 01)

[artikel 11a Opiumwet]

en/of

b. hij in of omstreeks de periode van 01 juli 2006 tot en met 04 oktober 2006

te Boxmeer en/of een of meer andere plaatsen in Nederland, en/of Marbella

en/of Malaga en/of een of meer andere plaatsen in Spanje en/of Mannheim en/of

Berlijn en/of een of meer andere plaatsen in Duitsland en/of Cyprus en/of

Brazilië, heeft deelgenomen aan een organisatie,welke bestond uit een

samenwerkingsverband van een of meer natuurlijke perso(o)n(en), te weten M.

van [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 11] en/of [medeverdachte 9] en/of

[medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 10] en/of

[medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 12] en/of [medeverdachte 13] en/of een of meer andere perso(o)n(en)

en/of een of meer rechtsperso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het

plegen van misdrijven, namelijk het zich schuldig maken aan

(gewoonte)witwassen en/of afpersing en/of het plegen van valsheid in

geschrifte en/of een of meer andere misdrijven, zulks terwijl hij, verdachte,

oprichter, en/of leider en/of bestuurder van voormelde organisatie was;

(delictdossier 01)

[artikel 140 lid 1 en 3 Wetboek van Strafrecht]

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 september

2005 tot en met 04 oktober 2006 te Boxmeer en/of Malden en/of Uden en/of

Heerlen en/of Wanroij en/of Schijndel en/of een of meer andere plaats(en) in

Nederland en/of Malaga en/of Marbella en/of een of meer andere plaats(en) in

Spanje, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, in - onder meer - het/de

perce(e)l(en)

- [adres] te Marbella (Spanje) in de periode van 1 juni

2006 tot en met 21 juli 2006 (hennepkwekerij, 354 planten) (delictdossier 13,

hfdst. 1) en/of

- [adres] te Wanroij in de periode van 1 september 2005 tot en met 20

oktober 2005 (hennepkwekerij 715 planten en/of ca. 7 kilogram henneptoppen)

(delictdossier 13, hfdst. 2)

en/of (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of vervoerd en/of afgeleverd

en/of verstrekt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad,

(een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) (van steeds meer dan 1 kilogram) hennep en/of

(een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) (van telkens meer dan 250 stuks) hennepstekken

en/of (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) (van steeds meer dan 1 kilogram)

hasjiesj, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk

geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep

en/of een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende

hasjiesj, zijnde hennep en/of hasjeisj (telkens) een middel vermeld op de bij

de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a,

vijfde lid van die wet,

zulks terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) voormeld opzettelijk

telen en/of bereiden en /of bewerken en/of verwerken en/of vervoeren en/of

verkopen en /of afleveren en/of verstrekken en/of aanwezig hebben heeft/hebben

gepleegd in de uitoefening van een beroep of bedrijf; (delictdossiers 10 en 16)

[artikel 3 onder B/C Opiumwet]

4.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni

2006 tot en met 1 september 2006 te Boxmeer en/of te Uden, en/of een of meer

andere plaatsen in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland

heeft gebracht als bedoeld in artikel 1 onder 5 van de Opiumwet, te weten het

(telkens) ten vervoer aanbieden met bestemming Denemarken en/of Duitsland, te

weten - onder meer -:

- op of omstreeks 14 juli 2006 te Uden en/of te Boxmeer een hoeveelheid van

ongeveer 10 kilogram hennep, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende hennep (delictdossier 17, hfdst. 1) en/of

- op of omstreeks 23 augustus 2006 te Uden en/of te Boxmeer een hoeveelheid

van 4 kilogram hennep en/of 1 kilogram hasjiesj, in elk geval een hoeveelheid

van een materiaal bevattende hennep en/of hasjiesj (delictdossier 17, hfdst.1),

zijnde hennep en/of hasjiesj (telkens) een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

(artikel 3 onder A van de Opiumwet)

Subsidiair:

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni

2006 tot en met 1 september 2006 te Boxmeer en/of te Uden en/of een of meer

andere plaatsen in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of

afgeleverd en/of verstrekt aan - onder meer -

- een of meer perso(o)n(en) op of omstreeks 14 juli 2006 te Uden een

hoeveelheid van ongeveer 10 kilogram hennep, in elk geval een hoeveelheid van

meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep (delictdossier 17, hfdst.

1) en/of

- een of meer perso(o)n(en) op of omstreeks 23 augustus 2006 te Uden een

hoeveelheid van 4 kilogram hennep en/of 1 kilogram hasjiesj, in elk geval een

hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep en/of van

een materiaal bevattende hasjiesj (delictdossier 17, hfdst.1),

zijnde hennep en/of hasjiesj (telkens) een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

(artikel 3 onder B van de Opiumwet)

5.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 september

2005 tot en met 04 oktober 2006 te Boxmeer en/of een of meer andere plaatsen

in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft

gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 onder 5 van de Opiumwet, en/of

heeft vervoerd, - onder meer -

- op of omstreeks 4 november 2005 ongeveer 5 kilogram hennep (hfdst. 5,

aangetroffen te Goch, Duitsland) en/of

- op of omstreeks 5 december 2005 te Rijkevoort (gemeente Boxmeer) en/of te

Haps (gemeente Cuijk) en/of te Boxmeer (met bestemming naar het buitenland

(Duitsland) vervoeren) ongeveer 21 kilogram hennep en/of ongeveer 3100 gram

hasjiesj (hfdst. 2) en/of

- op of omstreeks 29 juni 2006 ongeveer 10 kilogram hennep (hfdst.3,

afgeleverd te Mannheim, Duitsland) en/of

- op of omstreeks 15 augustus 2006 ongeveer 20 kilogram hennep (hfdst. 4,

aangetroffen te Berlijn, Duitsland) en/of

- een of meer andere hoeveelhe(i)d(en) hennep (telkens meer dan 1 kilogram) op

verschillende tijdstippen in genoemde pleegperiode (hfdst. 6 tot en met 9)

althans een of meer hoeveelhe(i)d(en) hennep en/of hennepstekken en/of

hasjiesj, zijnde hennep en/of hennepstekken en/of hasjiesj (telkens) een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(delictdossier 17)

[artikel 3 onder A van de Opiumwet]

6.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 5 november

2005 tot en met 23 december 2005 te Overloon en/of Boxmeer en/of Marbella, in

elk geval in Nederland en/of Spanje tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn

mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en)

wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld

[slachtoffer 1] en/of een of meer andere perso(o)n(en) te dwingen tot de afgifte

van 200.000 euro, althans 120.000 euro, althans 80.000 euro, althans (telkens)

enig geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan die [slachtoffer 1] en/of een of meer ander(e) perso(o)n(en), in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), het volgende

heeft gedaan:

verdachte en/of zijn mededader(s) heeft/hebben

op 5 november 2005 te Overloon

- die [slachtoffer 1] medegedeeld dat die [slachtoffer 1] geld moest betalen aan [mededader] en/of

- die [slachtoffer 1] medegedeeld dat hij ([slachtoffer 1]) een zoon heeft die in Portugal

verblijft en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer 1] met de vuist tegen/in het gezicht, althans

tegen/op het hoofd, geslagen/gestompt en/of zich met de knie op de borstkas

van die [slachtoffer 1] laten vallen en/of het hoofd van die [slachtoffer 1] vastgepakt en

vervolgens dat hoofd tegen een auto aan geslagen en/of geduwd en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer 1] een foto getoond van zijn zoon en daarbij

medegedeeld "dit is jouw zoon, denk om jouw zoon", althans woorden met een

dergelijke - gelet op de omstandigheden waaronder die woorden werden geuit -

dreigende aard en/of strekking en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer 1] toegevoegd, althans gevraagd: "is het nu

duidelijk?" en/of

(vervolgens) op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode

tussen 5 november 2005 en 23 december 2005, te Boxmeer en/of te Helmond, in

elk geval op een of meerdere plaatsen in Nederland en/of in Spanje,

per telefoon die [slachtoffer 1] gevraagd: "wanneer ga jij [mededader] betalen" en /of

die [slachtoffer 1] toegevoegd: "jij moet betalen"

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(delictdossier 91)

art. 317 jo 45 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair:

A.

hij op of omstreeks 05 november 2005 te Overloon met een ander of anderen, op

of aan de openbare weg, te weten een parkeerterrein gelegen aan de Irenestraat

1, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld

heeft gepleegd tegen H. [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit het slaan en/of

stompen tegen het gezicht, althans het hoofd van die [slachtoffer 1] en/of het zich

met de knie laten vallen op de borstkas van die [slachtoffer 1] en/of het vastpakken

(beetpakken) van het hoofd van die [slachtoffer 1] en het (vervolgens) slaan met,

althans duwen met dat hoofd tegen een auto;

en/of

B.

hij op of omstreeks 05 november 2005 te Overloon tezamen en in vereniging met

(een) ander(en), althans alleen, [slachtoffer 1] en/of diens (in Portugal

woonachtige) zoon heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling, immers heeft (hebben) verdachte en/of zijn

mededader(s) opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd:

"jij hebt een zoon in Portugal, is het niet?" en/of "jij moet betalen" en/of,

nadat die [slachtoffer 1] tegen het hoofd was geslagen en/of met het hoofd tegen een

auto was geslagen en/of geduwd en/of tegen het lichaam was getrapt en/of

geschopt, "is het nu duidelijk" en/of (nadat bovendien (vervolgens) een foto

van de in Portugal woonachtige zoon van die [slachtoffer 1] was getoond) "zie je,

dit is jouw zoon, denk om jouw zoon",

althans woorden van gelijke - gelet op de omstandigheden waaronder die woorden

werden geuit - dreigende aard of strekking; (delictdossier 91; hfdst. 2)

artikelen 141 en/of 285 Wetboek van Strafrecht

7.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 december

2001 tot en met 04 oktober 2006, te Boxmeer en/of Uden en/of een of meer

andere plaats(en) in Nederland en/of Marbella en/of San Pedro Alcantara en/of

Mijas-Costa en/of een of meer andere plaats(en) in Spanje en/of een of meer

plaats(en) op Cyprus, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

althans alleen, van (een) voorwerp(en), te weten

- een of meer onroerende za(a)k(en) (gelegen aan [adres] ([adres]) te Marbella (Spanje) en/of [adres]

Mijas-Costa (Spanje) en/of

- een of meer ander(e) goed(eren),

de werkelijke aard en/of de herkomst heeft verborgen en/of verhuld, althans

heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s) verborgen en/of verhuld wie de

rechthebbende op die/dat voorwerp(en), was/waren en/of bovenomschreven

voorwerp(en) voorhanden had(den), terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en)

dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren

uit enig misdrijf, en/of heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)

die/dat voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of

omgezet of van een of meer voorwerp(en) gebruik gemaakt, terwijl hij en/of

zijn mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of

middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf,

en/of heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) in genoemde pleegperiode

op genoemde plaatsen (een) voorwerp(en), te weten

- gira(a)l(e) en/of charta(a)l(e) geldbedrag(en) in euro's en/of Britse

ponden, althans enige valuta en/of

- een of meer auto('s) (te weten een BMW 750I met Spaans kenteken [ - - ]

en/of een Volkswagen type Golf met Spaans kenteken [ - - ] en/of een Mercedes

500 SL Cabrio met Spaans kenteken [ - - ] en/of een Mercedes 500 SL met

Texaans kenteken [ - - ] en/of een BMW X5 met Spaans kenteken [ - - ])

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet of van een

of meer voorwerp(en) gebruik gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s)

wist(en) dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was

uit enig misdrijf,

zulks terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) van het plegen van

voormeld(e) feit(en) een gewoonte heeft/hebben gemaakt; (delictdossier 176)

(artikel 420 bis, lid 1 onder a., resp. onder b. jo artikel 420 ter van het

Wetboek van Strafrecht)

8.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1

september 2005 tot en met 4 oktober 2006 te Boxmeer en/of te Arnhem en/of te

Schijndel en/of te Heesch, gemeente Oss en/of te Oss en/of te Uden en/of op

een of meer andere plaatsen in Nederland en/of in Spanje tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk een

of meer geschrift(en), te weten

- (1) drie, althans twee, althans een loonstro(o)k(en)

(salarisspecificatie(s)) ten name van mevr. [medeverdachte 11]] [adres], 5402

CN Uden, waarin - (telkens) in strijd met de waarheid - genoemd wordt als

werkgever [naam BV] B.V. te Arnhem en waarin - (eveneens) in

strijd met de waarheid - een netto maandloon genoemd wordt van 3.495,80 euro,

betrekking hebbend op de maanden april, mei en/of juni 2006 (delictpv 189,

bijlage 5) en/of

- (2) een werkgeversverklaring waarin - in strijd met de waarheid - als

werkgever wordt genoemd: [naam BV] B.V. te Arnhem en als

werknemer wordt genoemd: [voornamen ] [medeverdachte 11], [adres], 5402 CN Uden (gedateerd

28 juni 2006) (delictpv 189, bijlage 5) en/of

- (3) een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen Global Invest

Services B.V., gevestigd te Arnhem en mevrouw [medeverdachte 11]] wonende [adres] Uden (gedateerd 10 maart 2006) (delictpv 189, bijlage 5) en/of

- (4) een koopovereenkomst gedateerd 10 augustus 2006 tussen [D.M.]

[medeverdachte 11] en [medeverdachte 26] met betrekking tot het woonhuis

[adres] te Uden, waarin - in strijd met de waarheid - vermeld staat

dat dit woonhuis is verkocht voor 215.000,- euro (delictpv 189, bijlage 14)

en/of

- (5) vier, althans meerdere, althans een loonstro(o)k(en)

(loonafrekening(en)) ten name van Dhr. [medeverdachte 2], [adres] Uden

en/of, waarin als werkgever genoemd

wordt Hydro Agro Hobby Boxmeer en waarin - (telkens) in strijd met de waarheid

- een netto maandsalaris genoemd wordt van 2991,84 euro, betrekking hebbend op

de maanden januari, februari, maart en mei 2006 (delictpv 189, bijlage 26)

- (6) twee, althans een loonstro(o)k(en) (loonafrekening(en)) ten name van

mevr. O. [medeverdachte 13], [adres] Nijmegen, waarin - (telkens) in

strijd met de waarheid - als werkgever genoemd wordt (naam bedrijf),

gevestigd te Beuningen en waarin - (telkens) (eveneens) in strijd met de

waarheid - een netto maandsalaris genoemd wordt van 3033,00 euro, betrekking

hebbend op de maanden april en mei 2006 (delictpv 189, bijlage 26) en/of

- (7) een loonstrook (loonafrekening) ten name van mevr. [I.V.K.], [adres] Boxmeer, waarin

- in strijd met de waarheid - als

werkgever genoemd wordt (naam bedrijf), gevestigd te Beuningen en waarin

- (eveneens) in strijd met de waarheid - een netto maandsalaris genoemd wordt

van 1495,91 euro, betrekking hebbend op de maand juli 2006 (delictpv 189,

bijlage 26)

- (8) drie, althans twee, althans een werkgeversverklaring(en) waarin

(telkens) - (telkens) in strijd met de waarheid - als werkgever wordt genoemd:

Hydro Agro Hobby te Boxmeer en als werknemer wordt genoemd: [R.D.H.],

[adres] Heibloem (gedateerd 1 september 2005 en/of 6 oktober

2005 en/of 10 maart 2006) (delictpv 189, bijlage 54, 58 en 56) en/of

- (9) zes, althans meerdere, althans een loonstro(o)k(en)

(salarisspecificatie(s)) ten name van [R.D.H.], [adres]

Heibloem, waarin - (telkens) in strijd met de waarheid - genoemd wordt als

werkgever Hydro Agro Hobby te Boxmeer en waarin - (telkens) (eveneens) in

strijd met de waarheid - een netto maandloon genoemd wordt van 3000,- euro,

betrekking hebbend op de maanden september, oktober en november 2005 en/of

2.997,88 euro, betrekking hebbend op de maand december 2005 en/of 2948,19

euro, betrekking hebbend op januari en februari 2006 (delictpv 189, bijlage

56/57 en 58) en/of

- (10) een arbeidsovereenkomst tussen Hydro Agro Hobby Boxmeer, gevestigd te

Boxmeer en [R.D.H.], [adres] Heibloem (gedateerd 1 september

2005) (delictpv 189, bijlage 58, 60) en/of

en/of een of meer ander(e) geschrift(en) dat/die bestemd is/zijn om tot bewijs

van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst,

althans heeft laten opmaken of vervalsen,

met het oogmerk om voormeld(e) geschrift(en) als echt en onvervalst te

gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken,

en/althans (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt, althans heeft laten

maken, van die/dat valse en/of vervalste geschrift(en) als ware dit/deze echt

en onvervalst

en/althans (telkens) opzettelijk dat/die valse en/of vervalste geschrift(en)

heeft afgeleverd, althans laten afleveren, en/of voorhanden heeft gehad,

althans voorhanden heeft laten hebben, terwijl hij en/of zijn mededader(s)

(telkens) wist(en) of redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat dat/die

geschrift(en) bestemd was/waren voor zodanig gebruik,

(artikel 225 jo 47 Wetboek van Strafrecht)