Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2007:BB5932

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
15-10-2007
Datum publicatie
18-10-2007
Zaaknummer
AWB 06/3043
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2010:BL9885, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Is een in Spanje wonende scheepswerktuigkundige met de Nederlandse nationaliteit die voor zijn Nederlandse werkgever op een schip werkt dat onder de Antilliaanse vlag vaart verplicht verzekerd voor de Nederlandse volksverzekeringen?

Naar het oordeel van de rechtbank, gelet op het arrest “Aldewereld”, ziet de bepaling voor zeelieden in de verordening (EEG) 1408/71 niet op deze specifieke situatie. Derhalve moet de in het arrest Aldewereld omschreven hoofdsystematiek van de verordening worden toegepast. Nederland is derhalve de staat waar belanghebbende sociaal verzekerd is. Op grond van onder meer artikel 6a AOW is belanghebbende dan als verzekerde voor de Nederlandse volksverzekeringen aan te merken en is hij volgens de Wet financiering volksverzekeringen in Nederland premie verschuldigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2008/12.2.2
FutD 2007-1988
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/3043

Uitspraakdatum: 15 oktober 2007

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], Spanje, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 16 mei 2006 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2003 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar belastbare inkomens uit werk en woning, aanmerkelijk belang en uit sparen en beleggen van nihil en een premie-inkomen van € 49.103.

Zitting

Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en is woonachtig in Spanje. Belanghebbende is in dienstbetrekking bij [BV] te [woonplaats] en werkt als scheepswerktuigkundige aan boord van zeeschepen. In het onderhavige jaar oefende belanghebbende zijn dienstbetrekking uit op een zeeschip varend onder de Antilliaanse vlag, welk schip in het onderhavige jaar zowel binnen als buiten de wateren van de Europese Unie voer.

2.2. Aan belanghebbende is een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd welke resulteerde in een heffing van premies volksverzekeringen tot een bedrag van € 9.073.

2.3. Tussen partijen is in geschil of belanghebbende in het onderhavige jaar verplicht verzekerd was voor de Nederlandse volksverzekeringen.

Supranationaal recht

2.4. In situaties van grensoverschrijdende arbeid wordt de heffing van premies sociale verzekeringen gecoördineerd door het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: EG-verdrag) en de Verordening (EEG) 1408/71 (hierna: verordening). De aanwijsregels van de verordening strekken mede ertoe te voorkomen dat een persoon op wie de verordening van toepassing is in geen enkele verdragsstaat verzekerd is.

2.5. Op grond van artikel 299 EG-Verdrag zijn de bepalingen van dit verdrag in de onderhavige situatie slechts van toepassing op het Koninkrijk der Nederlanden. Met betrekking tot de Nederlandse Antillen bestaat er op grond van voornoemd artikel in combinatie met bijlage II bij het EG-verdrag een associatieregeling, zodat overzeese gebieden onder de werking van het EG-verdrag kunnen komen te vallen. Een associatieregeling kan er slechts toe leiden dat de bepalingen van hoofdstuk IV van het EG-verdrag van toepassing zullen zijn in relatie tussen de Europese Unie en de overzeese gebiedsdelen van het Koninkrijk. Van toepasselijkheid van een associatieregeling is de rechtbank niets gebleken, zodat in het onderhavige geval voor de toepassing van het EG-verdrag en de verordening de Nederlandse Antillen moeten worden aangemerkt als derde-land.

2.6. Belanghebbende is werknemer in de zin van artikel 1, eerste lid, van de verordening. Geen van de aanwijsregels van artikel 13, tweede lid, van de verordening is echter van toepassing. In zijn arrest van 29 juni 1994, nr. C-60/93, (Aldewereld), ondermeer gepubliceerd in BNB 1995/44, heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJ EG) omtrent situaties zoals die van belanghebbende in rechtsoverwegingen 21 en 22 geoordeeld:

“ 21. In een situatie als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, zijn de enige factoren van aanknoping met de wetgeving van een lidstaat enerzijds de woonplaats van de werknemer en anderzijds de plaats waar de werkgever is gevestigd. Uit die aanknopingspunten moet dus het criterium voor de vaststelling van de op de betrokken situatie toepasselijke wetgeving worden gekozen.

22. Gelijk de Italiaanse regering terecht heeft opgemerkt, lijkt de toepassing van de wetgeving van de woonstaat van de werknemer in het stelsel van de verordening een ondergeschikte regel, die slechts wordt toegepast wanneer die wetgeving een aanknoping heeft met de arbeidsverhouding, Wanneer de werknemer dus niet woont op het grondgebied van één van de lidstaten waar hij werkzaamheden verricht, wordt gewoonlijk de wetgeving van de staat van de zetel of het domicilie van de werkgever toegepast.”

2.7. Omdat in het arrest Aldewereld geen relatie bestond tussen de lid-staat van werken en de lid-staat van wonen en geen andere uitzonderingsbepaling (zoals voor rijdend, varend en vliegend personeel) van toepassing was, werd de hoofdsystematiek toegepast, zo blijkt uit rechtsoverweging 25 van het arrest:

“ 25. Uit het voorgaande volgt, dat bij gebreke van een bepaling die uitdrukkelijk ziet op het geval van een persoon in de situatie van Aldewereld, een dergelijk persoon volgens het stelsel van die verordening valt onder de wetgeving van de lid-staat waar de werkgever is gevestigd.”

2.8. In de situatie van belanghebbende zijn de uitzonderingsbepalingen voor zeelieden als bedoeld in artikel 14ter van de verordening naar het oordeel van de rechtbank niet van toepassing. Het schip waar belanghebbende op werkzaam was, voer onder de Antilliaanse vlag. Op grond van het in 2.5 overwogene moet worden geconcludeerd dat derhalve steeds sprake is van een situatie met een derde-land. Nu artikel 14ter van de verordening niet ziet op situaties met een derde-land, bestaat, evenals in het arrest Aldewereld, geen relatie tussen de lid-staat van werken en de lid-staat van wonen. Derhalve moet conform rechtsoverweging 25 van het arrest Aldewereld de hoofdsystematiek worden toegepast. De rechtbank komt aldus tot de conclusie dat, bij gebreke van een bepaling die uitdrukkelijk ziet op het geval van een persoon die verkeert in de situatie van belanghebbende, een dergelijk persoon volgens het stelsel van de verordening valt onder de wetgeving van de lid-staat waar de werkgever is gevestigd en dat Nederland derhalve de lid-staat is waar belanghebbende verzekerd is.

Multilateraal en bilateraal internationaal recht

2.9. Het Europees verdrag inzake sociale zekerheid 1976 brengt in het vorenoverwogene naar het oordeel van de rechtbank geen verandering, omdat artikel 6, tweede lid, van dit verdrag bepaalt dat het verdrag de bepalingen van de verordening onverlet laat, tenzij het verdrag tot een gunstiger uitkomst leidt.

2.10. Bilaterale verdragen zijn krachtens de rangorderegeling van artikel 6 van de verordening eveneens ondergeschikt aan de verordening, die voor zowel de personele als de materiële werkingssfeer in de plaats treedt van elk sociale-zekerheidsverdrag dat voor twee of meer lidstaten verbindend is.

2.11. Nu belanghebbende een mogelijke gunstiger uitkomst van enig ander verdrag niet heeft gesteld en zodanige omstandigheden ook overigens niet aannemelijk zijn geworden, kunnen deze verdragen naar het oordeel van de rechtbank niet tot een ander oordeel leiden dan het oordeel dat is gegeven onder 2.8 hiervoor.

Nationaal recht

2.12. Als gevolg van de directe werking van internationaal recht, welk principe is neergelegd in onder meer artikel 6a Algemene Ouderdomswet en de vergelijkbare artikelen van de overige volksverzekeringen, wordt belanghebbende als verzekerde voor de Nederlandse volksverzekeringen aangemerkt. Mitsdien is belanghebbende op grond van de bepalingen van de Wet financiering volksverzekeringen premieplichtig in Nederland.

2.13. Het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volkverzekeringen 1999 (hierna: BUB 1999) brengt in het vorenoverwogene naar het oordeel van de rechtbank geen verandering. Belanghebbende behoort niet tot de kring van persoenen die niet zijn verzekerd op grond van het bepaalde in paragraaf 3 BUB 1999.

Conclusie

2.14. Op grond van het in 2.4 tot en met 2.13 overwogene is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende in Nederland verzekerd is voor de volksverzekeringen en eveneens premieplichtig is in Nederland. Nu van overige omstandigheden omtrent de mogelijke onjuistheid van de bestreden aanslag niet gebleken is, moet worden geoordeeld als onder 1 is vermeld.

2.15. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

2.16. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 15 oktober 2007 door mr. D. Hund, voorzitter, mr. J.J.J. Engel en mr. C.A.F.M. Stassen, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.M. Dondorp-Loopstra, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.